Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BV8565

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-02-2012
Datum publicatie
12-03-2012
Zaaknummer
225772
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kernvraag is of MCA op goede gronden weigert een zorgovereenkomst voor het jaar 2012 aan eiser, die als psychiater onder meer zorg verleent aan asielzoekers, aan te bieden.

Wetsverwijzingen
Mededingingswet
Mededingingswet 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2012/71
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 225772 / KG ZA 12-57

Vonnis in kort geding van 27 februari 2012

in de zaak van

[eiser]

eiser,

advocaat mr. C. Velink te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MENZIS COA ADMINISTRATIE B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Wageningen,

gedaagde,

advocaat mr. J.J. Rijken te ‘s-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiser] en MCA genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser]

- de pleitnota van MCA.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is een Iraans-Nederlandse psychiater en verleent sinds 1 april 2008 tweedelijns geestelijke gezondheidszorg te Amsterdam vanuit zijn eenmanszaak [praktijk A], ook wel handelende onder de naam [eiser] Psychiatrische Praktijk. Vanaf diezelfde datum verleent [eiser] ook geestelijke gezondheidszorg aan asielzoekers. [eiser] is gespecialiseerd in complexe psychotraumaklachten die het gevolg zijn van vervolging, oorlog en geweld.

2.2. Het Centraal Orgaan Asielzoekers (COA) heeft vanaf 2009 een ziektekostenregeling opgesteld voor asielzoekers, die is vastgelegd in de Regeling Zorg Asielzoekers (RZA). Op grond van de RZA hebben asielzoekers aanspraak op de in die regeling omschreven vormen van zorg en diensten, die grotendeels overeenkomen met het verstrekkingenpakket op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.

2.3. Asielzoekers kunnen aanspraak maken op zorg indien zij voldoen aan de in de RZA genoemde voorwaarden. Voor zorg door een andere zorgaanbieder dan de huisarts is een verwijzing van een arts noodzakelijk. Daarnaast is bepaald in de RZA dat asielzoekers zich tot een gecontracteerde zorgaanbieder kunnen wenden. In dat geval hoeft de asielzoeker de rekening niet zelf te betalen. Indien een asielzoeker naar een niet-gecontracteerde zorgaanbieder gaat, bestaat de mogelijkheid dat hij de zorg wel zelf moet betalen.

2.4. Het COA heeft de uitvoering van de RZA via een aanbesteding gegund aan MCA, zodat zij verantwoordelijk is voor de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de zorg, de zorginkoop en de administratieve registratie en afhandeling.

2.5. Ter uitvoering van de RZA sluit MCA contracten met zorgaanbieders. De verwerking van declaraties heeft MCA ondergebracht bij Azivo Zorgverzekeraar.

2.6. Voor de organisatie van de huisartsenzorg en het leiden van patiënten naar de reguliere zorg is een eerstelijns Gezondheidscentrum voor Asielzoekers (GC A) opgericht. Het GC A fungeert als eerste aanspreekpunt voor medische zorg voor asielzoekers in de opvang van het COA. GC A wordt gecontracteerd door MCA. Eerstelijns consulenten geestelijke gezondheidszorg maken deel uit van het team op een GC A locatie. De consulent ondersteunt de huisarts en de praktijkondersteuner (POH) bij het verlenen van zorg aan asielzoekers die met een psychisch of psychisch sociaal probleem een beroep doen op de huisarts.

2.7. Op grond van de RZA heeft een asielzoeker onder meer aanspraak op ambulante specialistische geestelijke gezondheidszorg als de asielzoeker hiertoe een schriftelijke verwijzing heeft van een (huis)arts.

2.8. [eiser] heeft voor het verlenen van geestelijke gezondheidszorg aan niet asielzoekers met de verschillende zorgverzekeraars, waaronder ook Menzis, een zorgovereenkomst gesloten.

2.9. Medicore verzorgt het innen van de declaraties van [eiser] middels de internetapplicatie VECOZO. [eiser] declareert eenmaal per jaar via de zogenaamde Diagnose Behandel Combinatie (DBC) (een code in de gezondheidszorg die het geheel van een geleverd zorgproduct omschrijft).

2.10. Op 25 november 2009 heeft [eiser] een deel van de door hem in 2008 verleende zorg aan asielzoekers vergoed gekregen op basis van de tot 1 januari 2009 geldende Ziektekosten Regeling Asielzoekers (ZRA), uitgevoerd door VGZ.

2.11. In 2010 ontving [eiser] de door hem ingediende declaraties retour omdat de gegevens niet volledig waren/ontbraken.

2.12. Bij e-mailbericht van 8 november 2010 heeft [eiser] mevrouw [betrokkene], werkzaam bij Menzis als volgt bericht:

Na een telefonisch gesprek met u en uw collega van RZA (…) wil ik u vragen voor een contract voor RZA over het jaar 2009 en 2010. Zoals ik u over de telefoon verteld heb, heb ik veel RZA patiënten in behandeling. (…) Ik heb vandaag van u en uw collega [betrokkene 2] begrepen dat ik geen contract met RZA heb. Uw collega [betrokkene 2] heeft mij verteld dat mijn contract met Menzis niet voldoende is voor uitbetaling van mijn RZA declararies (tegengestelde van wat ik eerder van u collega bij de contracteren afdeling van Menzis heb gehoord). Graag wil ik u vragen voor een contract met RZA zodat mijn achtergestelde declaraties zo snel mogelijk uitbetaald kunnen worden.

2.13. De heer [betrokkene 3], contractmanager MCA, heeft [eiser] bij e-mailbericht van 2 december 2010 onder meer bericht:

Ik reageer nog even zoals afgesproken op uw vraag of het MCA u een overeenkomst zou kunnen aanbieden. Wij kunnen hierover op dit moment nog geen definitieve uitspraak doen. (…)Wij moeten nog intern ons definitieve antwoord hiervoor bepalen. U verneemt zo spoedig mogelijk nader van ons.

Verder zijn wij bezig uit te zoeken op welke wijze wij de door u ingediende en gooedgekeurde declaraties 2009 met u kunnen afwikkelen; ook hierover zult u zo spoedig mogelijk bericht ontvangen.

2.14. Bij e-mailbericht van 15 december 2010 heeft Van Balen [eiser] medegedeeld:

Ik heb met u gesproken over uw verzoek voor een overeenkomst met het MCA voor het leveren van GGZ-zorg aan asielzoekers en het vergoeden van door u geleverde behandelingen 2009 en 2010.

Zoals ik u heb uitgelegd heeft het MCA, gelet op haar landelijke contracteerbeleid van GGZ-zorg in de nabijheid van asielzoekerscentra, op dit moment geen behoefte om met U een contract aan te gaan. De door u ingediende declaraties 2009 en 2010 kunnen we in principe dan ook niet vergoeden (er bestaat geen contract), echter mede gezien het feit dat 2009 een (start)jaar was waarin MCA de zorgcontractering van haar voorganger VGZ heeft overgenomen, hebben wij besloten de declaraties 2009 wel in behandeling te nemen.

2.15. MCA heeft de declaraties van [eiser] over het jaar 2009 eind 2010 vergoed.

2.16. Bij brief van 11 april 2011 heeft MCA [eiser] onder meer medegedeeld:

In de periode van november 2010 tot heden heeft u regelmatig via e-mail en via de telefoon contact met MCA gezocht over uw declaraties over de jaren 2009 en 2010. Zoals u zelf al constateert in uw e-mailbericht van 8 november 2010 heeft u als vrijgevestigd psychiater geen overeenkomst met MCA voor de zorg aan asielzoekers. MCA heeft geen vrijgevestigde psychiater gecontracteerd voor de Regeling Zorg Asielzoekers, omdat er landelijk voldoende GGZ is ingekocht bij de 2e-lijns GGZ-instellingen. Hiermee is zowel volume als continuïteit gegarandeerd. Daarnaast willen we het GGZ-aanbod zo dicht mogelijk bij de asielzoekerscentra aanbieden, met uitzondering van de specialistische traumacentra.

Uw declaraties over het jaar 2009 zijn afgewezen omdat deze niet rechtmatig zijn. Er ligt geen contract aan ten grondslag en er is dus geen betaaltitel. Toch hebben wij gemeend coulant met uw verzoek voor vergoeding van de declaraties over 2009 te moeten omgaan. U kunt dit terug vinden in het e-mailbericht van 15 december 2010 van de heer [betrokkene 3], destijds contractmanager GGZ. U vindt daarin nogmaals de mededeling dat het uitsluitend over het jaar 2009 gaat en dat we geen overeenkomst met u aangaan. We zullen dus ook geen betalingen over 2010 en verder verrichten.

2.17. De advocaat van [eiser] heeft MCA bij e-mailbericht van 27 oktober 2011 gevraagd naar de criteria op basis waarvan MCA beoordeelt of een arts (psychiatrische zorgverlening, zowel behandeling in het 1e jaar als vervolgbehandeling) in aanmerking komt voor een contract met MCA.

2.18. Bij e-mailbericht van 14 november 2011 heeft mevrouw N. [betrokkene 4], contractmanager bij MCA, de advocaat van [eiser] bericht:

- Zelfstandige behandelcentra worden niet gecontracteerd.

- Voor de 2e en 3e lijns GGZ psychologie is binnen Menzis COA Administratie een aantal GGZ instellingen geselecteerd en gecontracteerd om een landelijke dekkig te realiseren.

2.19. De advocaat van [eiser] heeft hierop bij e-mailbericht van 14 november 2011 als volgt gereageerd:

(…) De vraag is op basis waarvan selecteert en contracteert Menzis COA 2e lijns psychiatrische hulpverlening?

2.20. [betrokkene 4] heeft de advocaat van [eiser] bij e-mailbericht van 25 november 2011 medegedeeld:

De beweegredenen om de geselecteerde instellingen waar Menzis COA Administratie een contract hebben zijn:

- regionale aspecten, dus regio waar de asielzoekers wonen, geconcentreerd rondom de asielzoekerscentra

- voldoende zorg voor het aantal asielzoekers

- voldoende spreiding over het land

- voldoende spreiding van 2e en 3e lijn (dus ook traumacentra)

- bestaande relatie met de instelling overgenomen vanuit VGZ (met name vanwege de opgebouwde ervaring met de zorgbehandeling van asielzoekers)

Bij de afspraken worden de kwaliteitsnormen aangehouden van de penvoerder (collega verzekeraar) in de betreffende regio’s.

Menzis COA Administratie heeft een beperkt aantal GGZ instellingen gecontracteerd om het overzicht te houden en makkelijk te schakelen.

2.21. De advocaat van [eiser] heeft MCA bij brief van 13 december 2011 verzocht om in onderhandeling te treden over een zorgovereenkomst voor 2012 en een vergoeding (ten bedrage van € 55.258,-) gevorderd voor de door [eiser] verleende zorg in 2010 en 2011.

2.22. Bij beschikking van 12 januari 2012 is de praktijk van [eiser] met ingang van die datum door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aangewezen als instelling voor medisch specialistische zorg.

2.23. Bij brief van 31 januari 2012 heeft MCA de advocaat van [eiser] onder meer bericht:

Samenvattend

Het inkoopbeleid van MCA met betrekking tot GGZ-zorg is vanaf 2009 eenduidig geweest. De website was duidelijk voor zowel asielzoekers als zorgaanbieders. Uw cliënt komt niet in aanmerking voor een overeenkomst.

Aan het feit dat VGZ de zorg wellicht wel betaalde, kon uw cliënt geen rechten ontlenen ten opzichte van MCA. De retourinformatie van Vecozo had duidelijker moeten zijn, maar uw cliënt wist dat er geen overeenkomst met MCA gesloten was. Uw cliënt had – voor wat betreft de informatieverstrekking over het al dan niet contracteren door MCA – niet mogen afgaan op informatie van ‘een medewerker van Menzis’ in plaats van de informatie op de officiële site. Overigens bestrijdt Menzis dat deze informatie is verstrekt. Nu we niet inzien dat we de belangen van uw cliënt hebben geschaad en er geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking, wijzen we uw vordering af en gaan we geen overeenkomst aan met uw cliënt.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert dat de voorzieningenrechter

I. MCA veroordeelt om op straffe van verbeurte van een dwangsom aan [eiser] een overeenkomst 2012 aan te bieden, ingaande per 1 januari 2012, althans met [eiser] in onderhandeling te treden over een overeenkomst voor het jaar 2012, vanaf 1 januari 2012, met betrekking tot de door [eiser] te verlenen tweedelijns geestelijke gezondheidszorg aan asielzoekers, en

II. MCA veroordeelt in de kosten van dit geding en voor het geval voldoening niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis plaatsvindt te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskostenveroordeling vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening en met veroordeling van MCA in de nakosten van

€ 131,-, dan wel indien betekening plaatsvindt van € 205,-.

3.2. [eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat MCA misbruik maakt van haar bevoegdheid door [eiser] geen overeenkomst aan te bieden voor 2012. MCA koopt als enige op grond van de RZA zorg in voor asielzoekers en heeft dus een economische machtspositie. Volgens vaste jurisprudentie moet in dat geval het inkoopbeleid aantoonbaar verifieerbaar, transparant en non-discriminatoir zijn en mogen de aangelegde normen niet onredelijk zijn. MCA beschikt echter niet over een dergelijk inkoopbeleid aan de hand waarvan wordt bepaald of een zorgaanbieder in aanmerking komt voor een overeenkomst. De uiteindelijk bij e-mailbericht van 25 november 2011 geformuleerde normen zijn onvoldoende verifieerbaar en niet transparant en zij komen niet overeen met de criteria die worden genoemd in de brief van 11 april 2011 van MCA. In dat verband heeft [eiser] tevens aangevoerd dat MCA in 2010 aanvankelijk steeds andere argumenten heeft gebruikt om aan te geven dat de door [eiser] ingediende declaraties niet vergoed werden. MCA heeft bovendien geen enkele rekening gehouden met de gerechtvaardigde belangen van [eiser]. Er worden immers regelmatig asielzoekers door onder andere praktijkondersteuners en huisartsen van het GC A naar [eiser] verwezen. Dit onder meer omdat [eiser] het Farsi beheerst. Vanwege deze verwijzingen mocht [eiser] er op vertrouwen dat hij de verleende zorg vergoed kreeg, althans dat hij in aanmerking kwam voor een overeenkomst met MCA. Tot slot is [eiser] niet geïnformeerd over de wijziging van de ZRA in de RZA en de overgang van VGZ naar MCA, hetgeen wel van MCA verwacht had mogen worden, en heeft MCA aangegeven dat bestaande relaties zouden worden voortgezet.

3.3. MCA voert verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Met de aard van het gevorderde en het daaraan ten grondslag gelegde acht de voorzieningenrechter het spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen gegeven.

4.2. Kernvraag is of MCA of goede gronden weigert een zorgovereenkomst voor het jaar 2012 aan [eiser] aan te bieden.

4.3. Vooropgesteld moet worden dat het in dit geval gaat om zorg die [eiser] verleent aan asielzoekers. De ziektekostenregeling voor asielzoekers is vastgelegd in de RZA, zodat de Zorgverzekeringswet niet van toepassing is. Asielzoekers kunnen aanspraak maken op zorg indien zij voldoen aan de in de RZA genoemde voorwaarden. Voor zorg door een andere zorgaanbieder dan de huisarts is een verwijzing van een arts noodzakelijk. Daarnaast is bepaald in de RZA dat asielzoekers zich tot een gecontracteerde zorgaanbieder kunnen wenden. In dat geval hoeft de asielzoeker de rekening niet zelf te betalen.

4.4. Vast staat dat [eiser], die sedert 1 april 2008 als psychiater zijn eigen praktijk heeft, in 2008 geen contract had met VGZ (de voorganger van MCA als verantwoordelijke voor de organisatie van de zorg voor asielzoekers) voor wat betreft het verlenen van 2e lijns psychiatrische zorg aan asielzoekers en dus geen bestaande relatie was van VGZ. Van MCA kon en mocht dan ook niet verwacht worden dat zij [eiser] een overeenkomst aanbood, dan wel dat zij [eiser] zou informeren over de wijziging van de ZRA in de RZA en de overgang van VGZ naar MCA.

Dat [eiser] in november 2009 een deel van de door hem in 2008 verleende zorg aan asielzoekers van VGZ vergoed heeft gekregen op basis van de tot 1 januari 2009 geldende ZRA maakt het voorgaande niet anders.

4.5. [eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat MCA een economische machtspositie heeft, op grond waarvan zij gehouden is objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria toe te passen bij de keuze van zorgaanbieders aan wie zij een overeenkomst aanbiedt. Dit heeft MCA nagelaten, waardoor zij onrechtmatig en in strijd met het mededingingsrecht handelt.

4.6. Artikel 24 Mededingingswet (Mw) verbiedt ondernemingen misbruik te maken van een economische machtspositie. Het hebben van een economische machtspositie op zichzelf is niet in strijd met de Mededingingswet. Wel is een onderneming met een economische machtspositie in staat zich in belangrijke mate onafhankelijk te gedragen ten opzichte van haar concurrenten, leveranciers, afnemers of eindgebruikers. Om te bepalen of sprake is van een economische machtspositie in de zin van artikel 24 Mw dient (onder meer) de relevante productmarkt te worden afgebakend.

4.7. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (vgl. HvJ EG 14 februari 1978, C 27-76, United Brands) dient de relevante markt zo te worden afgebakend, dat daarvan deel uitmaken de producten/diensten ten aanzien waarvan de mededingingsrechtelijk te beoordelen gedraging zich afspeelt en voorts alle producten/diensten die door de afnemer als onderling verwisselbaar worden beschouwd. Doorslaggevend is aldus de substitueerbaarheid van het product/de dienst of, anders gezegd, of al dan niet sprake is van een of meer reële alternatieven. Daarbij kunnen, zo blijkt uit de rechtspraak van het HvJ EG, ook geografische aspecten een rol spelen.

4.8. MCA heeft betoogd dat gezondheidszorg voor asielzoekers niet iets anders is dan gezondheidszorg voor ingezetenen en heeft daarvoor verwezen naar het rapport ‘Richtsnoeren voor de zorgsector’ van de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) van maart 2010. In dat rapport is verwezen naar een besluit dat door de NMa is gegeven inhoudende dat er één aparte productmarkt voor niet-klinische geestelijke gezondheidszorg voor volwassenen en ouderen is en één voor geestelijke gezondheidszorg voor kinderen en jeugdigen. Hetgeen ook wordt bevestigd in een besluit van de NMa van 16 april 2008 in zaak over de fusie van AMC De Meren – JellinekMentrum. De niet-klinische geestelijke gezondheidszorg wordt dus beschouwd als één heterogene productmarkt waarin geïntegreerde geestelijke gezondheidszorginstellingen concurreren met vrijgevestigden en niet-geïntegreerde geestelijke gezondheidszorgaanbieders.

4.9. [eiser] heeft de inhoud van het rapport van maart 2010 en het besluit van 16 april 2008, voor zover thans relevant en aangehaald ter zitting, niet weersproken, zodat van de juistheid hiervan wordt uitgaat. Dit betekent dus dat kan worden vastgesteld dat

[eiser] niet-klinische geestelijke gezondheidzorg aan asielzoekers en ingezetenen verleent op één productmarkt. Anders gezegd [eiser] kan zonder aanzienlijke bijkomende kosten of risico’s overschakelen op het verlenen van zorg aan ingezetenen in plaats van asielzoekers. Nog anders gezegd, er is sprake van aanbodsubstitutie.

4.10. Als aanbodsubstitutie mogelijk is, is sprake van één productmarkt. De markt waarop de mededingingsrechtelijke beoordeling van het handelen van MCA zich dient te richten, is dus de markt voor diensten ten aanzien van het verlenen van geestelijke gezondheidszorg voor volwassenen en ouderen.

4.11. Voor de vaststelling van een (economische) machtspositie in de zin van artikel 24 Mw is, in algemene zin, vereist dat de betrokken onderneming (in dit geval MCA) op de relevante markt een positie inneemt die haar in staat stelt zich in belangrijke mate onafhankelijk van haar concurrenten, leveranciers, afnemers of de eindgebruikers te gedragen. Volgens vaste jurisprudentie van het HvJ EG kan, meer in het bijzonder, een onderneming die op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt een - al dan niet wettelijk - monopolie bezit, geacht worden een economische machtspositie in te nemen.

4.12. Te dien aanzien geldt dat niet is weersproken de stelling van MCA dat zij zorg inkoopt voor circa 18.000 asielzoekers en daarmee het aandeel van MCA in de zorginkoop op de relevante markt (zijnde de geestelijke gezondheidszorg voor volwassen en ouderen), uitgaande van een totaal aantal van verzekerde ingezetenen van ruim 15 miljoen, ongeveer 0,1% bedraagt.

4.13. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter met MCA van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat MCA beschikt over een economische machtspositie, nog daargelaten de vraag of MCA daar misbruik van maakt. Dat MCA gehouden is een verifieerbaar, transparant en non-discriminatoir contracteerbeleid te hanteren kan dan ook vooralsnog niet gevolgd worden. Wat daar verder ook van zij, vastgesteld kan worden dat MCA de door haar voor de inkoop van specialistische geestelijke gezondheidszorg gehanteerde uitgangspunten heeft opgenomen in haar e-mailbericht van 25 november 2011 aan [eiser] en nog eens heeft bevestigd in haar brief van 31 januari 2012 aan de advocaat van [eiser]. Deze criteria zijn weliswaar niet expliciet in de brief van MCA van 11 april 2011 opgesomd, maar hetgeen daarin is opgenomen komt overeen met het opgesomde inkoopbeleid zoals verwoord in het e-mailbericht van 25 november 2011 en de brief van 31 januari 2012.

4.14. [eiser] heeft verder nog gesteld dat bij hem het vertrouwen is gewekt dat de zorg die hij aan asielzoekers heeft verleend, zou worden vergoed. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4.15. Vooropgesteld moet worden dat het niet de schoonheidsprijs verdient dat het enige tijd heeft geduurd voordat MCA [eiser] had medegedeeld dat, bij gebreke van het bestaan van een overeenkomst tussen partijen, de door hem verleende zorg niet zou worden vergoed. Dat MCA [eiser] bij e-mailbericht van 15 december 2010 heeft toegezegd coulancehalve de declaraties voor 2009 alsnog te vergoeden, betekent niet dat een overeenkomst is dan wel zou worden aangeboden door MCA. In dat betreffende e-mailbericht is bovendien uitdrukkelijk medegedeeld dat MCA geen overeenkomst met [eiser] wenste aan te gaan, welke mededeling is herhaald op 11 april 2011 en op 31 januari 2012. Dat er asielzoekers naar [eiser] zijn/worden verwezen door huisartsen op grond waarvan [eiser] er vanuit mocht gaan dat hij de door hem verleende zorg vergoed zou krijgen, heeft MCA gemotiveerd weersproken. MCA heeft gesteld dat een deel van de door [eiser] overgelegde verwijsbrieven gericht zijn niet aan [eiser], maar aan ‘GGZ’ of ‘psychiatrie/psychiater’ in het algemeen en dat uit andere verwijsbrieven blijkt dat de betreffende asielzoekers uitdrukkelijk hebben gevraagd om een verwijzing naar [eiser], althans dat zij al bij [eiser] in behandeling waren. Dat een medewerker van zorgverzekeraar Menzis [eiser] telefonisch zou hebben medegedeeld dat een overeenkomst met Menzis zou volstaan om voor vergoeding van geestelijke gezondheidszorg aan asielzoekers in aanmerking te komen, is eveneens gemotiveerd weersproken, zodat – nu een kort geding zich niet leent voor nadere bewijslevering – van de juistheid daarvan niet kan worden uitgegaan.

4.16. [eiser] heeft nog aangevoerd dat zijn praktijk bij beschikking van 12 januari 2012 is aangewezen als instelling voor medisch specialistische zorg, zodat volgens hem het argument dat MCA alleen contracteert met instellingen en niet met zelfstandig gevestigde, in dit geval, psychiaters niet meer opgaat. Overwogen wordt dat MCA ter zitting heeft toegelicht dat zij vanwege overleg met zorgaanbieders over uiteenlopende aspecten van de zorgverlening, waaronder kwaliteit, kiest voor een organisatorisch verband waarbinnen meerdere beroepsbeoefenaren werkzaam zijn. Nu MCA reeds een zorgovereenkomst had gesloten met Arkin (fusie van AMC De Meren en JellinkMentrum), een van de grootste geestelijke gezondheidszorginstellingen in Nederland met 50 vestigen in Amsterdam, is daarmee in de regio Amsterdam, waar [eiser] zijn praktijk heeft, – mede gelet op de (verwachte) daling van het aantal asielzoekers – reeds voldoende zorg voorhanden voor asielzoekers. In dat verband is nog van belang dat MCA (zoals ook het geval was bij VGZ) overeenkomsten met 37 geestelijke gezondheidszorg-instellingen en daarmee ongeveer 20% van het totaal aantal geestelijke gezondheidszorginstellingen heeft gesloten. Met 80% van de instellingen heeft MCA dus geen overeenkomst. Onweersproken is gebleven dat vanwege een daling van het aantal asielzoekers (die ook voor de toekomst wordt verwacht) een mogelijke vermindering van het aantal gecontracteerde zorginstellingen in de lijn der verwachtingen ligt.

4.17. Verder acht de voorzieningenrechter nog van belang dat het voortbestaan van de praktijk van [eiser] niet in het geding is. [eiser] heeft ter zitting verklaard dat 10 tot 20% van het totaal aantal patiënten in zijn praktijk asielzoeker is, zodat hij slechts voor dat percentage afhankelijk is van een (te sluiten) overeenkomst met MCA. [eiser] verleent dus reeds voor het grootste gedeelte geestelijke gezondheidszorg aan ingezetenen, niet zijnde asielzoekers, en kan daar mee doorgaan (ook als MCA geen zorgovereenkomst met hem sluit) zonder dat dat tot een aanmerkelijk omzetverlies bij [eiser] zal leiden. De voorzieningenrechter acht het zeer wel begrijpelijk dat [eiser] zorg wil verlenen aan asielzoekers en de voorzieningenrechter acht zeer aannemelijk dat in voorkomende gevallen de beheersing van het Farsi grote voordelen heeft voor de kwaliteit van de zorgverlening. De aangevoerde grondslagen kunnen evenwel niet tot toewijzing van de vordering (en dus tot een verplichting tot het sluiten van een overeenkomst met [eiser]) leiden. Dit laat onverlet dat [eiser] kan proberen om gedeeltelijk samen met en onder de vlag van Arkin te gaan werken, zodat hij alsnog geestelijke gezondheidszorg kan verlenen aan asielzoekers.

4.18. De vorderingen van [eiser] zullen dus worden afgewezen, waarbij [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten zal worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van MCA worden begroot op:

- griffierecht € 575,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.391,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van MCA tot op heden begroot op € 1.391,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. B.J.M. Vermulst op 27 februari 2012.