Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BV8519

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-03-2012
Datum publicatie
12-03-2012
Zaaknummer
05/800916-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer spreekt een 34-jarige militair vrij van poging doodslag dan wel poging toebrenging zware mishandeling.

De militaire kamer veroordeelt de militair voor mishandeling tot een geldboete ten bedrage van € 550,- subsidiair 11 dagen hechtenis met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft door gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Promis II

Parketnummer : 05/800916-11

Datum zitting : 27 februari 2012

Datum uitspraak : 12 maart 2012

TEGENSPRAAK

Vonnis van de militaire kamer in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats]

adres : [adres],

plaats : [woonplaats]

raadsman : mr. M.P.K. Ruperti, advocaat te Amersfoort.

Officier van justitie : mr. S.Z. Wiarda.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 12 november 2011 te Rheden, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk P.C. [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk met een (hak)bijl, althans met een zwaar en/of scherp voorwerp, in de richting van het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 12 november 2011, te Rheden, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan P.C. [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk met een (hak) bijl, althans met een zwaar en/of scherp voorwerp, in de richting van het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; meer subsidiair

hij op of omstreeks 12 november 2011, te Rheden, opzettelijk een persoon (te weten P.C. [slachtoffer]), heeft mishandeld door toen aldaar met een (hak)bijl op die [slachtoffer] af te gaan/lopen en/of met die bijl een of meer (slaande) bewegingen in de richting van die [slachtoffer] te maken en/of die [slachtoffer] (met kracht) vast te pakken en/of te krabben en/althans met die [slachtoffer] in gevecht is geraakt waardoor/waarbij voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden; meest subsidiair

hij op of omstreeks 12 november 2011, te Rheden, P.C. [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, door toen aldaar opzettelijk dreigend met een (hak)bijl op die [slachtoffer] af te gaan en/of die (hak)bijl op voor die [slachtoffer] duidelijk zichtbare wijze vast te houden en/of die (hak)bijl opgeheven te houden en/of met die (hak)bijl een slaande beweging te maken in de richting van die [slachtoffer];

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 27 februari 2012 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. M.P.K. Ruperti, advocaat te Amersfoort.

De officier van justitie, mr. S.Z. Wiarda, heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de onder verdachte in beslag genomen hakbijl verbeurd wordt verklaard en dat de onder verdachte in beslag genomen 3 dolken en 1 kruisboog zullen worden teruggegeven aan de verdachte.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3a. De beslis¬sing inzake het bewijs

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op zaterdagavond 12 november 2011, is [slachtoffer] (verder te noemen: aangever) op bezoek in de gezamenlijke woning van [getuige] (verder te noemen: getuige [getuige]) en verdachte, gelegen aan de [adres] te Rheden. Verdachte komt omstreeks 22:40 uur de woning via de keuken binnen. Verdachte heeft een hakbijl in zijn handen. Aangever legt een nekklem bij verdachte aan waarna er een worsteling tussen aangever en verdachte ontstaat . Hierbij heeft verdachte aangever gekrabd en aan zijn neus getrokken. Aangever heeft hierdoor krabverwondingen in zijn gezicht en blauwe plekken op zijn lichaam opgelopen. Aangever heeft hiervan pijn en letsel ondervonden.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Verdachte is de woning binnen komen stormen met een hakbijl in zijn handen. Hij is op aangever afgelopen en heeft een zwaaiende beweging met de hakbijl gemaakt. Niet duidelijk is of aangever daarbij, gezien de zwaairichting, in beginsel dodelijke verwondingen had kunnen oplopen. Op basis van hetgeen hiervoor is gesteld is de officier van justitie van mening dat het subsidiair ten laste gelegde feit wel wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot toebrenging zwaar lichamelijk letsel omdat aangever wel zeer ernstig gewond had kunnen raken.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte met een bijl heeft gezwaaid.

Uit de bewijsmiddelen kan derhalve niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte de opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke vorm, om aangever te doden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Verdachte dient derhalve vrijgesproken te worden van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman van verdachte aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte aangever met kracht vastpakte en met hem in gevecht is geraakt. Aangever is zelf “ingestapt” en heeft verdachte in een nekklem genomen. Verdachte probeerde zich enkel van deze onprofessionele nekklem te ontdoen. Hieruit kan niet blijken dat verdachte de opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke vorm, om aangever pijn of letsel toe te brengen. Verdachte dient ook ten aanzien van dit feit te worden vrijgesproken.

Ook voor het meest subsidiair ten laste gelegde feit is de raadsman van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht, nu niet bewezen kan worden dat verdachte dreigend met de bijl op aangever is afgegaan en daarmee slaande bewegingen heeft gemaakt.

De beoordeling door de rechtbank

Rond 22:50 op zaterdag 12 november 2011, uur kwam bij de meldkamer een melding binnen van aangever dat hij zou zijn aangevallen met een bijl. De politie is daarop met meerdere eenheden ter plaatse gaan kijken. In het eerste contact met de politie heeft aangever tegenover de verbalisanten verklaard dat verdachte met een bijl de woning van [getuige] is binnen gekomen en dat verdachte direct op hem af stormde met de bijl in zijn handen. Hij had gezien dat verdachte de bijl aanhaalde om in zijn richting te slaan. Tegenover de verbalisanten heeft aangever verklaard dat verdachte hem geprobeerd heeft te slaan met een bijl. Ook tegenover de opperwachtmeester van de Koninklijke Marechaussee heeft aangever verklaard dat verdachte hem geprobeerd heeft te slaan met een bijl.

Bij de aangifte en bij het tweede aanvullende verhoor heeft aangever verklaard dat verdachte een zwaaiende beweging met de bijl in de richting van aangever heeft gemaakt.

Op het moment dat verdachte de zwaaiende beweging inzette is aangever de confrontatie aangegaan met verdachte door op hem in te stappen. Aangever vermoedt dat hij door de steel van de hakbijl op zijn been werd geraakt. Daarna heeft aangever een nekklem bij verdachte aangelegd en is er een worsteling ontstaan tussen aangever en verdachte. De bijl is op enig moment op de grond terecht gekomen.

Getuige [getuige] heeft tegen over de verbalisanten in het eerste contact verklaard dat verdachte een bijl bij zich had toen hij de woning binnen kwam en dat hij daarmee getracht had aangever iets aan te doen. Tegenover de verbalisanten heeft zij verklaard dat ze heeft gezien dat verdachte een bijl in zijn handen maar dat zij niet meer precies weet wat er is gebeurd want het ging allemaal erg snel. Tegenover de opperwachtmeester van de Koninklijke Marechaussee heeft getuige [getuige] niets verklaard over wat verdachte met de bijl in de richting van aangever heeft gedaan.

In het eerste verhoor bij de politie verklaart getuige [getuige] dat ze niet weet hoe het allemaal is gegaan met de bijl. De bel ging en ze heeft de voordeur geopend voor de buurvrouw.

In het tweede verhoor, op 21 november 2011, verklaart getuige [getuige] dat verdachte aangever aanviel met een bijl en dat hij een slaande beweging maakte op onderbeenhoogte in de richting van [slachtoffer].

Conclusie

De militaire kamer is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte met een bijl in zijn handen de gezamenlijke woning gelegen aan de [adres] te Rheden is binnengekomen.

Uit de eerste drie verklaringen van getuige [getuige], welke kort na het incident op 12 november 2011 zijn afgelegd, blijkt niet dat zij heeft gezien wat er precies gebeurd is met betrekking tot de bijl. Pas in de vierde verklaring, het tweede verhoor bij de Kmar ruim een week na het incident, verklaart zij gezien te hebben dat verdachte met een bijl een slaande beweging richting aangever maakte. De militaire kamer sluit niet uit dat getuige [getuige] na het incident met aangever heeft gesproken waardoor mogelijk haar waarnemingen zijn beïnvloed. Dit verklaart wellicht de wending in haar verklaring Gelet hierop kan de militaire kamer niet met een voldoende mate van zekerheid vaststellen welke handelingen precies zijn verricht met de bijl en gaat de militiare kamer uit van de eerste verklaringen die getuige [getuige] vlak na het incident ten overstaan de ter plaatse gekomen verbalisanten heeft afgelegd.

Nu aangever als enige verklaart over het zwaaien met de bijl in de richting van aangever en steunbewijs ontbreekt, is er sprake van onvoldoende wettig bewijs op dit onderdeel.

De militaire kamer is gelet op het hiervoor overwogene van oordeel dat uit de bewijsmiddelen

niet blijkt dat het handelen van verdachte met betrekking tot de bijl, van dien aard is geweest dat er sprake is geweest van een begin van uitvoering van doodslag dan wel tot een begin van uitvoering van zware mishandeling.

De militaire kamer zal verdachte daarom vrijspreken van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde overweegt de militaire kamer het volgende.

Gelet op het vorenstaande acht de militaire niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de mishandeling heeft gepleegd met de bijl. Verdachte is met een bijl in zijn hand de woning binnengekomen. Aangever is daarop de confrontatie aangegaan met verdachte en is “ingestapt”. Tijdens de worsteling is de bijl op de grond terecht gekomen. De militaire kamer zal verdachte ten aanzien van dat deel van de tenlastelegging vrijspreken.

Verdachte en aangever zijn in een worsteling geraakt waarbij verdachte aangever in zijn gezicht heeft gekrabd om uit de nekklem te kunnen komen.

De verdediging heeft aangevoerd dat aangever zelf op verdachte is afgestapt en hem in een nekklem heeft gelegd.

Naar het oordeel van de militaire kamer is dit een verklaarbare reactie geweest van aangever op het feit dat verdachte onverwacht de woning binnen is gekomen met een bijl in zijn handen.

Mede gelet hierop is de militaire kamer van oordeel dat de door aangever aangelegde, onprofessionele nekklem, zoals verdachte het ter terechtzitting noemt, geheel te wijten is aan de ongebruikelijke wijze waarop verdachte de woning binnen is gekomen. Voor zover het door de raadsman aangevoerde moet worden verstaan als een beroep op noodweer, verwerpt de militaire kamer op voorgaande gronden dat verweer.

De militaire kamer acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever opzettelijk heeft mishandeld, waarbij pijn en letsel is ontstaan.

3b. De bewezenverklaring

De militaire kamer acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte primair en subsidiair is tenlastege¬legd en zal verdachte daarvan vrijspreken.

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1. meer subsidiair

hij op 12 november 2011, te Rheden, opzettelijk een persoon (te weten P.C. [slachtoffer]), heeft mishandeld door toen aldaar die [slachtoffer] (met kracht) vast te pakken en te krabben en met die [slachtoffer] in gevecht is geraakt waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Meer subsidiair

Mishandeling

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de militaire kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 15 november 2011; en

• een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, d.d. 24 januari 2012, betreffende verdachte;

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Door de officier van justitie is voor de afdoening van dit feit een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijke geëist.

De officier van justitie is tot deze eis gekomen gelet op de ernst van het feit en de vrees die bestaat dat verdachte na een veroordeling wraak zal gaan nemen op aangever. Een deels voorwaardelijke gevangenisstraf is daarom passend.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de militaire kamer rekening te houden met alle feiten en omstandigheden die tot de gebeurtenissen op 12 november 2011 hebben geleid. De strafzaak heeft veel negatieve gevolgen voor verdachte gehad.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van aangever. Verdachte is de woning binnengekomen met een hakbijl in zijn handen. Dit kwam zeer bedreigend over op aangever en hij heeft verdachte daarop in een nekklem gekomen. Verdachte en aangever zijn toen in een worsteling geraakt waarbij aangever letsel en pijn heeft ondervonden.

Uit de justitiële documentatie is niet gebleken dat verdachte in het verleden eerder veroordeeld is voor soortgelijke feiten. Verdachte is thans, vanwege deze strafzaak, geschorst van de uitoefening van zijn functie als survivalspecialist bij Defensie.

Nu de militaire kamer tot een andere bewezenverklaring is gekomen dan de officier van justitie, te weten mishandeling zonder het gebruik van de hakbijl, is de militaire kamer van oordeel dat oplegging van een geldboete van € 550,- een passende straf is.

De militaire kamer is van oordeel dat de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten 11 dagen, verdisconteerd moet worden met de hoogte van de aan verdachte op te leggen geldboete. De militaire kamer rekent voor elke dag doorgebracht in voorlopige hechtenis een geldbedrag van € 50,-.

De militaire kamer komt daarmee tot een geldboete ten bedrage van € 550,- subsidiair 11 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 lid 3 Wetboek van Strafrecht.

6a. Beslag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de hakbijl dient te worden verbeurdverklaard en dat de drie dolken en de kruisboog teruggegeven kunnen worden aan verdachte.

Beoordeling van de standpunten en conclusie

De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen en nog niet teruggegeven goederen, te weten, 1 hakbijl, 3 dolken en 1 kruisboog toebehoren aan de verdachte en aan verdachte zullen moeten worden teruggegeven. Niet is komen vast te staan dat verdachte het door hem gepleegde feit met behulp van de in beslag genomen hakbijl heeft gepleegd. Voorts is niet gebleken dat verdachte de in beslag genomen kruisboog en dolken niet voorhanden mocht hebben.

6b. Voorlopige hechtenis

Gelet op de op te leggen strafsoort en -maat zal de rechtbank het inmiddels geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte opheffen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 27 en 300 van het Wetboek van Straf¬recht.

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten lastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een betaling van een geldboete van € 550,- (vijfhonderdenvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door de duur van 11 dagen hechtenis.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 lid 3 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt deze aftrek op € 50,- voor iedere dag in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Beveelt de teruggave van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten - 1 hakbijl,

- 3 dolken,

- 1 kruisboog,

aan de veroordeelde.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Aldus gewezen door:

mr. F.J.H. Hovens, voorzitter,

mr. J.M.J.M. Doon rechter,

kapitein ter zee van administratie mr. F.N.J. Jansen militair lid,

in tegenwoordigheid van L.J.M. Visser, griffier.

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 maart 2012.