Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BV8499

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-02-2012
Datum publicatie
12-03-2012
Zaaknummer
201533
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde is niet geslaagd in het bewijs dat de facturen met het saldo van de lening mochten worden verrekend, en evenmin in het bewijs dat de door hem aan de klachtprocedure bestede uren aan eiser sub 1 in rekening mochten worden gebracht en dat het daarmee gemoeide bedrag met het saldo van de rekening mocht worden verrekend. De door eisers gevorderde hoofdsom is dus toewijsbaar. Zaak naar de rol voor uitlating voor reactie op producties en over toepasselijk recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 201533 / HA ZA 10-1125

Vonnis van 22 februari 2012

in de zaak van

[eiser],

2. de rechtspersoon naar Duits recht

STADTSPARKASSE EMMERICH-REES,

gevestigd en kantoorhoudende te Emmerich (Duitsland),

eisers,

advocaat mr. H. Grootjans te Doetinchem,

tegen

[gedaagde]

gedaagde,

advocaat mr. C.G.Th. van Ouwerkerk te Zaltbommel.

Partijen zullen hierna [eiser sub 1], Stadtsparkasse en [gedaagde] genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 mei 2011

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 20 oktober 2011

- de conclusies na getuigenverhoor van partijen.

Daarna is vonnis bepaald.

De (verdere) beoordeling van het geschil

1. In het laatste tussenvonnis is [gedaagde] opgedragen te bewijzen dat hij met [eiser sub 1] heeft afgesproken:

a. dat de in rechtsoverweging 7 van dat vonnis bedoelde facturen wegens door [gedaagde] aan Card Connection Benelux B.V. verleende diensten met het saldo van de lening mochten worden verrekend, en

b. dat de door [gedaagde] bestede uren aan de in rechtsoverweging 10 van dat vonnis bedoelde klachtprocedure deels door hem aan [eiser sub 1] in rekening mochten worden gebracht en dat het daarmee gemoeide bedrag met het saldo van de lening mocht worden verrekend.

2. [gedaagde] heeft in de enquête A.B.M. [getuige], ondernemer, als getuige doen horen. In de contra-enquête hebben [eiser sub 1] en de Stadtsparkasse afgezien van het horen van getuigen.

3. De getuige [getuige] heeft over de bewijsopdracht onder 1.a, voor zover van belang, het volgende verklaard:

“(…)

[eiser sub 1] kende ik al een jaar of 20 à 25. Rond 2000 zat hij in een faillissement. Hij had destijds met familie een accountantskantoor. Hij kwam op straat te staan en wilde met zijn activiteiten toch wel verder gaan. Seracom is een handelsnaam van Tosma B.V. Onder de naam Seracom is [eiser sub 1] destijds samen met ene [betrokkene], van wie ik de achternaam niet meer weet, verder gegaan met zijn activiteiten. Ik heb hem financieel ondersteund. Tosma B.V. was van mij.

Card Connection Benelux is een franchisegever in de Benelux op het gebied van wenskaarten (…). Van Card Connection Benelux ben ik aandeelhouder, al sinds het opstarten omstreeks 2000.

(…)

Ik weet van de werkzaamheden van [gedaagde] ten behoeve van Card Connection Benelux. De aanloop daar naartoe was als volgt. In 2000/2001 had [eiser sub 1] een nogal innige relatie met [gedaagde]. [gedaagde] hield daarvoor zelfs kantoor in het pand van [eiser sub 1] (…).

Destijds had ik wat problemen met franchisenemers. [eiser sub 1] heeft toen tegen mij gezegd: dat kan [gedaagde] voor jou doen, dan regel ik het wel weer met hem. Het ging met name om een arbitragezaak over contracten van franchisenemers. In dat verband hebben [gedaagde] en [....] werkzaamheden gerealiseerd, waarvan [eiser sub 1] liet doorschemeren dat hij de betaling jegens [gedaagde] zou regelen.

(…)

Zojuist zei ik dat [eiser sub 1] liet doorschemeren dat hij de betalingen aan [gedaagde] voor die werkzaamheden zou regelen. Dat is zacht gezegd. Het kwam er op neer dat [eiser sub 1] een vordering had op [gedaagde] van € 50.000,00 à € 60.000,00 of zoiets. Omdat ik, zoals ik al zei, [eiser sub 1] financieel had geholpen was hij € 30.000,00 à € 40.000,00 schuldig aan mij. Vanuit deze invalshoek is de betaling aan [gedaagde] gebeurd: het zou worden verrekend (…)”.

(Op vragen van mr. Zeewuster):

“Card Connection Benelux heeft kantoor gehouden aan de [adres] te [woonplaats] tot 1 juli 2008. Seracom heeft aan hetzelfde adres kantoor gehouden, naar ik meen vanaf 2003 (…)”

(Op vragen van mr. Grootjans):

“Ik ben enig aandeelhouder van Tosma. Card Connection Benelux kent meer aandeelhouders (…). Tussen Tosma en Card Connection Benelux staat geen band via een beheersconstructie. [eiser sub 1] had geen belang in deze beide BV’s. Seracom is een handelsnaam van Tosma. Onder de naam Seracom verrichtte [eiser sub 1] financieel administratieve diensten. [eiser sub 1] was als directeur in dienst bij Seracom en heeft daarvoor salaris gehad. Binnen Seracom had [eiser sub 1] een schuld van € 40.000,-- (…)”.’

4. Eerder in de procedure, tijdens de comparitie, heeft [gedaagde] verklaard dat destijds met [eiser sub 1] is afgesproken dat de facturen voor Card Connection Benelux met het saldo van de lening mochten worden verrekend en dat “achter de schermen (….) dan de verrekening gebeurde tussen [eiser sub 1] en [getuige]”. De verklaring van [gedaagde] wordt in zoverre ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige]. Hun verklaringen lopen echter uiteen waar het betreft de reden of het belang dat [eiser sub 1] had bij het maken van deze nadere afspraak. [gedaagde] heeft daarover verklaard dat [eiser sub 1] een zakelijk belang had in Card Connection Benelux, dat hij zaken voor deze vennootschap behartigde en dat hij Card Connection Benelux ook vertegenwoordigde “in kwesties”.

[getuige] heeft daartegenover echter verklaard dat [eiser sub 1] geen belang had in Card Connection Benelux en dat hij ook nooit salaris of een omzetgerelateerde beloning van Card Connection Benelux heeft gehad. Volgens [getuige] vloeide de nadere verrekeningsafspraak voort uit de omstandigheid dat hij een vordering had op [eiser sub 1], en [eiser sub 1] op zijn beurt een vordering had op [gedaagde], zoals dat hiervoor onder 3 is weergegeven. Uit de verklaring van [getuige] valt ook niet af te leiden dat [eiser sub 1] Connection Card Benelux vertegenwoordigde en/of zaken voor deze vennootschap behartigde.

5. De enkele verklaring van [getuige] is, bezien in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, onvoldoende om de verklaring van [gedaagde] te ondersteunen. In de visie dat [eiser sub 1] geen enkel (zakelijk) belang had in Card Connection Benelux, zoals [getuige] heeft verklaard en wat strookt met de verklaring van [eiser sub 1] op dat punt tijdens de comparitie, valt immers niet in te zien waarom [eiser sub 1] bedragen die Card Connection Benelux verschuldigd was aan [gedaagde] in mindering zou brengen op een schuld die [gedaagde] aan hem had. De enkele omstandigheid dat Card Connection Benelux en het bedrijf van [eiser sub 1], Seracom, op hetzelfde adres waren gevestigd, is onvoldoende voor een ander oordeel. Een reden voor het maken van de nadere afspraak zou mogelijk kunnen worden gevonden in de omstandigheid dat [eiser sub 1] een schuld had aan [getuige], maar de enkele verklaring van laatstgenoemde dat dat zo is, en meer is er niet, is onvoldoende om te kunnen aannemen dat die afspraak is gemaakt. [gedaagde] heeft ook geen ander bewijs bijgebracht ter staving daarvan. Daarbij is nog van belang dat er, zo volgt uit de hiervoor geciteerde verklaring van [getuige], ook geen zakelijke band bestond tussen Card Connection Benelux en het bedrijf van [eiser sub 1], Seracom. Tussen Tosma B.V., de eigenaar van de handelsnaam Seracom, en Card Connection Benelux bestond immers geen band, terwijl [eiser sub 1] volgens de verklaring van [getuige] ook geen belang had in Tosma.

Tegenover de verklaring van [getuige] en [gedaagde] dat een nadere afspraak is gemaakt, staat dat zulks niet blijkt uit de tussen [gedaagde] en [eiser sub 1] gesloten overeenkomst, als bedoeld onder 1.1. van het laatste tussenvonnis en dat [eiser sub 1], die tijdens de procedure is overleden, tijdens de comparitie heeft betwist dat die afspraak is gemaakt.

De conclusie is al met al dat [gedaagde] niet is geslaagd in het hem opgedragen bewijs sub 1.a. Dat betekent dat het bedrag van de facturen dat betrekking heeft op de door [gedaagde] ten behoeve van Card Connection Benelux verrichte juridische werkzaamheden ad € 10.520,73, niet met het saldo van de lening mag worden verrekend.

6. Over de bewijsopdracht onder 1.b heeft de getuige [getuige] niets kunnen verklaren. Ook hier geldt dat [gedaagde] overigens geen bewijs ter zake heeft bijgebracht. Aangenomen moet worden dat [gedaagde] de door hem bestede uren aan de in rechtsoverweging 10 van het laatste tussenvonnis bedoelde klachtprocedure niet aan [eiser sub 1] in rekening mocht brengen en dus ook niet met het saldo van de lening mocht verrekenen. [eiser sub 1]/de Stadtsparkasse hebben dan ook terecht het deel van de factuur met nummer 20040729, dat blijkens de specificatie daarvan betrekking heeft op de hiervoor bedoelde werkzaamheden (te weten 15,7 uren à € 170,-- per uur te vermeerderen met 6% kantoorkosten en omzetbelasting, uitkomend op € 3.366,68), niet op het saldo van de lening in mindering gebracht, maar slechts het resterende deel dat, zoals [eiser sub 1]/de Stadtsparkasse juist hebben berekend, uitkomt op (€ 6.135,51 - € 3.366,68 =) € 2.768,83.

7. Aan [gedaagde] was, gelet op zijn verweer dat de factuur van 31 december 2003 ad € 482,97 ten onrechte niet door [eiser sub 1]/de Stadtsparkasse bij de berekening van hun vordering was betrokken, bij genoemd tussenvonnis ook de gelegenheid gegeven deze factuur nader te specificeren en toe te lichten. [gedaagde] heeft dat nagelaten. Daarom zal deze factuur als onvoldoende toegelicht niet met het saldo van de lening worden verrekend.

8. De slotsom is dat de door [eiser sub 1]/de Stadtsparkasse gevorderde hoofdsom met de onweersproken contractuele rente die is berekend tot 1 januari 2010 (in totaal € 37.480,69) toewijsbaar is. De daarover gevorderde contractuele rente vanaf 1 januari 2010 kan eveneens als onweersproken worden toegewezen.

9. De vraag is vervolgens aan wie van de eisers deze vordering toebehoort. In verband daarmee is in het laatste tussenvonnis aan [eiser sub 1]/de Stadtsparkasse verzocht in het geding te brengen het stuk waaruit de door hen gestelde “Abtretung” van de onderhavige vordering aan de Stadtsparkasse blijkt. Ter voldoening daaraan hebben zij als productie VIII in het geding gebracht een brief van de Stadtsparkasse aan [gedaagde] d.d. 23 juli 2009. Deze brief hadden zij al eerder, als productie VI bij de dagvaarding, in het geding gebracht, maar zonder de in die brief genoemde bijlagen. Die bijlagen zijn thans wel bijgevoegd. Het gaat om een “Anzeige einer Forderungsabtretung”, een “Abtretungsanzeige” en een Forderungsabtretung”, alles gedateerd op 14 december 2001. Daaruit blijkt volgens [eiser sub 1]/de Stadtsparkasse dat [eiser sub 1] zijn vordering op [gedaagde] heeft overgedragen aan de Stadtsparkasse en dat [gedaagde] daarvan in ieder geval sedert juli 2009 op de hoogte was.

Omdat [eiser sub 1]/de Stadtsparkasse de bijlagen bij deze productie pas bij hun laatste conclusie in het geding hebben gebracht, heeft [gedaagde] nog niet de gelegenheid gehad daarop te reageren. Hij zal dat alsnog bij akte mogen doen.

10. In het laatste tussenvonnis was ten slotte aan [eiser sub 1]/de Stadtsparkasse verzocht zich erover uit te laten welk recht van toepassing is op de verhouding tussen de diverse partijen. Zij hebben zich daarover echter niet uitgelaten. [eiser sub 1]/de Stadtsparkasse, en ook [gedaagde], zullen dat alsnog bij akte kunnen doen.

11. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

De rechtbank

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 21 maart 2012 voor het nemen van een akte door [gedaagde] over hetgeen is vermeld onder de rechtsoverweging 9 en 10, en voor het tegelijkertijd nemen van een akte aan de zijde van [eiser sub 1]/de Stadtsparkasse over hetgeen is vermeld onder rechtsoverweging 10,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S.T. Belt en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2012.

Coll.: ED