Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BV8262

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
09-03-2012
Datum publicatie
09-03-2012
Zaaknummer
05/702076
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling van een 20 jarige man uit Nijmegen tot een gevangenisstraf van 48 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, behandeling van een gokverslaving. Veroordeelde heeft een 4 tal overvallen gepleegd op 3 winkels en 1 tankstation in een tijdsbestek van 3 dagen. Hij bedreigde het personeel met een nep vuurwapen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/702076-11

Datum zitting : 24 februari 2012

Datum uitspraak : 9 maart 2012

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats],

thans gedetineerd in PI Arnhem - De Berg, Arnhem Noord, Wilhelminastraat 16

Arnhem.

Raadsvrouw : mr M.M.J.P Michiels, advocaat te Wijchen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 19 november 2011 te Nijmegen, in supermarkt Coöp aan de [adres] aldaar, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door

geweld en/of bedreiging met geweld J. [slachtoffer1] (medewerkster bij de kassa in die supermarkt) heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer 900,- euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Coöp (filiaal [adres]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte een pistool, althans een op een (echt) vuurwapen gelijkend voorwerp, op die J. [slachtoffer1] heeft gericht (gehouden) en deze vervolgens (dreigend) heeft toegevoegd: "Stop het geld in de tas. Opschieten.".

2.

hij op of omstreeks 17 november 2011 te Nijmegen, in een winkel (Primera) aan de [adres] aldaar, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld R.G.J. [slachtoffer2] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde R.G.J. [slachtoffer2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, met voormeld oogmerk in die winkel een pistool, althans een op een (echt)

vuurwapen gelijkend voorwerp, op die R.G.J. [slachtoffer2] heeft gericht (gehouden) en deze vervolgens (dreigend) heeft toegevoegd: "Geld, geld, geld.", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.

hij op of omstreeks 17 november 2011 te Nijmegen, in de shop van tankstation Esso aan de [adres] aldaar, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld W.H.G.M.M. [slachtoffer3] heeft gedwongen tot de afgifte van sigaretten, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Esso [naam], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte een pistool, althans een op een (echt) vuurwapen

gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer3] voornoemd heeft gericht (gehouden) en deze vervolgens luid (dreigend) heeft toegevoegd: "Geld, ik wil geld." en/of "Doe dan maar twee pakjes Marlboro.".

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 17 november 2011 te Nijmegen, in de shop van tankstation Esso aan de [adres] aldaar, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld W.H.G.M.M. [slachtoffer3] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan Esso [naam], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

met voormeld oogmerk in die shop een pistool, althans een op een (echt) vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer3] heeft gericht (gehouden) en deze vervolgens luid (dreigend) heeft toegevoegd: "Geld, ik wil geld.", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4.

hij op of omstreeks 17 november 2011 te Nijmegen in supermarkt Coöp aan de [adres] aldaar, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door

geweld en/of bedreiging met geweld R. [slachtoffer4] en/of L.M. [slachtoffer5] (medewerksters in die supermarkt) heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer 1010,- euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan supermarkt Coöp (filiaal [adres]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte een pistool, althans een op een (echt) vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer4] en/of [slachtoffer5] voornoemd heeft gericht (gehouden) en deze vervolgens (dreigend) heeft toegevoegd: "Ik wil al het geld.".

5.

hij op of omstreeks 17 november 2011 te Nijmegen, in supermarkt Coöp aan de [adres] aldaar, P. [slachtoffer6] en/of L.M. [slachtoffer5] (medewerksters in die supermarkt) heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk dreigend een pistool, althans een op een (echt) vuurwapen gelijkend voorwerp, op die P. [slachtoffer6] en/of L.M. [slachtoffer5] voornoemd heeft gericht (gehouden) en daarbij deze [slachtoffer6] en/of [slachtoffer5] dreigend heeft toegevoegd de woorden: "Maak de deur open.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 24 februari 2012 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. M.M.J.P Michiels, advocaat te Wijchen.

Als benadeelde partijen hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd:

- J. [slachtoffer1];

- L.M. [slachtoffer5];

- R.W. [naam] en

- P. [slachtoffer6].

-

De officier van justitie mr. A. Reah, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Ten aanzien van feit 1:

De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt, voor dit feit, volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

? het in de wettelijke vorm door een verbalisant van de politie Gelderland-Zuid, SGBO Overvallen & Berovingen, opgemaakte proces-verbaal met registratienummer 2011 119701, gesloten op 02 januari 2012, voor zover inhoudende het proces-verbaal van aangifte, inhoudende de verklaring van de aangeefster J. [slachtoffer1], mede namens Coöp, [adres] Nijmegen, d.d. 19 november 2011 (pag. 106 e.v.), en

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 24 februari 2012.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 19 november 2011 te Nijmegen, in supermarkt Coöp aan de [adres] aldaar, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld J. [slachtoffer1] (medewerkster bij de kassa in die supermarkt) heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (881,- euro), toebehorende aan Coöp (filiaal [adres]), welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte een op een echt vuurwapen gelijkend voorwerp, op die J. [slachtoffer1] heeft gericht gehouden en deze vervolgens dreigend heeft toegevoegd: "Stop het geld in de tas. Opschieten.".

Ten aanzien van feit 2:

De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt, voor dit feit, volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

? het in de wettelijke vorm door een verbalisant van de politie Gelderland-Zuid, SGBO Overvallen & Berovingen, opgemaakte proces-verbaal met registratienummer 2011 119701, gesloten op 02 januari 2012, voor zover inhoudende het proces-verbaal van aangifte, inhoudende de verklaring van de aangever R.G.J. [slachtoffer2], d.d. 17 november 2011 (pag. 19 e.v.), en

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 24 februari 2012.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 17 november 2011 te Nijmegen, in een winkel (Primera) aan de [adres] aldaar,ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld R.G.J. [slachtoffer2] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, toebehorende aan voornoemde R.G.J. [slachtoffer2], met voormeld oogmerk in die winkel een op een echt vuurwapen gelijkend voorwerp, op die R.G.J. [slachtoffer2] heeft gericht gehouden en deze vervolgens dreigend heeft toegevoegd: "Geld, geld, geld.", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Ten aanzien van feit 3 primair:

De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt, voor dit feit, volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

? het in de wettelijke vorm door een verbalisant van de politie Gelderland-Zuid, SGBO Overvallen & Berovingen, opgemaakte proces-verbaal met registratienummer 2011 119701, gesloten op 02 januari 2012, voor zover inhoudende:het proces-verbaal van aangifte, inhoudende de verklaring van de aangever W.H.G.M.M. [slachtoffer3], mede namens Esso [naam], [adres] Nijmegen, d.d. 18 november 2011 (pag. 29 e.v.), en

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 24 februari 2012.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 17 november 2011 te Nijmegen, in de shop van tankstation Esso aan de [adres] aldaar, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld W.H.G.M.M. [slachtoffer3] heeft gedwongen tot de afgifte van sigaretten, toebehorende aan Esso [naam], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte een op een (echt) vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer3] voornoemd heeft gericht gehouden en deze vervolgens luid dreigend heeft toegevoegd: "Geld, ik wil geld." en "Doe dan maar twee pakjes Marlboro.".

Ten aanzien van feit 4:

De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt, voor dit feit, volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

? het in de wettelijke vorm door een verbalisant van de politie Gelderland-Zuid, SGBO Overvallen & Berovingen, opgemaakte proces-verbaal met registratienummer 2011 119701, gesloten op 02 januari 2012, onder meer inhoudende:

- het proces-verbaal van aangifte, inhoudende de verklaring van de aangeefster R. [slachtoffer4], mede namens Coöp, [adres] Nijmegen, d.d. 17 november 2011

(pag. 58 e.v.),

- het proces-verbaal van verhoor getuige, inhoudende de verklaring van L.M. [slachtoffer5]

d.d. 25 november 2011 (pag. 74 e.v.), en

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 24 februari 2012.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 17 november 2011 te Nijmegen in supermarkt Coöp aan de [adres] aldaar, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld R. [slachtoffer4] en L.M. [slachtoffer5] (medewerksters in die supermarkt) heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer 1010,- euro), toebehorende aan supermarkt Coöp (filiaal [adres]), welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte een op een echt vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer4] en [slachtoffer5] voornoemd heeft gericht gehouden en deze vervolgens dreigend heeft toegevoegd: "Ik wil al het geld.".

Ten aanzien van feit 5:

De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt, voor dit feit, volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

? het in de wettelijke vorm door een verbalisant van de politie Gelderland-Zuid, SGBO Overvallen & Berovingen, opgemaakte proces-verbaal met registratienummer 2011 119701, gesloten op 02 januari 2012, onder meer inhoudende:

- het proces-verbaal van aangifte, inhoudende de verklaring van de aangeefster P.

[slachtoffer6], d.d. 17 november 2011 (pag. 67 e.v.),

- het proces-verbaal van verhoor getuige, inhoudende de verklaring van L.M. [slachtoffer5]

d.d. 25 november 2011 (pag. 74 e.v.), en

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 24 februari 2012.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 17 november 2011 te Nijmegen, in supermarkt Coöp aan de [adres] aldaar, P. [slachtoffer6] en L.M. [slachtoffer5] (medewerksters in die supermarkt) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk dreigend een op een echt vuurwapen gelijkend voorwerp, op die P. [slachtoffer6] en L.M. [slachtoffer5] voornoemd heeft gericht (gehouden) en daarbij deze [slachtoffer6] en [slachtoffer5] dreigend heeft toegevoegd de woorden: "Maak de deur open.",

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van de feiten 1, 3 primair en 4 telkens:

Afpersing.

Ten aanzien van feit 2:

Poging tot het misdrijf afpersing.

Ten aanzien van feit 5:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar onvoorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De officier van justitie is van mening dat aan verdachtes gokverslaving gewerkt moet worden hetgeen mogelijk is indien aan de op te leggen straf een voorwaardelijk deel wordt gekoppeld. De officier van justitie acht de bewezenverklaarde feiten echter zodanig ernstig dat een gevangenisstraf van langer dan 4 jaar dient te worden opgelegd. Het gaat in deze om 3 voltooide overvallen, 1 poging daartoe en 1 bedreiging.

Het standpunt verdediging

Verdachte is gokverslaafd en heeft de feiten in een periode van 3 dagen gepleegd. Hij heeft meegewerkt aan het strafrechtelijk onderzoek. Tevens heeft hij een blanco strafblad en veel spijt van het gebeuren. Verdachte wil zijn leven oppakken en elke vorm van hulp accepteren. Hij wil in september zijn opleiding vervolgen en tot die tijd kan hij als magazijnmedewerker gaan werken. Uit de omtrent verdachte opgemaakte rapportage van Iriszorg blijkt dat verdachte behandeld moet worden. Bij het opleggen van een straf moet rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de dader. Van een straf van 6 jaar wordt verdachte niet beter. Hij moet zo spoedig mogelijk geholpen worden en de hulpverlening heeft het meest kans van slagen indien die plaatsvindt vanuit verdachtes thuissituatie. Verdachte is nog jong. Verzocht wordt de detentieperiode zo kort mogelijk te houden opdat een behandeling zoals door Iriszorg voorgesteld mogelijk blijft.

De beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 27 januari 2012;

• een drietal voorlichtingsrapporten van de Reclassering Nederland / Iriszorg, gedateerd 24 november 2011, 11 januari 2012 en 31 januari 2012, betreffende verdachte;

• een brief d.d. 28 december 2011, opgemaakt door de psychiater B. Gotink van het NIFP te Arnhem.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft gedurende een periode van 3 dagen een vijftal ernstige feiten gepleegd. Drie geslaagde overvallen, 1 poging daartoe en 1 bedreiging. Daarbij zijn onder meer “jeugdigen” die als caissière hun werkzaamheden verrichtten in de leeftijd van 15 en 17 jaar met een wapen bedreigd om geld af te geven. Het geconfronteerd worden met een overvaller die gebruik maakt van een wapen is voor iedereen die daarmee te maken krijgt ernstig maar werkt extra traumatiserend wanneer je zo jong bent als twee van de caissières die door verdachte zijn overvallen. Dat verdachte gebruikt maakte van een nepwapen doet daaraan niet af. Zij die op dat moment werden geconfronteerd met verdachte, zijn dreigende houding en het wapen hadden daar geen weet van. Verdachte pleegde deze feiten om zijn gokverslaving te kunnen bekostigen, en is daarbij volledig uit het oog verloren dat hij anderen daarmee grote psychische en financiële schade berokkende.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat in beginsel een gevangenisstraf zoals geëist passend en geboden is.

Bij de bepaling van de strafmaat heeft de rechtbank niet alleen rekening te houden met het belang van de maatschappij bij het bestraffen van deze ernstige vorm van criminaliteit, maar tevens met de belang van de verdachte bij behandeling. Verdachte heeft een blanco strafblad en is 21 jaar. Gezien het feit dat verdachte voorafgaand aan genoemde feiten niet eerder veroordeeld is voor een strafbaar feit en alle feiten binnen een zeer kort tijdsbestek zijn gepleegd, is de rechtbank van mening dat de gokverslaving van verdachte de aanleiding is geweest voor het plegen van de feiten. Dat verdachte behandeling zoals omschreven in het over hem opgemaakte rapport van Iriszorg nodig heeft staat vast. Wil hij in de toekomst weer normaal kunnen functioneren dan zal hij aan zijn gokverslaving moeten werken. De rechtbank acht het inzetten van een behandeling van zo groot belang dat naast een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf een voorwaardelijke gevangenisstraf zal worden opgelegd, ten einde de gokverslaving in een verplicht kader te behandelen. Hiermee is de kans dat recidive wordt voorkomen het grootst en is zowel de samenleving als verdachte het meest gediend.

De rechtbank wijst er op de zwaarte van de straf niet wezenlijk verschilt. Indien de rechtbank hem een gevangenisstraf oplegt zoals door de officier van justitie geëist, dan zal hij, indien hij aan de voorwaarden daartoe voldoet, na 48 maanden in vrijheid worden gesteld. Garanties dat verdachte wordt behandeld, heeft de rechtbank niet. De straf die de rechtbank opgelegd heeft tot gevolg dat hij na 42 maanden in vrijheid wordt gesteld, maar daarna nog 2 jaar onder toezicht staat en een training en een behandeling dient te volgen.

Het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedrag betreft geld wat door middel van het strafbare feit is verkregen. De rechtbank zal dit geld verbeurd verklaren.

6a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben in overeenstemming met het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

Het standpunt van de officier van justitie

Voor wat betreft de vordering van de benadeelde partij R.W. [naam], die in totaal een bedrag van € 925,92 vordert, is de officier van justitie van oordeel dat een bedrag van in totaal € 255,20 kan worden toegewezen. Voor wat betreft de door de benadeelde partij doorbetaalde ziektekosten is de officier van justitie van oordeel dat onvoldoende duidelijk is dat deze kosten het rechtstreeks gevolg zijn van het door verdachte gepleegde strafbare feit. Voor dat deel dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Voor wat betreft de vordering van de benadeelde partij L. [slachtoffer5], die aan immateriële schade een bedrag van € 1.700,- vordert, is de officier van justitie van oordeel dat deze vordering in zijn geheel kan worden toegewezen. De vordering is in voldoende mate onderbouwd en het gevorderde komt hem redelijk voor.

Voor wat betreft de vordering van de benadeelde partij J. [slachtoffer1] is de officier van justitie van oordeel dat deze niet-ontvankelijk moet worden verklaard nu niet duidelijk is dat deze kosten het rechtstreeks gevolg zijn van het door verdachte gepleegde strafbare feit. Voorts wordt niet aangegeven welke gevolgen dit feit voor haar hebben gehad.

Voor wat betreft de vordering van de benadeelde partij P. [slachtoffer6], die in totaal aan materiële en immateriële schade een bedrag van € 1.433,26 vordert, is de officier van justitie van oordeel dat een bedrag van € 1.400,- aan immateriële schade en € 3.04 aan materiële schade kan worden toegewezen. Voor wat betreft de telefoonkosten ad € 30,22 is de officier van justitie van oordeel dat onvoldoende duidelijk is dat deze kosten het rechtstreeks gevolg zijn van het door verdachte gepleegde strafbare feit. Voor dat deel dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Voor wat betreft alle toe te wijzen (delen van de) vorderingen dient naar het oordeel van de officier van justitie tevens de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

Voor wat betreft de door de officier van justitie verzochte niet-ontvankelijk verklaring schaart de verdediging zich achter het standpunt van de officier van justitie.

Voor zover de vorderingen van de benadeelde partijen voor toewijzing in aanmerking zouden kunnen komen verzoekt de verdediging deze vordering af te wijzen nu verdachte geen middelen heeft om de toe te wijzen vordering te betalen. Verdachte is bereid, zodra hij uit detentie wordt ontslagen en werk heeft, een en ander recht te trekken.

De beoordeling door de rechtbank

Met betrekking tot alle vorderingen:

Gelet op het standpunt van verdachte kunnen de vorderingen van de benadeelde partijen voor zover niet de niet-ontvankelijkheid is bepleit, worden toegewezen. Verdachte betwist die delen van de vorderingen van de benadeelde partijen niet. Weliswaar stelt verdachte geen middelen tot zijn beschikking te hebben de vorderingen te voldoen reden waarom de toe te wijzen vorderingen zouden moeten worden afgewezen. Echter dat is geen argument om tot afwijzing van de vorderingen te beslissen. Naar Burgerlijk recht komen de niet betwiste delen van de vorderingen voor toewijzing in aanmerking. Het (mogelijk) niet kunnen voldoen aan deze civielrechtelijk op te leggen verplichting doet daaraan niet af.

De vordering van R.W. [naam]:

Voor wat betreft de vordering van de benadeelde partij R.W. [naam] is de rechtbank met de officier van justitie en verdediging van oordeel dat de door de benadeelde partij betaalde ziektekosten onvoldoende met stukken is onderbouwd. Een nadere beoordeling van deze schadeposten zou een onevenredige belasting van het strafgeding meebrengen zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Toegewezen kan worden een bedrag van € 255,20.

De vordering van L. [slachtoffer5]:

De vordering van de benadeelde partij L. [slachtoffer5] wordt, zoals hiervoor opgemerkt, niet betwist en kan in zijn geheel worden toegewezen.

De vordering van P. [slachtoffer6]:

Voor wat betreft de vordering van de benadeelde partij P. [slachtoffer6] zijn de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de post telefoonkosten ad € 30,22 niet voor toewijzing in aanmerking komt nu onduidelijk is of deze kosten het rechtstreekse gevolg zijn van het door verdachte gepleegde strafbare feit. Voor wat betreft het overige wordt de vordering niet door verdachte betwist.

De rechtbank is van oordeel dat ook deze kosten voor toewijzing in aanmerking komen. Uit de door de benadeelde partij overgelegde nota blijkt dat zij korte tijd na het feit veel telefoonkosten heeft gemaakt omdat zij de behoefte had om te praten over hetgeen haar was overkomen. Gelet daarop acht de rechtbank het reëel dat deze kosten het rechtstreekse gevolg zijn van het gepleegde strafbare feit. Naar het oordeel van de rechtbank kan de vordering dan ook integraal tot een bedrag van € 1.433,26 worden toegewezen.

De vordering van J. [slachtoffer1]:

De officier van justitie en de verdediging zijn van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij J. [slachtoffer1] niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

J. [slachtoffer1] was ten tijde van de overval 15 jaar. Zij heeft een voegingsformulier toegestuurd gekregen en dat naar beste weten ingevuld. Kennelijk heeft zij als gevolg van hetgeen haar is overkomen haar weekendbaan als caissière opgegeven waardoor zij thans een inkomstenderving heeft van € 100,- per maand. Waarom het bureau slachtofferhulp de benadeelde partij niet beter begeleid heeft, zoals kennelijk wel bij de benadeelde partij L. [slachtoffer5] is gebeurd, is voor de rechtbank onduidelijk. Het is de rechtbank niet toegestaan af te wijken van de grondslag van de vordering van de benadeelde partij. Aan het eventueel toewijzen van een immateriële schadevergoeding komt de rechtbank dus niet toe terwijl uit de toelichting bij de vordering naar het oordeel van de rechtbank blijkt dat sprake zou kunnen zijn van immateriële schade.

De door de benadeelde partij J. [slachtoffer1] gevorderde inkomstenderving is niet met stukken onderbouwd. De rechtbank is echter van oordeel dat in dit geval, mede gelet op de leeftijd van de benadeelde partij, in voldoende mate vaststaat dat zij als gevolg van de overval haar weekeindbaantje als caissière niet heeft kunnen voortzetten. Naar redelijkheid en billijkheid stelt de rechtbank haar inkomstenderving tot het moment van het wijzen van het vonnis vast op € 300,00, zijnde een vergoeding van € 100,- per maand gedurende 3 maanden. Dit bedrag zal dan ook worden toegewezen. Voor zover de benadeelde partij meer loonderving heeft willen eisen is de rechtbank van oordeel dat behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding meebrengt zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 33, 33a, 36f, 45, 57, 285, 317 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 48 (achtenveertig) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 6 (zes) maanden niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit dan wel navolgende bijzondere voorwaarde niet is nagekomen:

1. Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die hem door of namens de (stichting) reclassering Nederland zullen worden gegeven, voor zover en voor zolang dat door genoemde instelling nodig wordt geacht.

2. Veroordeelde dient zich gedurende de door de reclassering te bepalen tijd te melden zo frequent als dat door de reclassering gedurende de proeftijd nodig wordt geacht.

3. Veroordeelde moet deelnemen aan een leefstijltraining (kort).

4. Veroordeelde dient mee te werken aan een ambulante behandeling (middels De Tender) bij Iriszorg zolang dat door de reclassering nodig wordt geacht.

Geeft opdracht aan de (stichting) Reclassering Nederland om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedrag, te weten:

€ 392,60.

Ten aanzien van feit 1:

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij J. [slachtoffer1].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan J. [slachtoffer1], wonende te [adres], te betalen € 300 (zegge driehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 november 2011.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding ad € 300, subsidiair 6 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer J. [slachtoffer1], wonende te [adres], te betalen € 300, (zegge driehonderd euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Ten aanzien van feit 4:

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij L. [slachtoffer5].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan L. [slachtoffer5], wonende te [adres], 6524 NA Nijmegen, te betalen € 1700 (zegge zeventienhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 november 2011.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 1700, subsidiair 27 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer L. [slachtoffer5], wonende te [adres], 6524 NA Nijmegen, te betalen € 1700, (zegge zeventienhonderd euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 27 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij R.W.A. [naam].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan R.W.A. [naam], wonende te [adres], 6524 NA Nijmegen, te betalen € 255,20 (zegge tweehonderdvijfenvijftig euro en twintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 november 2011.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding ad € 255,20, subsidiair 5 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer R.W.A. [naam], wonende te [adres], 6524 NA Nijmegen, te betalen € 255,20, (zegge tweehonderdvijfenvijftig euro en twintig eurocent), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 5 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Ten aanzien van feit 5:

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij P. [slachtoffer6].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan P. [slachtoffer6], wonende te [adres], 6524 NA Nijmegen, te betalen € 1.433,26 (zegge eenduizendvierhonderddrieendertig euro en zesentwintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 november 2011.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 1.433,26, subsidiair 24 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer P. [slachtoffer6], wonende te [adres], 6524 NA Nijmegen, te betalen € 1.433,26, (zegge eenduizendvierhonderddrieendertig euro en zesentwintig eurocent), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 24 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door mrs. J.J.H. van Laethem, als voorzitter, A.M. van Gorp en W.L.J.M. Duijst, rechters, in tegenwoordigheid van R. van Dijk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 maart 2012, zijnde mrs. Van Laethem en Duijst buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.