Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BV8013

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-03-2012
Datum publicatie
07-03-2012
Zaaknummer
05/701473-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Arnhem veroordeelt een 19-jarige vrouw uit Zevenaar tot 270 dagen gevangenisstraf, waarvan 101 dagen voorwaardelijk, voor twee insluipingen en een inbraak. Vrijgespraak voor brandstichting.Geen toepassing jeugdsanctierecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/701473-11

Data zittingen : 30 november 2011 en 22 februari 2012

Datum uitspraak : 7 maart 2012

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum en -plaats]

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman : Mr. R.L.I. Jansen, advocaat te Dordrecht.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

zij in of omstreeks de nacht van 2 op 3 augustus 2011 (omstreeks 05.30 uur),

te Zevenaar,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk brand heeft gesticht in de woning [adres] aldaar,

immers heeft verdachte en/of haar mededader(s) toen aldaar in die woning

opzettelijk met een aansteker een hoeveelheid papier en/of een kledingstuk

(blouse) aangestoken, in elk geval (open) vuur in aanraking gebracht met (een)

brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor andere goederen in die woning te duchten

was en/of levensgevaar voor de in die woning aanwezige (slapende) bewoners, in

elk geval levensgevaar voor een ander of anderen te duchten was;

(zaak 3; Stam-PV blz. 26 t/m 31; blz. 460 t/m blz. 560)

2.

zij op of omstreeks 03 augustus 2011 te Zevenaar,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit de woning

[adres] aldaar heeft weggenomen een (flatscreen)televisie (merk LG),

een videocamera en/of een aantal telefoons, in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan J.J.M.[slachtoffer1] en/of G.A.M.[slachtoffer2], in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

(zaak 3; Stam-PV blz. 26 t/m 31; blz. 460 t/m blz. 560)

3.

zij op of omstreeks 17 augustus 2011 te Zevenaar,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, in/uit de woning

[adres] aldaar, heeft weggenomen een notebook/laptop en/of een koffer

en/of autosleutels en vervolgens nabij die woning heeft weggenomen een

personenauto (Ford Escort, kenteken [nummer]), in elk geval enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan Th.B.J.[slachtoffer3], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

(zaak 1; Stam-PV blz. 17 t/m 21; blz. 274 t/m blz. 349)

4.

zij op of omstreeks 11 augustus 2011 te Zevenaar,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit de woning en de

daarbij behorende garage aan de [adres] aldaar heeft weggenomen

een televisie (merk Loewe), een portemonnee met inhoud, een damesfiets

(Gazelle), een electrische fiets (merk Batavus), een sleutelbos en/of een

personenauto (Mercedes C 180, kenteken [nummer]), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan W.B.H.[slachtoffer4], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), waarbij verdachte

en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs

heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder haar/hun

bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming (uitzetijzer van het bovenlicht van de garage geforceerd/vernield

en/of (vervolgens) door dat bovenlicht naar binnengeklommen);

(zaak 2; Stam-PV blz. 22 t/m 26; blz. 61 t/m 70 (4e verhoor Davy [medeverdachte])

en blz. 366 t/m blz. 454)

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 22 februari 2012 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. R.L.I. Jansen, advocaat te Dordrecht.

Als benadeelde partij terzake van feit 4 heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd

• W.B.H. [slachtoffer4]

Als benadeelde partijen terzake van de feiten 1 en 2 hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd en zijn ter terechtzitting verschenen:

• J.J.M. [slachtoffer1]

• G.A.M. [slachtoffer2]

De officier van justitie heeft gerekwireerd.

Verdachte en haar raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Ten aanzien van feit 1

Evenals de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1. is tenlastegelegd en zal verdachte daarvan vrijspreken.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt, voor dit feit, volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

? het proces-verbaal van aangifte van J.J.M. [slachtoffer1], p. 462- 463 en 465; en

? de verklaringen van verdachte ter terechtzitting d.d. 22 februari 2012.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

zij omstreeks 03 augustus 2011 te Zevenaar, tezamen en in vereniging met een ander,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit de woning [adres] aldaar heeft weggenomen een flatscreentelevisie merk LG, een videocamera en een aantal telefoons, geheel of ten dele toebehorende aan J.J.M.[slachtoffer1] en G.A.M.[slachtoffer2].

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt, voor dit feit, volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

? het proces-verbaal van aangifte van T.B.J. [slachtoffer3], p. 275-276; en

? verhoor aangever T.B.J. [slachtoffer3], p. 280; en

? de verklaringen van verdachte ter terechtzitting d.d. 22 februari 2012.

Notebook

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de notebook heeft weggenomen. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen.

Verdachte heeft sinds haar aanhouding deze insluiping bekend en heeft hier gedetailleerd over verklaard. Het wegnemen van de notebook door haar of door de medeverdachte heeft verdachte echter van begin af aan stellig ontkend. Ditzelfde geldt voor de medeverdachte [medeverdachte]. Ook hij legt een gedetailleerde en bekennende verklaring af maar volhardt in zijn stellige ontkenning een laptop of notebook te hebben meegenomen. De rechtbank acht de ontkenning van verdachten op dit punt dan ook geloofwaardig.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

zij op 17 augustus 2011 te Zevenaar, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, uit de woning [adres] aldaar, heeft weggenomen een koffer en autosleutels en vervolgens nabij die woning heeft weggenomen een personenauto Ford Escort, kenteken [nummer], geheel of ten dele toebehorende aan Th.B.J.[slachtoffer3],

Ten aanzien van feit 4

De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt, voor dit feit, volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

? het proces-verbaal van aangifte van W.B.H. [slachtoffer4], p. 367-369, en

? het proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 373-374, en

? de verklaringen van verdachte ter terechtzitting d.d. 22 februari 2012.

Portemonnee met inhoud

In de aangifte is vermeld dat ook een portemonnee met inhoud is meegenomen uit de woning. Hoewel verdachte dit ontkent, heeft de rechtbank geen aanleiding om de aangifte op dit punt in twijfel te trekken.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

zij omstreeks 11 augustus 2011 te Zevenaar, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit de woning en de

daarbij behorende garage aan de [adres] aldaar heeft weggenomen

een televisie merk Loewe, een portemonnee met inhoud, een damesfiets

Gazelle, een electrische fiets merk Batavus, een sleutelbos en een personenauto Mercedes C 180, kenteken [nummer], geheel of ten dele toebehorende aan W.B.H.[slachtoffer4], waarbij verdachte en haar mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking en

inklimming (uitzetijzer van het bovenlicht van de garage vernield en vervolgens door dat bovenlicht naar binnengeklommen);

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 2 en feit 3, telkens:

‘Diefstal door twee of meer verenigde personen.’

Ten aanzien van feit 4:

‘Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking en inklimming.’

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het verzoek van de verdediging tot het toepassen van het jeugdsanctierecht dient te worden toegewezen door de rechtbank.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot 7 maanden jeugddetentie, waarvan 6 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde op te leggen reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt behandeling bij de GGZ of een soortgelijke instelling, opname bij Exodus of een vergelijkbare instelling en een drugs- en alcoholverbod en voorts met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Het standpunt verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank om conform het advies van psycholoog D. Breuker d.d. 9 februari 2012, het jeugdsanctierecht toe te passen.

De beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 31 januari 2012; en

• een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, Adviesunit 1 Breda, gedateerd 17 oktober 2011, betreffende verdachte; en

• een (beknopt) reclasseringsadvies van Reclassering Nederland, Adviesunit 1 Breda, gedateerd 30 januari 2012, betreffende verdachte; en

• Pro Justitia psychologisch onderzoek van drs. D. Breuker, gezondheidszorg- en forensisch psycholoog, gedateerd 29 november 2011, betreffende verdachte;

• Pro Justitia aanvullend psychologisch onderzoek d.d. 9 februari 2012 van drs. D. Breuker, gezondheidszorg- en forensisch psycholoog, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft samen met een ander, in augustus 2011, in twee weken tijd een tweetal insluipingen en een inbraak gepleegd in woningen. Verdachte en haar medepleger namen daarbij waardevolle zaken mee. Tot twee maal toe hebben ze autosleutels gestolen en namen ze ook een auto mee. Verdachte heeft hiermee aanzienlijke materiële schade veroorzaakt. Bovendien zorgen dergelijke feiten bij de slachtoffers voor een groot gevoel van onveiligheid.

Jeugdsanctierecht

Anders dan door de forensisch psycholoog, drs. Breuker aan de rechtbank in overweging is gegeven en door de verdediging en de officier van justitie naar voren is gebracht, is de rechtbank van oordeel dat in deze zaak geen aanleiding bestaat om het sanctierecht, zoals dat is opgenomen in de artikelen 77c, juncto 77g tot en met 77 gg WvSr., voor jeugdigen toe te passen. Hiertoe overweegt de rechtbank dat verdachte op het moment van het plegen van de feiten meerderjarig was. Toepassen van het jeugdsanctierecht bij meerderjarigen is mogelijk als de persoonlijkheid van verdachte of de omstandigheden waaronder deze zijn begaan daartoe aanleiding geven. De rechtbank neemt aan dat er bij verdachte sprake is van een zekere onrijpheid en onvolwassenheid welke van invloed zijn geweest op de beslissingen die verdachte heeft genomen ten tijde van de gepleegde delicten, maar ziet daarin in het onderhavige geval onvoldoende aanleiding om het jeugdstrafrecht toepassen. Verdachte is blijkens de hierboven genoemde rapportages weliswaar beïnvloedbaar en kan onder andere impulsief handelen om stoer gevonden te worden, maar zij heeft ter zitting echter ook verklaard dat zij de diefstallen heeft gepleegd om aan geld te komen. Dit impliceert dat verdachte bewust de keuze heeft gemaakt om de strafbare feiten te plegen. Verdachte heeft bovendien dergelijke feiten eerder gepleegd en had op basis daarvan de consequenties van haar daden kunnen overzien. Daarbij heeft de rechtbank ter terechtzitting de indruk gekregen dat verdachte, gelet op de wijze waarop zij kenbaar maakte bepaalde vragen al dan niet te willen beantwoorden, blijk ervan gaf voldoende in staat te zijn ook eigen afwegingen te kunnen maken

In de strafmaat houdt de rechtbank wel rekening met de jeugdige leeftijd en de persoonlijkheid van verdachte. Bovendien gaat de rechtbank uit van verminderde toerekeningsvatbaarheid ten tijde van het plegen van het strafbare feit.

Gezien de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden hiervoor genoemd acht de rechtbank een gevangenisstraf van 270 dagen passend en geboden, waarvan 101 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De rechtbank ziet, gelet op verdachtes persoonlijke omstandigheden, aanleiding om aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden te verbinden dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, dat zij zich zal laten behandelen bij GGZ of een vergelijkbare instelling, dat zij verblijft bij Exodus of een vergelijkbare instelling en dat een alcohol,- en drugsverbod wordt opgelegd.

Gelet op de duur van de reeds door verdachte ondergane voorlopige hechtenis zal de rechtbank het inmiddels geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte opheffen.

De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging

van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De benadeelde partij [slachtoffer4] vordert een bedrag van € 265,-.

De benadeelde partij [slachtoffer1] vordert een bedrag van € 41.750,-.

De benadeelde partij [slachtoffer2] vordert een bedrag van € 1800,-.

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer4]

De officier van justitie heeft verzocht dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer4] tot een bedrag van € 265,- wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 dagen hechtenis.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer1]

De officier van justitie heeft verzocht dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1] tot een bedrag van € 1265,- wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 dagen hechtenis. Voor het overige dient de vordering niet ontvankelijk te worden verklaard.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer2]

De officier van justitie heeft verzocht dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1] tot een bedrag van € 265,- wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 dagen hechtenis. Voor het overige dient de vordering niet ontvankelijk te worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte slechts de helft van de vordering van [slachtoffer4] dient te betalen, aangezien zij dit feit samen met de medeverdachte heeft gepleegd.

De verdediging stelt zich voorts op het standpunt dat de vorderingen van [slachtoffer2] en [slachtoffer1] dienen te worden afgewezen in verband met de bepleitte vrijspraak voor feit 1, waar deze schade verband mee houdt.

De verdediging verzoekt de rechtbank voorts om bij de vorderingen die zullen worden toegewezen, niet de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en een termijnbetaling toe te staan.

De beoordeling door de rechtbank

Benadeelde partij [slachtoffer4]

De rechtbank wijst de vordering ter hoogte van € 265,- van benadeelde partij [slachtoffer4] betreffende immateriële schade als gevolg van de diefstal toe.

Het toegewezen bedrag zal vermeerderd worden met de wettelijke rente met ingang van 11 augustus 2011.

Benadeelde partij [slachtoffer2]

Nu benadeelde voor wat betreft de hoogte van de geleden materiële schade verwijst naar het voegingformulier van benadeelde [slachtoffer1], zal de rechtbank over deze schade hierna bij [slachtoffer1] een oordeel geven. De vordering van [slachtoffer2] zal worden toegewezen voor zover dit immateriële schade ten gevolge van de diefstal betreft, namelijk voor een bedrag van € 265,- . De vordering zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard omdat verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde feit waarop dat deel van de vordering betrekking heeft.

Het toegewezen bedrag zal vermeerderd worden met de wettelijke rente met ingang van 3 augustus 2011.

Benadeelde partij [slachtoffer1]

De benadeelde partij [slachtoffer1] heeft ter zitting de materiële schade met betrekking tot de diefstal gespecificeerd en geschat op €1000,-. Nu de diefstal door verdachte bewezen is verklaard, zal de rechtbank de vordering toewijzen voor dat bedrag plus een bedrag van € 265,- voor immateriële schade ten gevolge van de diefstal. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1] zal dus toegewezen worden voor een totaalbedrag van € 1265,-. De vordering zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard omdat verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde feit waarop dat deel van de vordering betrekking heeft.

De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen omdat de rechtbank groot belang hecht aan een eenvoudige en spoedige afhandeling van de schade ten behoeve van de slachtoffers.

Tevens zal verdachte voor de vorderingen hoofdelijk aansprakelijk zijn met haar mededader. De rechtbank staat het verdachte wel toe om de vorderingen in maandelijkse termijnen te voldoen.

Het toegewezen bedrag zal vermeerderd worden met de wettelijke rente met ingang van 3 augustus 2011.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24a, 24c, 27, 36f, 47, 57, 310, 311 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het onder 1. tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

Een gevangenisstraf voor de duur van 270 (tweehonderdzeventig) dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 101 (honderdenéén) dagen niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit dan wel navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:

Veroordeelde dient zich te houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat inhoudt:

- Veroordeelde dient zich binnen 5 dagen na de uitspraak van dit vonnis te melden bij de balie van de Reclassering Nederland, unit Roermond, Bredeweg 28b te Roermond en dient zich na de eerste afspraak te blijven melden op de afgesproken tijdstippen en locaties zo frequent als en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

- Veroordeelde wordt verplicht om in het Exodushuis in Venlo te verblijven en zich te houden aan het (dag)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering voor haar heeft opgesteld, voor zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht. Verdachte zal zich houden aan de regels die door of namens de leiding van die instelling zullen worden gegeven.

- Veroordeelde zal zich ambulant laten behandelen in een GGZ of een soortgelijke instelling, ter beoordeling van de reclassering, indien en voor zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht. De verdachte zal zich dan houden aan de regels die door of namens de leiding van die instelling zullen worden gegeven.

- Veroordeelde is verboden alcohol en drugs te gebruiken. Verdachte is verplicht mee te werken aan bloed- en/of urinecontroles.

- Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften die door Reclassering Nederland zullen worden gegeven, voor zover en zolang dat door de reclassering noodzakelijk wordt geacht.

Geeft opdracht aan de (stichting) Reclassering Nederland om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer4].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde - met dien verstande dat indien en voorzover de mededader betaalt ook veroordeelde daardoor tegenover [slachtoffer4] zal zijn gekweten - tegen kwijting aan [slachtoffer4], wonende te Zevenaar, te betalen € 265 (zegge tweehonderdvijfenzestig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 11 augustus 2011.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 265,-, subsidiair 5 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer4], wonende te Zevenaar, te betalen € 265,-, (zegge tweehondervijfenzestig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 11 augustus 2011, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 5 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien en voor zover de veroordeelde of de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer4], het daarmee corresponderende gedeelte van de civielrechtelijke verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien en voor zover veroordeelde aan de benadeelde partij heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Bepaalt dat de veroordeelde het voornoemde bedrag mag betalen in 5 eenmaandelijkse termijnen van elk € 53,- .

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde - met dien verstande dat indien en voorzover de mededader betaalt ook veroordeelde daardoor tegenover [slachtoffer1] zal zijn gekweten - tegen kwijting aan [slachtoffer1], wonende te Zevenaar, te betalen € 1265,- (zegge twaalfhonderdvijfenzestig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 3 augustus 2011.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor de vordering niet-ontvankelijk voor zover deze betreft € 40.485,-, nu verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde feit waarop dit deel van de vordering betrekking heeft.

Maatregel van schadevergoeding ad € 1265,- subsidiair 22 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer1], wonende te Zevenaar, te betalen € 1265,-, (zegge twaalfhonderdvijfenzestig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 3 augustus 2011, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 22 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien en voor zover de veroordeelde de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer1], het daarmee corresponderende gedeelte van de civielrechtelijke verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien en voor zover veroordeelde aan de benadeelde partij heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Bepaalt dat de veroordeelde het voornoemde bedrag mag betalen in 25 eenmaandelijkse termijnen van elk € 50,- en 1 eenmaandelijkse termijn van € 15,-.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer2].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde - met dien verstande dat indien en voorzover de mededader betaalt ook veroordeelde daardoor tegenover [slachtoffer2] zal zijn gekweten - tegen kwijting aan [slachtoffer2], wonende te Zevenaar, te betalen € 265,- (zegge tweehonderdvijfenzestig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 3 augustus 2011.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor de vordering niet-ontvankelijk voor zover deze betreft € 1535,- nu verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde feit waarop dit deel van de vordering betrekking heeft

Maatregel van schadevergoeding ad € 265,- , subsidiair 5 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer2], wonende te Zevenaar, te betalen € 265,-, (zegge tweehonderdvijfenzestig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 3 augustus 2011, bij gebreke van volledi¬ge betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 5 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien en voor zover de veroordeelde of de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer2], het daarmee corresponderende gedeelte van de civielrechtelijke verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien en voor zover veroordeelde aan de benadeelde partij heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Bepaalt dat de veroordeelde het voornoemde bedrag mag betalen in 5 eenmaandelijkse termijnen van elk € 53 -.

Aldus gewezen door mr. R.M. Maanicus, als voorzitter, mr. M.F. Gielissen, mr. M. van der Linde, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.J. Elferink-van Vliet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 maart 2012.