Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BV7816

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-03-2012
Datum publicatie
06-03-2012
Zaaknummer
05/700683-11
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2015:4988, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Arnhem heeft vandaag een 22-jarige man uit ‘s Heerenberg veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Ook is de man tijdelijk zijn rijbewijs kwijt. Verdachte is opzettelijk ingereden op twee personen voor Music Sacrum in april van vorig jaar. De man was op stap in Arnhem. Hij, zijn vriendin en een derde man wilden de stad in een auto verlaten. Toen ze de weg vroegen, werden ze door een groepje jongens lastig gevallen. Er werd uiteindelijk een ruitje van de auto ingeslagen, waarop het groepje jongens wegvluchtte. Verdachte is de stoep voor Music Sacrum opgereden, achter de jongens aan. Daarbij is hij langs diverse omstanders en tussen de boom en de kiosk aldaar gereden. Hij heeft twee van de jongens met een aanzienlijke snelheid geraakt. Naar omstandigheden viel het letsel gelukkig mee. Verdachte verklaarde dat hij in paniek probeerde weg te komen en niet wist waar hij naar toe reed. De rechtbank acht het verhaal van verdachte ongeloofwaardig, gezien de route die hij gevolgd heeft. De straf valt lager uit dan de officier van justitie had geëist, omdat de rechtbank niet bewezen acht dat de verdachte de bedoeling had de twee slachtoffers dood te rijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/700683-11

Datum zitting : 26 juli 2011, 4 oktober 2011, 13 december 2011 en 21 februari 2012

Datum uitspraak : 6 maart 2012

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres]

plaats : [woonplaats].

thans gedetineerd in PI Arnhem - De Berg, Arnhem Noord, Wilhelminastraat 16

Arnhem.

Raadsman : mr. A.H. Staring, advocaat te Arnhem.

Officier van justitie : mr. K. Hermans

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de nacht van 16 op 17 april 2011 te Arnhem

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk J. [slachtoffer1]

van het leven te beroven,

opzettelijk met een door hem, verdachte, bestuurde auto (blauwe Renault

Twingo, kenteken: [nummer]) (komende vanaf de Velperbinnensingel)

met hoge, althans aanzienlijke snelheid op die [slachtoffer1] (die zich op dat

moment op het trottoir/voetgangersgebied ongeveer ter hoogte van de

Velperbuitensingel 25 bevond ) is toegereden en deze heeft aangereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de nacht van 16 op 17 april 2011 te Arnhem,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan J. [slachtoffer1]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

opzettelijk met een door hem, verdachte, bestuurde auto (blauwe Renault

Twingo, kenteken: [nummer]) (komende vanaf de Velperbinnensingel)

met hoge, althans aanzienlijke snelheid op die [slachtoffer1] (die zich op dat

moment op het trottoir/voetgangersgebied ongeveer ter hoogte van de

Velperbuitensingel 25 bevond ) is toegereden en deze heeft aangereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair:

hij in of omstreeks de nacht van 16 op 17 april 2011 te Arnhem opzettelijk

mishandelend, J. [slachtoffer1] met een door hem, verdachte, bestuurde auto met

hoge, althans aanzienlijke snelheid heeft aangereden, waardoor deze letsel

(wond boven linkerwenkbrauw, schaafwond linkerschouder, linkerborst en

linkerzijde, spoortje bloedverlies in schedel (buiten hersenen) )

heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij in of omstreeks de nacht van 16 op 17 april 2011 te Arnhem,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk M. [slachtoffer2] van het leven te beroven,

opzettelijk met een door hem, verdachte, bestuurde auto (blauwe Renault

Twingo, kenteken: [nummer]) (komende vanaf de Velperbinnensingel)

met hoge, althans aanzienlijke snelheid op die [slachtoffer2] (die zich op dat

moment op het trottoir/voetgangersgebied ongeveer ter hoogte van de

Velperbuitensingel 25 bevond ) is toegereden en deze heeft aangereden/geraakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de nacht van 16 op 17 april 2011 te Arnhem,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan M. [slachtoffer2]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

opzettelijk met een door hem, verdachte, bestuurde auto (blauwe Renault

Twingo, kenteken: [nummer]) (komende vanaf de Velperbinnensingel)

met hoge, althans aanzienlijke snelheid op die [slachtoffer2] (die zich op dat

moment op het trottoir/voetgangersgebied ongeveer ter hoogte van de

Velperbuitensingel 25 bevond ) is toegereden en deze heeft aangereden/geraakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair:

hij in of omstreeks de nacht van 16 op 17 april 2011 te Arnhem opzettelijk

mishandelend, M. [slachtoffer2] met een door hem, verdachte, bestuurde auto met

hoge, althans aanzienlijke snelheid heeft aangereden/geraakt,

waardoor deze letsel (in gezicht en linker(onder)been)

heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 21 februari 2012 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. A.H. Staring, advocaat te Arnhem.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding: J. [slachtoffer1]

De officier van justitie heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De feiten (ten aanzien van feit 1 en 2)

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

In de nacht van 16 op 17 april 2011 heeft verdachte, als bestuurder van een blauwe Renault Twingo met kenteken [nummer], in het voetgangersgebied gelegen tussen de Velperbinnensingel en de Velperbuitensingel te Arnhem gereden. Hierbij heeft hij J. [slachtoffer1] en M. [slachtoffer2], die zich op dat moment op het trottoir/voetgangersgebied ongeveer ter hoogte van de Velperbuitensingel 25 bevonden, aangereden.

Het standpunt van de officier van justitie

Na een incident waarbij er door [slachtoffer1] en [slachtoffer2] tegen de auto van verdachte wordt geschopt en er in een later stadium een ruit van die auto sneuvelt, gaan zij er via het trottoir vandoor. Verdachte rijdt vervolgens bewust en accelererend richting de slachtoffers. Uit technische bevindingen blijkt dat verdachte wellicht zelfs een snelheid van 50 km per uur gehaald heeft. Deskundige [naam] schat de snelheid wat lager in, maar in ieder geval had de auto een aanzienlijke snelheid. Uit de verklaringen van de onafhankelijke getuigen [getuige1] en [getuige2] is af te leiden dat verdachte bewust op de twee slachtoffers is ingereden. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm is er sprake van een poging doodslag.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat het opzet –in welke vorm dan ook- ontbreekt om [slachtoffer1] en [slachtoffer2] van het leven te beroven of hen zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door op hen in te rijden. Verdachte was in paniek en wilde alleen maar ontkomen aan het mede op hem gerichte geweld. Hij ontkent doelbewust achter [slachtoffer1] en [slachtoffer2] te zijn aangereden.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte opzettelijk op [slachtoffer1] en [slachtoffer2] is ingereden en zo ja of zijn opzet dan op de dood van of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan die [slachtoffer1] en [slachtoffer2] was gericht.

In de nacht van 16 op 17 april 2011 ontstaat er ruzie tussen de inzittenden van de Renault Twingo (verdachte, [naam2] en [naam3]) enerzijds en [slachtoffer1] en [slachtoffer2] anderzijds. Hierbij wordt door [slachtoffer1] of [slachtoffer2] tegen de auto geslagen of geschopt en wordt [naam3] in zijn gezicht geslagen. Het geweld richt zich vervolgens tegen verdachte. Om aan het geweld te ontkomen vlucht verdachte door weg te rennen. Hij wordt op dat moment achtervolgd door [slachtoffer1] en [slachtoffer2]. Na zijn achtervolgers te hebben afgeschud keert verdachte terug naar de auto en ziet hij dat een ruit van de auto kapot is geslagen. [naam2] en [naam3] zaten op dat moment in de auto en zij waren in paniek. Verdachte is achter het stuur gaan zitten en probeerde volgens zijn verklaring op dat moment in paniek weg te komen en niet meer wist welke route hij heeft gevolgd. Hij wist niet dat hij door een voetgangersgebied reed.

Getuige [getuige1] verklaart dat zij, nadat de ruit van de auto werd ingeslagen en zij het latere slachtoffer zag weglopen, hoorde dat de motor van de auto werd gestart. Ze zag dat de auto draaide en het voetpad opreed. Ook verklaart zij dat zij aan het geluid van de motor van de auto hoorde dat de bestuurder het gaspedaal flink had ingetrapt en dat de motor behoorlijke toeren maakte. Ze zag dat de bestuurder met hoge snelheid in de richting van het slachtoffer reed. De snelheid van de auto schatte zij op 60 kilometer per uur. Getuige [getuige2] verklaart dat de Renault in de richting reed van een groepje van circa 7 à 8 personen, ter hoogte van het terras voor Musis Sacrum. Hij zag dat de auto niet remde en evenmin van richting veranderde. De groep verspreidde zich; als ze dat niet gedaan hadden zouden er meerdere personen door de auto zijn aangereden. Voor deze groep liepen twee jongens. De auto reed met dezelfde snelheid door in de richting van deze jongens en de getuige had de indruk dat de auto zelfs nog snelheid vermeerderde. Ter hoogte van de plaats waar de jongens liepen is er een muurtje. Op het moment dat de auto op het groepje personen ingereden was en de groep uit elkaar was gegaan, zag ik dat de twee jongens ineens renden parallel aan het muurtje in de richting van de Steenstraat. Toen de auto op ongeveer 1 meter de twee jongens genaderd was, zag ik dat de jongen aan de rechterkant opzij spong en kans zag over het muurtje te springen. Vrijwel meteen daarna zag ik dat de andere jongen aangereden werd, als het ware geschept werd. Ik zag dat hij aangereden werd en op de motorkap en voorruit klapte en vervolgens over het dak in een soort salto over de auto ging. Voorts heeft de getuige verklaard dat naar zijn gevoel de auto opschakelde en sneller op de jongens in ging rijden. Hij hoorde de auto accelereren.

Het team Verkeers Ongevallen Analyse van de politie schat de snelheid waarmee de auto heeft gereden tussen de 50 en 58 kilometer per uur. De deskundige [naam] spreekt van een snelheid van (misschien nog geen) 40 kilometer per uur.

Er werden in het voetgangersgebied waar het ongeval plaats vond, wel rijsporen maar geen remsporen aangetroffen.

Er is geen technisch bewijs voor handen om de exacte snelheid van verdachtes auto op het moment van de aanrijdingen vast te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van bovenstaande bewijsmiddelen wel voldoende vast komen te staan dat de auto met een snelheid van tussen de 40 en 50 kilometer per uur heeft gereden, welke snelheid onder de gegeven omstandigheden aanzienlijk is te noemen.

De aanwezige rijsporen bevestigen dat verdachte vanaf de Verlperbinnensingel de trottoirband (13 cm hoog ) richting Musis Sacrum is opgereden. Het voertuig van verdachte is tussen een boom en de aldaar aanwezige kiosk door gereden. Ongeveer 80 meter vanaf de Velperbinnensingel zijn de [slachtoffer1] en [slachtoffer2] aangereden.

De route die verdachte heeft gekozen is de minst voor de hand liggende route om met de auto zo snel mogelijk te proberen weg te komen van de plaats waar die zich op dat moment bevond. Dat verdachte niet wist dat het een voetgangersgebied betrof acht de rechtbank ongeloofwaardig, aangezien verdachte de stoeprand is opgereden en zich ter plekke diverse verkeersobstakels, zoals een verkoopkiosk, bevonden. Dergelijke kiosken staan doorgaans niet midden op de openbare weg. De gekozen route past niet bij de verklaring van verdachte dat hij in paniek probeerde weg te komen.

Op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen is komen vast te staan dat de verdachte doelbewust met een aanzienlijke snelheid met zijn auto op [slachtoffer1] en [slachtoffer2] is ingereden waarbij zij werden geraakt. De vraag is vervolgens of hij hiermee het (voorwaardelijk) opzet had om [slachtoffer1] en [slachtoffer2] van het leven te beroven dan wel aan hen zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aannemelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte de wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte door aldus te rijden op de koop toe heeft genomen dat hij [slachtoffer1] en [slachtoffer2] met zijn auto zou raken. Door zo te handelen kan het niet anders zijn dan dat verdachte de gevolgen van zijn handelen heeft aanvaard. Aldus en onder die omstandigheden handelend heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij [slachtoffer1] en [slachtoffer2] zwaar zou verwonden. Naar het oordeel van de rechtbank is er derhalve sprake van opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De kans dat een volwassen persoon door een aanrijding als in de onderhavige situatie komt te overlijden is naar het oordeel van de rechtbank niet aanmerkelijk te achten, gezien de snelheid waarmee de auto op beide personen is ingereden, welke snelheid in het voetspoor van de bevindingen van de deskundige [naam] op "misschien nog geen 40 km/h" wordt geschat. Daarom kan niet worden gezegd dat er een aanmerkelijke kans was dat [slachtoffer1] en/of [slachtoffer2] door een aanrijding zouden komen te overlijden.

De rechtbank komt derhalve tot een bewezenverklaring van het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde.

Conclusie:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij in de nacht van 16 op 17 april 2011 te Arnhem, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan J. [slachtoffer1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

opzettelijk met een door hem, verdachte, bestuurde auto (blauwe Renault

Twingo, kenteken: [nummer]) (komende vanaf de Velperbinnensingel)

met aanzienlijke snelheid op die [slachtoffer1] (die zich op dat moment op het trottoir/voetgangersgebied ongeveer ter hoogte van de Velperbuitensingel 25 bevond ) is toegereden en deze heeft aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij in de nacht van 16 op 17 april 2011 te Arnhem, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan M. [slachtoffer2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

opzettelijk met een door hem, verdachte, bestuurde auto (blauwe Renault

Twingo, kenteken: [nummer]) (komende vanaf de Velperbinnensingel)

met aanzienlijke snelheid op die [slachtoffer2] (die zich op dat moment op het trottoir/voetgangersgebied ongeveer ter hoogte van de Velperbuitensingel 25 bevond ) is toegereden en deze heeft aangereden/geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Poging zware mishandeling

Ten aanzien van feit 2:

Poging zware mishandeling

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging omdat verdachte zich in een extensieve noodweerexcessituatie bevond.

Het standpunt van de officier van justitie

Er is geen sprake van een hevige gemoedstoestand en dus geen noodweerexces.

De beoordeling door de rechtbank

Noodweerexces ziet op de situatie waarin een verdachte de grenzen van een noodzakelijke verdediging overschrijdt, als onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding is veroorzaakt. Ook wanneer de afweerhandelingen worden voorgezet nadat de aanranding zelf is afgewend kan men spreken van noodweerexces zoals bedoeld is in artikel 41 lid 2 Sr (het zogenaamde extensieve noodweerexces).

De auto en de inzittenden van die auto worden belaagd door een groepje jongens. Uiteindelijk wordt een raampje van de auto ingeslagen. De jongens rennen weg. Verdachte stapt daarop in de auto, rijdt een stoeprand op, ontwijkt enkele getuigen en obstakels en raakt vervolgens de twee slachtoffers.

Indien er al een noodzaak was geweest voor verdachte om zich te verdedigen tegen een wederrechtelijke aanranding, dan was die situatie op het moment dat verdachte in de auto stapte al voorbij. Degenen met wie hij ruzie had gehad, liepen immers van de auto weg. Naar het oordeel van de rechtbank kan het gedrag van verdachte niet uitgelegd worden als een noodzakelijke verdedigingshandeling, waarbij de grenzen van die verdediging worden overschreden. Uit de hiervoor geschetste gang van zaken leidt de rechtbank af dat verdachte doelbewust het trottoir is opgereden en doelbewust op de slachtoffers is afgereden. Het is weliswaar niet ondenkbaar dat verdachte door het voorafgaande incident met de latere slachtoffers geëmotioneerd was, maar dan nog valt niet in te zien dat zijn handelwijze wordt ingegeven (en daarmee 'verschoonbaar' als bedoeld in artikel 41 lid 2 Sr) door de hierdoor opgeroepen emotie. Die emotie bestond naar het oordeel van de rechtbank niet zozeer uit angst voor de latere slachtoffers (dan zou het veeleer in de rede hebben gelegen dat verdachte juist van deze belagers was weggereden en niet naar hen toe), maar eerder uit gevoelens van woede en ergernis over hun gedrag. Deze emoties waren niet van dien aard dat het handelen van de verdachte moet worden aangemerkt als een onmiddellijk gevolg van een door die aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging in de zin van art. 41, tweede lid, Sr.

Er is dan ook geen sprake van (extensief) noodweerexces. Het verweer wordt verworpen.

Verder is ook niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tweemaal plegen van poging doodslag zal worden veroordeeld tot: een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Daarbij een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 5 maanden. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de onder verdachte inbeslaggenomen auto verbeurd zal worden verklaard.

Het standpunt verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening te houden met: de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd, alsmede de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is bereid een Cognitieve Vaardigheidstraining te volgen.

De beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie, gedateerd 07 september 2011;

• een reclasseringsadvies (beknopt) d.d. 19 april 2011;

• een consultbrief van B. Gotink, psychiater, d.d. 03 mei 2011;

• een reclasseringsadvies, d.d. 29 juni 2011;

• een reclasseringsadvies (beknopt) d.d. 17 februari 2012

allen betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte is met een auto doelbewust, met een aanzienlijke snelheid, op de twee slachtoffers ingereden. Hierbij heeft hij de mogelijk zware gevolgen van een dergelijke aanrijding op de koop toegenomen. Dat de fysieke gevolgen voor de slachtoffers beperkt zijn gebleven is niet aan enig handelen van verdachte te danken. Verdachte is na de aanrijding doorgereden, zonder zich om het lot van de slachtoffers te bekommeren. Dit is onaanvaardbaar gedrag en slechts een fikse onvoorwaardelijke gevangenisstraf is hier op zijn plaats.

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte wel rekening met de aanleiding van de gebeurtenissen. Verdachte en de mede-inzittenden van de auto werden belaagd door een groepje jongens, waaronder de latere slachtoffers. Er is gescholden, wellicht een klap uitgedeeld en er is een raampje van de auto ingeslagen. De rechtbank komt tot een andere bewezenverklaring dan waar de officier in zijn eis van uit is gegaan. De rechtbank komt dan ook tot een lagere straf dan de officier van justitie heeft geëist.

De reclassering concludeert dat verdachte in bepaalde spanningsvolle situaties het overzicht lijkt te missen en dat hij dan soms de verkeerde keuzes maakt. Hij kan dan impulsief reageren. Enig gebrek aan zelf- en delictinzicht is bij betrokkene aanwezig. De reclassering adviseert verdachte verplicht een Cognitieve Vaardigheidstraining te doen volgen. De rechtbank zal het advies van de reclassering volgen en het doorlopen van de Cognitieve Vaardigheidstraining koppelen aan een voorwaardelijk gedeelte van de op te leggen straf.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen auto:

De in beslaggenomen Renault Twingo met kenteken (nummer) moet worden teruggegeven aan de rechthebbende, te weten (naam) te Westervoort. De auto is geen eigendom van verdachte, zodat verbeurdverklaring slechts onder bijzondere omstandigheden mogelijk is. Dergelijke omstandigheden kunnen niet worden vastgesteld.

6a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade. De benadeelde partij J. [slachtoffer1] vordert een bedrag van € 1545,66, te vermeerderen met wettelijke rente.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vordering van de benadeelde partij geheel wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank de vordering primair niet ontvankelijk te verklaren, subsidiair af te wijzen omdat de vordering onvoldoende onderbouwd is.

De beoordeling door de rechtbank

De materiële schade bestaat uit 2 dagen ziekenhuis daggeldvergoeding (€ 50,-); gemiste inkomsten uit werk (€ 1077,57) minus uitkering inzake ziektewet, waarbij de rechtbank het bruto bedrag in mindering brengt (€ 739,68); de foto’s gemaakt van de verwondingen (€ 14,67) en de gemaakte reiskosten (€ 32,45). De rechtbank acht de materiële schade voldoende onderbouwd en toewijsbaar tot een bedrag van (€ 435,01).

Wat betreft de immateriële schade: De rechtbank acht voldoende bewezen dat de benadeelde door hetgeen hem is aangedaan immateriële schade heeft geleden en dat hij uit dien hoofde terecht aanspraak maakt op vergoeding van die schade. De rechtbank is van oordeel dat in ieder geval een bedrag van € 500,- aan schadevergoeding op zijn plaats is zodat zij dit bedrag zal toewijzen aan het slachtoffer. De vordering is voor zover zij strekt tot vergoeding van een hoger bedrag wegens immateriële schade niet van eenvoudige aard zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 45, 302 van het Wetboek van Strafrecht en het artikel 179a van de Wegenverkeerswet 1994.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en onder 2 primair tenlastegelegde feiten.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

Een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit dan wel navolgende bijzondere voorwaarde niet is nagekomen:

Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die hem door of namens de (stichting) Reclassering Nederland zullen worden gegeven, ook als dat het volgen van een Cognitieve Vaardigheidstraining inhoudt, voor zover en voor zolang dat door genoemde instelling nodig wordt geacht.

Geeft opdracht aan de (stichting) Reclassering Nederland om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

en

Ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Beveelt de teruggave van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen aan de rechthebbenden, te weten:

-voorwerpnummer: 0720510-2011045404-208818 (Renault Twingo met kenteken [nummer])

aan (naam) te Westervoort.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij J. [slachtoffer1].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan J. [slachtoffer1], te betalen € 935,01 (zegge negenhonderdvijfendertig euro en één cent).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk.

Maatregel van schadevergoeding ad € 935,01 , subsidiair 25 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer J. [slachtoffer1], te betalen € 935,01, (zegge negenhonderdvijfendertig euro en één cent), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 25 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door mrs. R.M. Maanicus (voorzitter), F.J.H. Hovens en J.W.T.M. Follender Grossfeld, in tegenwoordigheid van mr. M.A.J.H. Muurmans, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 maart 2012.