Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BV7072

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
15-02-2012
Datum publicatie
28-02-2012
Zaaknummer
207663
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op LJN: BQ 1736.

Verklaringsprocedure.

Ontoereikende verklaring, derdebeslagene veroordeeld tot betaling van het bedraag waarvoor beslag is gelegd (art. 477a lid 1 Rv). Geen verplichting derdebeslagene inzage te geven in haar inkomens- en vermogenspositie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

Vonnis van 15 februari 2012

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 207663 / HA ZA 10-2198 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PROMOCEAN THE NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaten mrs. J. Bedaux en I.S. Oosterhoff, beiden te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TRIENTALIS INVESTMENTS B.V.,

gevestigd te Lunteren,

gedaagde,

advocaat mr. C.J. van Dijk te Ede,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 207665 / HA ZA 10-2199 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PROMOCEAN THE NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mrs. J. Bedaux en I.S. Oosterhoff, beiden te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LIDDOK B.V.,

gevestigd te Lunteren,

gedaagde,

advocaat mr. C.J. van Dijk te Arnhem.

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 207665 / HA ZA 10-2200 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PROMOCEAN THE NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaten mrs. J. Bedaux en I.S. Oosterhoff, beiden te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

XLR8 B.V.,

gevestigd te Lunteren,

gedaagde,

advocaat mr. C.J. van Dijk te Arnhem.

Partijen zullen hierna Promocean, Trientalis, Liddok en XLR8 genoemd worden.

De procedure in de zaken 10-2198 en 2199

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 6 april 2011

- de aktes van Trientalis en Liddok

- de antwoordakte, tevens houdende wijziging van eis van Promocean

- de aktes van Trientalis en Liddok

Daarna is vonnis bepaald.

De procedure in de zaak 10-2200

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 6 april 2011

- de brief van de rechtbank aan partijen van 17 januari 2012 dat de zaak na opheffing van het faillissement van XLR8 wordt verwezen naar de rol voor vonnis.

Daarna is vonnis bepaald.

Het geschil en de (verdere) beoordeling daarvan

In de zaken 10-2198, 2199 en 2200

1. Gebleven wordt bij hetgeen eerder is overwogen en beslist.

In de zaak 10-2198 voorts

2. Promocean heeft thans, na wijziging van haar eis, gevorderd:

I. a. primair: Trientalis te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van

€ 909.990,24, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 28 juli 2010,

b. subsidiair: Trientalis te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 141.637,--, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 28 juli 2010,

c. meer subsidiair: Trientalis te veroordelen een schriftelijke en voldoende gemotiveerde en van bewijsstukken voorziene ondertekende gerechtelijke verklaring af te leggen van hetgeen zij van [betrokkene] onder zich heeft en/of aan [betrokkene] verschuldigd is en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding van [betrokkene] zal verkrijgen en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding aan [betrokkene] verschuldigd zal worden, en, nadat de rechtbank heeft vastgesteld hetgeen onder het beslag valt, Trientalis te veroordelen deze bedragen aan Promocean te voldoen.

II. Indien en voor zover Trientalis niet binnen acht na dit vonnis vrijwillig voldoet aan de veroordeling onder I, Trientalis te veroordelen inzicht aan Promocean te verschaffen in alle voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen, door middel van het doen van een door een in Nederland gevestigde register-accountant - niet zijnde de registeraccountant van Trientalis - op te stellen opgave van alle voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen, bijvoorbeeld, maar daartoe niet beperkt, (i) opgave van alle door haar aangehouden rekeningen inclusief tenaamstelling en nummer, in welke vorm dan ook, bij banken zowel in Nederland als daarbuiten, (ii) opgave van debiteuren (met naam, adres, grondslag en hoogte van de vordering), (iii) opgave van alle (al dan niet deels) op naam van haar geregistreerde registergoederen etc. nu en in de toekomst,

III. Trientalis te veroordelen aan Promocean te betalen een dwangsom van € 20.000,-- per dag voor iedere dag waarop zij niet aan de hierboven sub II. genoemde veroordeling voldoet, met een maximum van € 750.000,--, te vermeerderen met wettelijke rente daarover vanaf de dag dat de dwangsommen verschuldigd worden tot aan de dag der algehele voldoening,

IV. Trientalis te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding, met rente daarover vanaf veertien dagen na het vonnis.

3. Trientalis heeft zich niet verzet tegen de wijziging van de eis, zodat de gewijzigde vorderingen moeten worden beoordeeld.

4. In het laatste tussenvonnis is Trientalis de gelegenheid gegeven haar (buitengerechtelijke)

verklaring, dat zij niets aan [betrokkene] verschuldigd is, te staven met afschriften van daartoe dienende bescheiden waaruit dit volgt, waaronder - maar daartoe niet beperkt - de jaarstukken van Trientalis en overzichten van de rekening-courantverhouding tussen haar en [betrokkene] over enkele jaren voor het afleggen van de verklaring en over de jaren 2009 en 2010.

5. Trientalis heeft ter voldoening daaraan overgelegd een “rekening courant Trientalis Investments B.V. met directie 2008 t/m 2010” waarin de eindsaldi per 31 december van ieder van die jaren is vermeld en waarin verder een negental posten met jaartal maar zonder datum zijn opgenomen. Dit, niet met stukken gestaafde, overzicht is kennelijk door Trientalis zelf opgesteld. Op basis van dat overzicht komt Trientalis tot de (gerechtelijke) verklaring dat zij “in de periode2008/2010 niets aan [betrokkene] verschuldigd was, maar dat zij slechts in die periode (en per 31 december 2010) een bedrag van € 66.807,-- van [betrokkene] in privé te vorderen had”. In haar laatste akte heeft Trientalis nog een deel van een grootboekrekening overgelegd waaruit volgens haar blijkt dat het saldo op de datum van beslaglegging € 7.183,-- ten gunste van [betrokkene] bedroeg.

De jaarstukken waarom in het laatste tussenvonnis was gevraagd heeft Trientalis niet overgelegd.

Promocean heeft de juistheid van de door Trientalis gedane gerechtelijke verklaring gemotiveerd betwist.

6. Zoals in het laatste tussenvonnis (in rechtsoverweging 11) al is overwogen mag in een verklaringsprocedure als de onderhavige, ondanks dat de bewijslast op de beslaglegger rust, van de derde-beslagene worden verlangd dat hij ter staving van zijn verklaring zo veel mogelijk feitelijke gegevens verstrekt. Deze exhibitieplicht moet gezien worden in het licht van de artikelen 476a lid 2 en 476b lid 2 Rv, waarin is bepaald dat de derde-beslagene zijn verklaring met redenen dient te omkleden en zijn verklaring zo veel mogelijk vergezeld dient te doen gaan van afschriften van tot staving dienende bescheiden. Concreet betekent dit dat van Trientalis mag worden verlangd dat zij afschriften van bescheiden in het geding brengt waaruit blijkt dat zij niets is verschuldigd aan [betrokkene].

Vast staat dat op voormeld rekening-courant overzicht en op de grootboekrekening geen accountantscontrole is toegepast. Deze beide documenten geven de rechtbank bovendien geen enkel concreet beeld van de financiële verplichtingen van Trientalis, zodat op basis hiervan niet beoordeeld kan worden of Trientalis een betalingsverplichting aan [betrokkene] had en/of heeft. Deze documenten kunnen dan ook niet dienen ter staving van de gerechtelijke verklaring van Trientalis. Wat betreft de grootboekrekening geldt overigens dat uit niets blijkt dat het hier gaat om uitgaven- en inkomensstromen in de verhouding tussen Trientalis en [betrokkene]. Met het overleggen van deze bescheiden heeft Trientalis dan ook niet voldaan aan de op haar rustende plicht haar verklaring, dat zij slechts € 66.807,--danwel € 7.183,-- aan [betrokkene] verschuldigd is, met zoveel mogelijk feitelijke gegevens te staven. De door Trientalis gegeven verklaring voor het uitblijven van de jaarstukken - dat het opmaken van jaarstukken over de jaren 2008 t/m 2010 in verband met liquiditeitsproblemen als gevolg van de gelegde beslagen is vertraagd - is onvoldoende voor een ander oordeel, reeds omdat dit omstandigheden zijn die voor risico van Trientalis behoren te komen. Het ondanks het uitdrukkelijk verzoek daartoe niet in het geding brengen van de jaarstukken over de jaren 2009 en 2010 en evenmin over de jaren van daarvoor, toen er nog geen sprake was van de onderhavige beslagen, komt in feite neer op een weigering van Trientalis mee te werken aan het afleggen van een deugdelijke gerechtelijke verklaring. Het gevolg daarvan is dat Trientalis de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten heeft gegeven om, al dan niet via de tussenstap van een deskundigenbericht, tot een vaststelling te komen van hetgeen Trientalis aan Promocean zal moeten afdragen, zoals is voorgeschreven in artikel 477a lid 2 Rv. Daarbij wordt overwogen dat de door Promocean overgelegde bescheiden zich vanwege het karakter daarvan niet lenen voor beoordeling door een deskundige. Onder die omstandigheden verbindt de rechtbank aan deze weigering de conclusie dat Trientalis op grond van het bepaalde in artikel 477a lid 1 Rv moet worden veroordeeld tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd, zoals onder 2.I.a primair door Promocean is gevorderde, als ware zij, Trientalis, daarvan zelf schuldenaar. Deze (primaire) vordering zal dan ook worden toegewezen.

7. De vorderingen van Promocean onder 2.II en III strekken ertoe dat Trientalis op straffe van verbeurte van een dwangsom wordt veroordeeld om Promocean schriftelijke bewijsstukken te verstrekken van de actuele omvang op dit moment en in de toekomst van al haar voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen in binnen- en buitenland, waaronder een opgave van bankrekeningen en tenaamstelling daarvan, namen en adressen van debiteuren en van alle, al dan niet deels, op haar naam geregistreerde registergoederen.

8. Bij de beoordeling van deze vordering wordt vooropgesteld dat een schuldenaar in beginsel verplicht is een schuldeiser die een veroordeling tot betaling van een geldsom jegens hem verkreeg, inlichtingen te verschaffen omtrent zijn inkomens- en vermogenspositie en omtrent voor verhaal vatbare goederen. Hoever deze op de redelijkheid en billijkheid gebaseerde verplichting reikt, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij acht moet worden geslagen op het wettelijk stelsel van informatie- en verantwoordingsverplichtingen, dat er op neerkomt dat slechts een beperkte kring van personen van een schuldenaar rekening en verantwoording danwel overlegging van de boekhouding kunnen vergen (HR 20 september 1991, NJ 1992, 552).

9. Promocean heeft in de dagvaarding, ter staving van haar stelling dat zich hier een geval als voormeld voordoet, gesteld dat ongeloofwaardig is dat “[betrokkene] en de door hem (indirect) bestuurde vennootschappen (zoals Trientalis) geen verhaal biedt voor de door hem veroorzaakte schade”, wat volgens Promocean is gelegen in de omstandigheden dat:

“(i) de beslagen vorderingen op vennootschappen zijn die aan [betrokkene] zijn gelieerd en inmiddels zijn gefailleerd, (ii) vorderingen niet opeisbaar zijn, (iii) vorderingen zijn achtergesteld, (iv) aan derden zijn verpand of (v) de beslagdebiteur stelt wegens liquiditeitsproblemen niet te kunnen betalen”. Verder heeft Promocean gesteld dat (vi) Trientalis haar verklaring niet met bescheiden heeft gestaafd, (vii) dat er “perikelen rond beslagen onroerend goed (zijn) waar de hypotheekaanspraken de waarde van het beslagene blijken te overtreffen” en (viii) dat de executie van de beslagen aandelen bijzonder tijdrovend is.

10. Dat tussen partijen een rechtsverhouding bestaat krachtens welke Trientalis jegens Promocean verplicht zou zijn zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te rechtvaardigen of verplicht zou zijn tot overlegging van de boekhouding is gesteld noch gebleken en het volgt ook niet uit de hiervoor onder 9 door Promocean aangevoerde omstandigheden. Een toewijzing van een vordering als de onderhavige zou desondanks, gelet op het onder 8 genoemde arrest, onder bepaalde omstandigheden denkbaar zijn. Hetgeen door Promocean is aangevoerd is daarvoor evenwel onvoldoende. De omstandigheden onder v, vi en viii leveren geen zelfstandige gronden op voor toewijzing van de onderhavige veroordeling en de overige omstandigheden zijn zonder toelichting, die door Promocean in het geheel niet is gegeven, onbegrijpelijk en onvoldoende om toewijzing van een vergaande vordering tot afgifte van een groot aantal justificatoire bescheiden aan een individuele schuldeiser - zoals Promocean is - te rechtvaardigen. Deze vorderingen moeten daarom worden afgewezen.

11. Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal Trientalis de kosten van de procedure moeten dragen.

In de zaak 10-2199 voorts

12. Promocean heeft thans, na wijziging van eis, gevorderd Liddok te veroordelen:

I. aan haar op grond van artikel 477a lid 4 Rv te betalen een bedrag van € 11.000,--, vermeerderd met wettelijke rente daarover vanaf 12 oktober 2009,

II. een schriftelijke en voldoende gemotiveerde en van bewijsstukken voorziene ondertekende gerechtelijke verklaring af te leggen van hetgeen zij van [betrokkene] onder zich heeft en/of aan [betrokkene] verschuldigd is en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding van [betrokkene] zal verkrijgen en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding aan [betrokkene] verschuldigd zal worden, en, nadat de rechtbank heeft vastgesteld hetgeen onder het beslag valt, Liddok te veroordelen deze bedragen aan haar te betalen,

III. indien en voor zover Liddok niet binnen 8 dagen na dit vonnis vrijwillig voldoet aan de veroordeling onder II, inzicht aan Promocean te verschaffen in alle voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen, door middel van het doen van een door een in Nederland gevestigde register-accountant - niet zijnde de registeraccountant van Liddok -

op te stellen opgave van alle voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen, bijvoorbeeld, maar daartoe niet beperkt, (i) opgave van alle door haar aangehouden rekeningen inclusief tenaamstelling en nummer, in welke vorm dan ook, bij banken zowel in Nederland als daarbuiten, (ii) opgave van debiteuren (met naam, adres, grondslag en hoogte van de vordering), (iii) opgave van alle (al dan niet deels) op naam van haar geregistreerde registergoederen etc. nu en in de toekomst,

IV. aan haar te betalen een dwangsom van € 20.000,-- per dag voor iedere dag waarop zij niet taan de hierboven sub II. genoemde veroordeling voldoet, met een maximum van € 750.000,--, te vermeerderen met wettelijke rente over deze dwangsommen vanaf de dag dat zij verschuldigd worden tot aan de dag der algehele voldoening,

V. aan haar te betalen de kosten van dit geding, met rente daarover vanaf veertien dagen na het vonnis.

13. Liddok heeft zich niet verzet tegen de wijziging van de eis, zodat de gewijzigde vorderingen moeten worden beoordeeld.

14.In het laatste tussenvonnis is Liddok de gelegenheid gegeven haar (buitengerechtelijke) verklaring, dat zij niet meer dan € 11.000,-- aan [betrokkene] verschuldigd is, te staven met afschriften van daartoe dienende bescheiden waaruit dit volgt, waaronder - maar daartoe niet beperkt - de jaarstukken van Liddok over enkele jaren voor het afleggen van de verklaring en over de jaren 2009 en 2010.

15. Liddok heeft ter voldoening daaraan overgelegd een “rekening courant Liddok B.V. met Trientalis Investments B.V. 2008 t/m 2010” waarin de eindsaldi per 31 december van ieder van die jaren is vermeld en waarin verder de opnamen en stortingen alsmede de rente over de boekjaren 2009 en 2010 zijn vermeld. Verder heeft Liddok overgelegd haar jaarrekeningen over de jaren 2008 t/m 2010.

Promocean heeft de juistheid van de door Liddok gedane verklaring betwist Zij heeft er concreet op gewezen dat in de toelichtingen op de balansen per 31 december 2008 en 2009 staat dat Liddok een huurverplichting is aangegaan tot en met 2016 voor een (jaarlijks te indexeren) huursom van € 130.000,--. Het moet er volgens Promocean voor worden gehouden dat Liddok huurt van [betrokkene], zodat deze huurpenningen (tot 25 oktober 2011 door Promocean berekend op € 281.666,--) ook onder het gelegde beslag vallen. Daarmee staat volgens Promocean vast dat de verklaring van Liddok dat zij slechts € 11.000,-- aan [betrokkene] verschuldigd is, ondeugdelijk is. Daarom moet volgens haar door de rechtbank worden vastgesteld dat, behalve de in de verklaring genoemde € 11.000,--, ook het bedrag van € 281.666,-- wegens huurpenningen onder het beslag valt.

16. Wat betreft de laatstbedoelde stelling geldt het volgende. Dat het bij de in de toelichting op de jaarstukken bedoelde huur zou gaan om een huurovereenkomst tussen Liddok en [betrokkene] heeft Promocean in het geheel niet toegelicht en het ligt, gegeven het door Promocean als productie 8 bij de dagvaarding overgelegde vonnis van deze rechtbank van 7 juli 2010, ook niet voor de hand om aan te nemen dat dat zo is. Aangenomen moet worden dat met de in de toelichting genoemde huurovereenkomst wordt bedoeld de huur van een pakhuis in Koblenz. Uit de rechtsoverwegingen 4.32 t/m 4.40 in laatstgenoemd vonnis volgt dat onduidelijk is wie de huurder van dat pakhuis is, maar dat wel duidelijk is dat de verhuurder aan wie de huurpenningen moeten worden betaald niet Liddok is, maar [betrokkene 2] uit Koblenz. Deze betwisting van de verklaring door Promocean moet dan ook als onvoldoende toegelicht worden gepasseerd. Voor het overige heeft Promocean de verklaring en de ter staving daarvan door Liddok in het geding gebrachte jaarstukken niet concreet betwist en heeft zij ook niet gesteld dat daaruit volgt dat Liddok overigens nog iets verschuldigd is aan [betrokkene], zodat er thans van moet worden uitgegaan dat de verklaring van Liddok, dat zij € 11.000,-- aan [betrokkene] verschuldigd is, juist is. Promocean heeft geen nadere feiten en omstandigheden aangevoerd die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Voor een bewijsopdracht is daarom geen plaats.

17. De conclusie is dat de vorderingen onder 8.I en II toewijsbaar zijn, zij het, wat betreft de vordering onder II, tot een bedrag van € 11.000,--. De hierover gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf de onweersproken datum van ingang, 12 oktober 2009. Onder deze omstandigheden en mede gelet op hetgeen hiervoor onder 8 t/m 10 is overwogen, moeten de vorderingen onder 8.III en IV worden afgewezen.

18. Nu achteraf is gebleken dat de door Liddok gedane buitengerechtelijke verklaring juist was, moet Promocean de kosten van de procedure dragen.

In de zaak 10-2200 voorts

19. In het laatste tussenvonnis was al overwogen en beslist dat de daar genoemde vordering onder 4.I toewijsbaar is en dat de vorderingen onder 4.II en 4.IV moeten worden afgewezen. Gelet op hetgeen in dat vonnis onder de rechtsoverwegingen 21 en 22 is overwogen en op hetgeen hiervoor onder 8 t/m 10 is overwogen, moeten ook de vorderingen onder 4.V en VI worden afgewezen.

20. Nu achteraf is gebleken dat de door XLR8 gedane buitengerechtelijke verklaring ten aanzien van Trientalis juist was, moet Promocean de kosten van de procedure dragen, behoudens, zo als al in het laatste tussenvonnis onder 24 is overwogen, wat betreft de kosten van de akte van wijziging van eis van Promocean. Die kosten behoren, om redenen als daar vermeld, voor rekening van XLR8 te komen.

De beslissing

De rechtbank

In de zaak 10-2198

veroordeelt Trientalis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Promocean te betalen een bedrag van € 909.990,24 (zegge: negenhonderdnegenduizend negenhonderdnegentig euro en vierentwintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 28 juli 2010 tot aan de dag der algehele voldoening,

veroordeelt Trientalis in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van Promocean begroot op € 6.450,-- voor salaris en op € 3.602,89 wegens verschotten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening,

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders gevorderde,

in de zaak 10-2199

bepaalt dat Liddok € 11.000,-- aan [betrokkene] verschuldigd is,

veroordeelt Liddok tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Promocean te betalen een bedrag van € 11.000,-- (zegge: elfduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 12 oktober 2009 tot de dag der algehele voldoening,

veroordeelt Promocean in de kosten van de procedure tot op heden aan de zijde van Liddok begroot op € 1.356,-- voor salaris en op € 560,-- wegens griffierecht,

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders gevorderde,

In de zaak 10-2200

bepaalt dat XLR8 € 203.017,94 aan Trientalis verschuldigd is,

veroordeelt XLR8 tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Promocean te betalen een bedrag van € 203.017,94 (zegge: tweehonderddrieduizend zeventien euro en vierennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 28 juli 2010 tot de dag der algehele voldoening,

veroordeelt Trientalis in de kosten van de procedure voor zover het betreft de hiervoor onder 20 bedoelde akte aan de zijde van Promocean, begroot op € 1.000,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening,

veroordeelt Promocean in de kosten van de procedure tot op heden aan de zijde van Trientalis begroot op € 4.000,-- voor salaris en op € 3.490,-- wegens griffierecht,

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2012.

Coll.: ED