Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BV7063

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
15-02-2012
Datum publicatie
28-02-2012
Zaaknummer
222761
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:7467, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incidentele vordering tot afgifte van bescheiden (art. 843a Rv). Vordering afgewezen omdat eiseres in het incident geen rechtmatig belang heeft bij haar vordering en omdat de vordering te ruim is geformuleerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 222761 / HA ZA 11-1481

Vonnis in incident van 15 februari 2012

in de zaak van

[verweerder in het incident],

handelend onder de naam PMP Software,

wonende te [woonplaats],

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,

tegen

de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK WOUDENBERG-LUNTEREN U.A.,

gevestigd te Lunteren,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.

Partijen zullen hierna [verweerder in het incident] en Rabobank worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord tevens houdende verzoek tot inzage en afschrift bescheiden ex artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv)

- de conclusie van antwoord in het incident.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De feiten

2.1. In het kader van het incident gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

2.2. Bij brief van 17 januari 2011 is [verweerder in het incident] door [betrokkene] GWW B.V. (hierna: [betrokkene]) aansprakelijk gesteld voor de schade die voor [betrokkene] voortvloeit uit een fout in het softwarepakket dat zij in 1995 van [verweerder in het incident] had gekocht.

2.3. [verweerder in het incident] heeft de schade gemeld bij Rabobank, sinds 2002 zijn assurantietussenpersoon. Rabobank heeft de schademelding doorgeleid aan Aegon Schadeverzekering N.V. (hierna: Aegon), de aansprakelijkheidsverzekeraar van [verweerder in het incident]. Aegon heeft daarop laten weten dat zij de kwestie niet in behandeling neemt, omdat de schade bestaat uit zuivere vermogensschade en de verzekering daarvoor geen dekking biedt.

2.4. Bij brief van 4 april 2011 heeft [verweerder in het incident] Rabobank aansprakelijk gesteld voor de schade die voor [verweerder in het incident] voortvloeit uit het feit dat zijn beroepsaansprakelijkheidsrisico niet is verzekerd. Vervolgens hebben partijen over deze kwestie gecorrespondeerd, hetgeen niet tot een oplossing heeft geleid.

3. Het geschil in de hoofdzaak

3.1. [verweerder in het incident] vordert in de hoofdzaak, samengevat:

a) een verklaring voor recht dat Rabobank jegens [verweerder in het incident] niet heeft gehandeld als een redelijk handelend en redelijk bekwaam assurantietussenpersoon, alsmede dat Rabobank gehouden is de schade die hieruit voor [verweerder in het incident] voortvloeit te vergoeden;

b) een verklaring voor recht dat er, wanneer Rabobank jegens [verweerder in het incident] zou hebben gehandeld als een redelijk handelend en redelijk bekwaam assurantietussenpersoon, voor de claim van [betrokkene] op [verweerder in het incident] verzekeringsdekking zou hebben bestaan onder een beroepsaansprakelijkheidsverzekering voor ICT-bedrijven;

c) veroordeling van Rabobank tot afwikkeling van de schadeclaim van [betrokkene] op PMP Software als ware Rabobank de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van [verweerder in het incident], met als toepasselijke polisvoorwaarden de algemene voorwaarden beroepsaansprakelijkheidsverzekering Schouten Insurance Internationale B.V. SII 2008 BAI (model 010411) en een verzekerde som van € 1.000.000,00 alsmede een eigen risico van € 2.500,00;

d) veroordeling van Rabobank in de proceskosten;

één en ander uitvoerbaar bij voorraad.

3.2. [verweerder in het incident] legt aan zijn vorderingen, kort gezegd, ten grondslag dat Rabobank niet heeft voldaan aan haar zorgplicht als redelijk handelend en redelijk bekwaam assurantietussenpersoon, door hem niet te adviseren een verzekering af te sluiten die dekking biedt voor zuivere vermogensschade. Volgens [verweerder in het incident] moet Rabobank de schade vergoeden die voor hem uit deze beroepsfout voortvloeit.

3.3. Rabobank voert verweer en heeft daarnaast een incident ex artikel 843a Rv opgeworpen.

4. De vordering en het verweer in het incident

4.1. Rabobank vordert in het incident dat de rechtbank [verweerder in het incident] gebiedt nadere bescheiden zoals, maar niet beperkt tot, brieven, e-mails en/of een overeenkomst over te leggen omtrent de afspraken/de overeenkomst met [betrokkene].

4.2. Volgens Rabobank blijkt uit de feiten en omstandigheden dat er zeer waarschijnlijk een afspraak of overeenkomst geldt tussen [verweerder in het incident] en [betrokkene]. Rabobank ziet niet in wat anders de reden is dat [betrokkene] nog niet haar vordering tegen [verweerder in het incident] in rechte heeft laten vaststellen. Het bestaan van een afspraak of overeenkomst blijkt bovendien uit de omstandigheid dat de advocaat van [verweerder in het incident] e-mails van [verweerder in het incident] inbrengt die door haar rechtstreeks zijn geprint terwijl zij deze niet doorgestuurd heeft gekregen, zo stelt Rabobank. Rabobank voert aan dat deze afspraak of overeenkomst tussen [verweerder in het incident] en [betrokkene] alsmede “de correspondentie daar omheen” waaruit de (rechts)verhouding tussen [verweerder in het incident] en [betrokkene] of haar verzekeraar blijkt, van groot belang is voor de rechtsverhouding tussen [verweerder in het incident] en Rabobank.

4.3. [verweerder in het incident] voert verweer in het incident. Hij stelt zich op het standpunt dat Rabobank geen rechtmatig belang heeft bij haar vordering tot overlegging van nadere bescheiden aangaande de afspraken tussen [verweerder in het incident] en [betrokkene], althans dat een behoorlijke rechtspleging ook is gewaarborgd zonder verschaffing van de gevraagde gegevens. Volgens [verweerder in het incident] is voor de beslissing op zijn vorderingen in de hoofdzaak niet van belang of er afspraken zijn gemaakt tussen hem en [betrokkene] en, zo ja, wat de inhoud van die afspraken is. Deze afspraken beïnvloeden volgens [verweerder in het incident] niet het antwoord op de vraag of Rabobank jegens hem heeft gehandeld als een redelijk handelend en redelijk bekwaam assurantietussenpersoon. Overigens betwist [verweerder in het incident] het bestaan van dergelijke afspraken. Verder voert [verweerder in het incident] aan dat de bescheiden waarvan Rabobank afgifte vraagt geen betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarbij Rabobank partij is.

4.4. De rechtbank zal hierna, voor zover van belang, nader ingaan op de stellingen van partijen.

5. De beoordeling in het incident

5.1. Artikel 843a Rv heeft betrekking op de situatie dat een schriftelijk bewijsmiddel aan een partij in beginsel bekend is, maar niet in haar bezit. In dat geval bestaat een bijzondere exhibitieplicht. Er is geen sprake van een algemeen inzagerecht. Een partij kan slechts om inzage vragen in bepaalde, met name genoemde stukken. Daarnaast stelt artikel 843a Rv als voorwaarden dat de partij die om inzage vraagt daarbij een rechtmatig belang heeft en dat het gaat om stukken met betrekking tot een rechtsverhouding waarin deze partij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn.

5.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Rabobank geen rechtmatig belang bij haar incidentele vordering. Rabobank stelt en onderbouwt immers niet concreet dat en in hoeverre zij in de onderhavige zaak wordt gehinderd door het niet beschikken over de gevraagde bescheiden en, in het verlengde daarvan, waarom het voor de beoordeling van het onderhavige geschil relevant is dat die bescheiden op tafel komen. Rabobank stelt enkel dat de stukken van groot belang zijn voor de rechtsverhouding tussen haar en [verweerder in het incident], maar onderbouwt niet waarom dit volgens haar het geval is. De incidentele vordering stuit al hierop af.

5.3. Daar komt nog bij dat de incidentele vordering van Rabobank dermate ruim is geformuleerd, dat niet kan worden gesproken van een verzoek om inzage in bepaalde, met name genoemde stukken. Rabobank vordert immers afschrift van “nadere bescheiden zoals, maar niet beperkt tot, brieven, e-mails en/of een overeenkomst”, “omtrent de afspraken/de overeenkomst met [betrokkene]”. Rabobank heeft de gevraagde bescheiden niet nader aangeduid dan hiervoor is geciteerd. Daarmee is geen sprake van “bepaalde” bescheiden in de zin van artikel 843a Rv.

5.4. De conclusie luidt dat de incidentele vordering moet worden afgewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering niet kunnen dragen.

5.5. Rabobank zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [verweerder in het incident] worden begroot op € 452,00 wegens salaris advocaat (1,0 punt, tarief € 452,00).

6. De beoordeling in de hoofdzaak

6.1. De rechtbank zal een comparitie bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

6.2. De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen – ook in het nadeel van die partij – kan maken die zij geraden zal achten.

6.3. De behandeling van de zaak ter comparitie zal in beginsel de volgende onderwerpen bevatten. De rechter zal beginnen met een aantal formaliteiten. Vervolgens zal de rechter zo nodig vragen stellen over de feiten en over de standpunten van partijen waarin inzicht moet bestaan om tot een oordeel te kunnen komen.

6.4. In beginsel zal ter comparitie niet de gelegenheid worden geboden om te pleiten, waarbij onder pleiten wordt verstaan het juridisch beargumenteren van de zaak aan de hand van een voorbereide, uitgeschreven pleitnotitie.

6.5. Op de comparitie zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden nagegaan hoe de verdere gang van de procedure moet zijn. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking of inschakeling van een mediator aan de orde komen.

6.6. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de rechtbank een mondeling tussenvonnis kan wijzen. Ter zitting kan aan de orde komen of een deskundigenonderzoek noodzakelijk is, welke vragen moeten worden beantwoord en wie partijen als deskundige benoemd willen zien. De zitting eindigt met een aantal formaliteiten.

7. De beslissing

De rechtbank

in het incident

7.1. wijst het gevorderde af,

7.2. veroordeelt Rabobank in de kosten van het incident, aan de zijde van [verweerder in het incident] tot op heden begroot op € 452,00,

7.3. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

7.4. beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. M.J.P. Heijmans in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

7.5. bepaalt dat [verweerder in het incident] dan in persoon aanwezig moet zijn en dat Coöperatieve Rabobank Woudenberg-Lunteren U.A. dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

7.6. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 29 februari 2012 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op de maandagen en woensdagen in de maanden maart tot en met mei 2012, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,

7.7. bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,

7.8. bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

7.9. wijst partijen er op, dat voor de zitting twee uur zal worden uitgetrokken.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.P. Heijmans en in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2012.