Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BV7032

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
15-02-2012
Datum publicatie
27-02-2012
Zaaknummer
205375
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewijswaardering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 205375 / HA ZA 10-1793

Vonnis van 15 februari 2012

in de zaak van

de vennootschap naar hongaars recht

EURES START HUNGARIA KFT,

gevestigd te Tenyo, Hongarije,

eiseres,

advocaat mr. J.M.J. Kosman te Mierlo (gemeente Geldrop-Mierlo),

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BOKA FLEX B.V.,

gevestigd te Zevenaar,

gedaagde,

advocaat mr. F.J.M. Kobossen te Apeldoorn.

Partijen zullen hierna Eures en Boka Flex genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 30 maart 2011,

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 4 juli 2011,

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 3 oktober 2011,

- de rolverwijzing van 11 oktober 2011,

- de conclusie na enquête van Boka Flex van 16 november 2011,

- de antwoordconclusie na enquête van Eures van 14 december 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. De rechtbank handhaaft hetgeen zij heeft overwogen en beslist in het vonnis van 30 maart 2011. In dat vonnis is Boka Flex opgedragen te bewijzen dat partijen in april 2009 ter zake van de vordering(en) die zij op dat moment op elkaar hadden, zijn overeengekomen elkaar over en weer finale kwijting te verlenen, zodat zij niets meer van elkaar te vorderen hadden. Ter uitvoering van deze bewijsopdracht zijn in enquête de heer [ ] [getuige 1] (hierna: [getuige 1]), 50% aandeelhouder van Boka Flex, en de heer [ ]. [getuige 2] (hierna: [getuige 2]), directeur en eigenaar van Boka Flex gehoord. In contra-enquête zijn de heer [ ]. [getuige 3] (hierna: [getuige 3]), directeur en eigenaar van Eures, gehoord en de heer [ ] [getuige 4] (hierma: [getuige 4]), als werknemer in dienst bij Eures.

2.2. De vraag die voorligt is of Boka Flex het haar opgedragen bewijs heeft geleverd. Bij de waardering van het bijgebrachte bewijs wordt voorop gesteld dat de getuigenverklaring van [getuige 2], gelet op het feit dat hij ten tijde van het getuigenverhoor (en destijds in 2009) directeur en eigenaar is van Boka Flex, heeft te gelden als een partijgetuigeverklaring (HR 22 december 1995, NJ 1997, 22 en 23). Nu Boka Flex de bewijslast heeft, is deze partijgetuigeverklaring onderworpen aan de beperking van artikel 164 lid 2 Rv. Dat betekent dat de verklaring van [getuige 2] geen bewijs in het voordeel van Boka Flex kan opleveren indien geen aanvullende bewijzen voorhanden zijn, die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijverklaring voldoende geloofwaardig maken (HR 13 april 2001, NJ 2002, 391).

2.3. [getuige 1] heeft verklaard dat hij ten tijde van het gesprek in april 2009 als boekhouder in dienst was bij Boka Flex. Ook was hij destijds aandeelhouder van Boka Flex. Het gesprek vond plaats in het accountantskantoor waar hij destijds vennoot van was (in dat gebouw was tevens Boka Flex gevestigd). Bij het gesprek, dat was geïnitieerd door Boka Flex, waren aanwezig [getuige 3], [getuige 2] en hijzelf. Tijdens het gesprek is gesproken over de openstaande nota’s van Eures en de vordering van Boka Flex op Eures. [getuige 3] heeft toen de vordering die Boka Flex had op Eures erkend. In het gesprek is afgesproken dat over en weer finale kwijting zou worden verleend, aldus de verklaring van [getuige 1]. Beide partijen wilden immers een streep zetten onder het geschil. [getuige 1] heeft voorts verklaard dat hij niet meer weet wat [getuige 3] precies heeft gezegd en hoe hij exact heeft gereageerd op het voorstel om de vorderingen tegen elkaar weg te strepen. Na het gesprek hebben partijen elkaar de hand gegeven en is vervolgens een jaar lang niets meer van Eures vernomen. De afspraak van finale kwijting was duidelijk, maar is niet met een handtekening bevestigd. Er was immers over en weer veel vertrouwen, aldus [getuige 1].

2.4. [getuige 2] heeft verklaard dat het gesprek in april 2009 plaats vond op het kantoor van [getuige 1] en [betrokkene]. Daarbij waren aanwezig [getuige 3], [getuige 1] en hijzelf. [getuige 2] heeft verklaard dat hij [getuige 3] voor een gesprek heeft uitgenodigd, omdat [getuige 3] meende dat hij nog geld van Boka Flex kreeg. Tijdens het gesprek is gesproken over de facturen van Eures die nog betaald moesten worden en een schadepost die Boka Flex had door toedoen van [getuige 3]. [getuige 3] heeft toen erkend dat Boka Flex ook een vordering op hem had. [getuige 2] heeft voorts verklaard dat hij aan [getuige 3] heeft voorgesteld om er een streep onder te zetten en elkaar finale kwijting te geven. [getuige 3] is daarmee akkoord gegaan. Wat [getuige 3] over dit voorstel heeft gezegd kan [getuige 2] zich niet herinneren. [getuige 3] heeft het voorstel bevestigd en toen zijn partijen uit elkaar gegaan. Er is niets vastgelegd over deze afspraak. [getuige 2] heeft ten slotte verklaard dat hij niet weet of Boka Flex in april 2009 haar vordering al aan Eures had gefactureerd.

2.5. [getuige 3] heeft verklaard dat in de periode december 2008 – januari 2009 tussen partijen diverse gesprekken zijn gevoerd over de niet betaalde facturen van Eures. In april 2009 heeft het laatste gesprek tussen partijen plaatsgevonden op het kantoor van Boka Flex. [getuige 3] heeft voorts verklaard dat hij door Boka Flex is uitgenodigd en dat hij daarop heeft aangegeven dat hij alleen zou komen als toegezegd zou worden dat alles betaald zou worden. [getuige 1] heeft tijdens het gesprek verklaard dat alles goed zou komen, alles zou worden betaald. Tijdens het gesprek is voorts gesproken over de vordering van Boka Flex op Eures in verband met huur en schade. Deze vordering is erkend. Deze vordering zou later worden rechtgetrokken door aftrek van de openstaande posten. De woorden finale kwijting of regeling zijn tijdens het gesprek niet gevallen. Het gesprek is vervolgens afgesloten met de mededeling van [getuige 1] dat hij zou bellen als de problemen op de bouw in kaart waren gebracht en dat dan deze zaak zou worden afgesloten. Deze problemen op de bouw zijn in een later stadium door Eures zelf opgelost.

2.6. [getuige 4] heeft verklaard dat hij van september/oktober 2008 tot maart 2009 als bedrijfsleider in dienst was bij Boka Flex. Over het gesprek in april 2009 heeft [getuige 4] geen verklaringen afgelegd. [getuige 4] heeft wel verklaard dat [getuige 1] eind maart 2009 over de openstaande facturen van Eures tegenover hem heeft gezegd dat hij zich daar niet druk over hoefde te maken en dat het tijd nodig zou hebben, maar dat het goed zou komen.

2.7. De rechtbank constateert dat de verklaringen van de getuigen op essentiële punten ten aanzien van de inhoud van het gesprek in april 2009 uiteen lopen. Kort samengevat volgt uit de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] dat tussen partijen finale kwijting zou zijn afgesproken. Uit de verklaring van [getuige 3] volgt echter dat tussen partijen geen finale kwijting is afgesproken, maar wel dat Boka Flex alle openstaande facturen van Eures zou gaan betalen en dat de vordering van Boka Flex op Eures daarmee verrekend zou gaan worden (zodra daarover meer duidelijkheid zou zijn verkregen). [getuige 4] heeft over het gesprek in april 2009 geen verklaringen afgelegd.

2.8. Zoals reeds is overwogen (rov. 2.2), kan voor het bewijs niet louter worden afgegaan op de verklaring van de partijgetuige [getuige 2]. Ten aanzien van [getuige 1] heeft bovendien te gelden dat hij weliswaar geen partij getuige is in de zin van artikel 164 lid 2 Rv, echter hij was ten tijde van het gesprek in april 2009 wel in dienst bij Boka Flex en uit dien hoofde bij het gesprek namens Boka Flex aanwezig. Bovendien is hij thans houder van 50% van de aandelen van Boka Flex. In dat kader – mede in het licht van de verklaringen van zowel [getuige 1] als [getuige 2] dat zij zich niet herinneren wat door [getuige 3] is geantwoord op hun voorstel tot finale kwijting en het feit dat over de vermeende finale kwijting geen schriftelijke stukken voorhanden zijn – is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] niet kunnen leiden tot het bewijs dat is opgedragen, nu daar ook de verklaring van [getuige 3] tegenover staat.

2.9. Uit het voorgaande volgt dat Boka Flex er niet in is geslaagd het aan haar opgedragen bewijs te leveren. De brief van 4 mei 2009 die Boka Flex bij haar conclusie na enquête nog in het geding heeft gebracht maakt dit niet anders. Dit betreft immers een brief van [getuige 1] aan [getuige 2] en vult in zoverre dus niets aan op hetgeen deze (partij)getuige(n) hebben verklaard ten aanzien van de inhoud van het gesprek in april 2009. Uitgangspunt voor de beoordeling van het geschil moet nu dan ook zijn dat tussen partijen geen finale kwijting is afgesproken. Omdat Boka Flex voor het overige niets heeft aangevoerd op grond waarvan zij niet gehouden zou zijn om de facturen van Eures te voldoen zal de vordering van Eures tot veroordeling van Boka Flex tot betaling van het bedrag € 25.897,42 worden toegewezen (verwezen wordt naar r.o. 4.4 tot en met 4.7. van het tussenvonnis van 30 maart 2011).

2.10. Eures zal overeenkomstig hetgeen is overwogen in r.o. 4.8. van het tussenvonnis van 30 maart 2011 in de gelegenheid worden gesteld om het gevorderde rente bedrag ad € 4.140,50, gezien de eisvermindering aan te passen aan het thans in hoofdsom gevorderde en toe te wijzen bedrag.

2.11. Ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten wordt thans overwogen dat Eures in het licht van de betwisting door Boka Flex voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht en heeft laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. Het gevorderde bedrag ad € 1.158,00 aan buitengerechtelijke kosten is in overeenstemming met de gebruikelijke tarieven en zal dienovereenkomstig worden toegewezen.

3. De beslissing

De rechtbank,

3.1. bepaalt de zaak weer op de rol zal komen van 29 februari 2012 voor het nemen van een akte door Eures als bedoeld in r.o. 2.10., waarna Boka Flex op de rol van twee weken daarna haar antwoordakte kan nemen,

3.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Bokx-Boom en in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2012.

Coll.: AB