Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BV7015

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
15-02-2012
Datum publicatie
27-02-2012
Zaaknummer
217350
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omvangrijk geschil tussen voerleverancier en aantal klanten. In conventie wordt betaling van facturen voor voerleveranties gevorderd. Partijen twisten o.a. over de vraag wie debiteur is.

In reconventie vorderen gedaagden schadevergoeding op grond van onrechtmatig gelegde beslagen en onrechtmatige uitlatingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 217350 / HA ZA 11-988

Vonnis van 15 februari 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Ederveen, gemeente Ede,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. N.G. Cornelissen te Enschede,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GIVEX EUROPE B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Scherpenzeel,

2. [gedaagde],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GIVAR NEDERLAND B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Scherpenzeel,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HVG VARKENS B.V.,

statutair gevestigd te Den Ham, gemeente Twenterand, doch kantoorhoudende te Scherpenzeel,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. J.S. Wurfbain te Ede.

Eiseres in conventie zal hierna worden aangeduid als [eiseres]; gedaagden in conventie zullen gezamenlijk Givex c.s. of afzonderlijk Givex, [gedaagde sub 2], Givar en HVG genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 31 augustus 2011

- het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 25 november 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Givar is een 100% dochtermaatschappij van de besloten vennootschap Givar B.V. De aandelen in Givar B.V. worden voor gelijke delen gehouden door de beheersvennootschappen van [gedaagde sub 2] ([gedaagde sub 2] B.V.), [betrokkene 1] ([betrokkene 2] B.V.) en [betrokkene 2] (HVG), verder tezamen ook te noemen: [gedaagde sub 2, betrokkene 1 en 2], of afzonderlijk: [gedaagde sub 2], [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Givex is een 100% dochtermaatschappij van HVG. De vennootschappen drijven ondernemingen voor het houden van, het transport van, en de handel in, varkens en pluimvee.

2.2. [eiseres] is leverancier van varkens- en pluimveevoer aan Givex, [gedaagde sub 2] en HVG. Betaling geschiedt op basis van facturen die [eiseres] aan hen verzendt.

2.3. [eiseres] was eigenaar van varkens in een stal van HVG te Wekerom. In opdracht en voor rekening van [eiseres] droeg HVG zorg voor huisvesting en verzorging van deze varkens. De afspraken daaromtrent zijn laatstelijk vastgelegd in een overeenkomst van 15 juni 2007. [eiseres] was daarvoor een maandelijkse huur van € 18.330,- aan HVG verschuldigd. In deze stallen verbleven ook kippen van HVG, waarvoor [eiseres] voer leverde.

2.4. Bij akte van 7 maart 2011 hebben onder andere Givex en Givar aan de Coöperatieve Rabobank Woudenberg-Lunteren U.A. gevestigd te Lunteren, gemeente Ede (verder te noemen: de Rabobank), tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de Rabobank blijkens haar administratie te vorderen heeft van Givex en Givar uit hoofde van - kort gezegd - geldleningen en kredieten, in pand gegeven al hun roerende zaken, waaronder levende have, rechten en vorderingen.

2.5. Een e-mailbericht van Givar aan de Rabobank, met copie conform aan [gedaagde sub 2] en [betrokkene 2], van 24 maart 2011 bevat onder meer de volgende passages:

“Zoals we besproken hebben is er een nieuwe BV opgericht (Givar Varkenshouderij BV) en gaat die verder met het mesten van de varkens.

Deze BV is opgericht door Givar BV zodat u beter overzicht heb binnen het hele Givar gebeuren.

Wat betreft Givex Europe BV hebben we besloten om er niet mee verder te gaan, dus ook niet voor de buitenlandse handel.

De buitenlandse handel gaat hierna ook gewoon over naar Givar Nederland B[gedaagde sub 2] sub 2] BV en [betrokkene 2] BV verkopen de aandelen van de lege BV dan aan H.V.G. Varkens BV. Die hem voor de Kippen gaat gebruiken.

(…)

Per 1 april wordt de complete veestapel en voorraad veevoer door Givex Europe BV verkocht en overgenomen door Givar Varkenshouderij BV.

(…)

Givar Nederland BV heeft nu +/- € 650.000,- aan Givex Europe BV geleend, dit bedrag zal zo meteen ten goede komen aan de handel / rek crt. In Givar Nederland BV.”

2.6. In een onderhandse akte van 29 maart 2011 is een overeenkomst tot stille verpanding vastgelegd, aangegaan door [eiseres] als pandhouder en Givex als pandgever. De akte is voor Givex ondertekend door [gedaagde sub 2, betrokkene 1 en 2]. De overeenkomst bevat onder meer de volgende bepalingen en bedingen:

“De pandgever verklaart hierbij ten behoeve van [ ] [eiseres] mengvoeders BV tot meerdere zekerheid voor de voldoening van hetgeen de pandhouder aan [ ] [eiseres] mengvoeders BV nu of te eniger tijd mocht blijken verschuldigd te zijn, uit welken hoofde ook, in eerste pand te geven, respectievelijk reeds nu voor alsdan in eerste pand te geven, welke inpandgeving [ ] [eiseres] mengvoeders BV hierbij verklaar aan te nemen :

Zijn gehele levende have onder meer bestaande uit :

Alle varkens welke de pandgever reeds nu toebehoren, respectieve zullen gaan toebehoren op de in de bijlage genoemde adressen :

Bevoegdheid

De pandgever verklaart dat hij tot het verpanden van de verpande goederen bevoegd is en dat op die goederen geen beperkte rechten rusten.

Overige bepalingen

1. [ ] [eiseres] mengvoeders BV doet reeds nu voor alsdan afstand van haar pandrecht op de varkens die binnen het kader van een normale bedrijfsuitoefening overeenkomst hun aard en bestemming worden vervreemd. Tot andere daden van beschikking is de pandgever zonder schriftelijk toestemming van [ ] [eiseres] mengvoeders BV niet bevoegd.

2. De Pandgever is verplicht de netto-opbrengst aan [ ] [eiseres] mengvoeders BV af te dragen. Wordt anders dan tegen contante betaling verkocht, dan is de pandgever gehouden terstond alle vorderingen uit hoofde van de transactie met betrekking tot de varkens in eerste pand te geven aan [ ] [eiseres] mengvoeders BV en/of wissels of anders handelspapieren, aan [ ] [eiseres] mengvoeders BV geëndosseerd, ten titel van verpanding aan haar te overhandigen.

(…)

Dit alles dient tot meerdere zekerheid van de terugbetaling van al hetgeen de pandhouder van de pandgever nu of op een later tijdstip heeft of mocht hebben uit hoofde van geleverde voeders en/of gefinancierde varkens.”

2.7. Bij deze pandovereenkomst hoort een “Bijlage 1 Behorende bij de overeenkomst tot verpanding van levende tussen [ ] [eiseres] mengvoeders BV en Givex Europe BV”. Daarin zijn, voor zover hier van belang, de volgende adressen vermeld:

1. Givex BV / stal [adres] 22 [adres] 22 [woonplaats]

2. Givex BV / stal [woonplaats] [adres] 34 [woonplaats]

2.8. Bij de stukken zit een nota d.d. 31 maart 2011 ad € 778.800,--. Deze nota heeft betrekking op de verkoop van varkens door Givex aan Givar.

2.9. Met verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft [eiseres]:

- voor een vordering begroot op € 777.000,- conservatoir beslag doen leggen op onroerende en roerende zaken, waaronder levende have, toebehorend aan [gedaagde sub 2] (beschikking van de voorzieningenrechter van 18 mei 2011);

- ten laste van Givex voor een vordering begroot op € 697.000,- conservatoir verhaalsbeslag doen leggen op roerende zaken, waaronder levende have, alsmede conservatoir derdenbeslag op gelden, vorderingen, waardepapieren en/of roerende zaken die vijf met name genoemde banken onder zich hebben (beschikking van 18 mei 2011);

- ten laste van Givar voor een vordering begroot op € 697.000,- conservatoir verhaalsbeslag doen leggen op roerende zaken, waaronder levende have (beschikking van 31 mei 2011);

- voor een vordering begroot op € 93.000,- conservatoir derdenbeslag ten laste van HVG doen leggen op aan deze toekomende gelden, vorderingen, waardepapieren en roerende zaken die de besloten vennootschap Pluimveeverwerking [X] B.V. te [woonplaats] onder zich heeft (beschikking van 7 juni 2011).

2.10. In juni 2011 zijn in diverse (regionale) media berichten verschenen over de hiervoor bedoelde beslagen.

2.11. Op vordering van [eiseres] heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij vonnis in kort geding van 8 juli 2011, voor zover hier van belang:

1. Givex veroordeeld om bij wijze van voorschot aan [eiseres] te betalen € 536.888,61;

2. HVG veroordeeld om bij wijze van voorschot aan [eiseres] te betalen € 30.087,59;

3. HVG verboden om aan [eiseres] toebehorende varkens te vervreemden en/of de opbrengsten daarvan zich wederrechtelijk toe te eigenen;

4. HVG veroordeeld tot betaling van een dwangsom van € 250,- per varken indien zij het onder 3 bedoelde verbod overtreedt, tot een maximum van € 100.000,-.

2.12. Ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 24 augustus 2011, gehouden naar aanleiding van een vordering in kort geding van de besloten vennootschappen Givar Varkenshouderij B.V., Givar B.V. en [gedaagde sub 2] tegen [eiseres] en Givex, hebben de partijen in dat geding een regeling van de volgende inhoud getroffen, voor zover hier van belang:

1. Givex betaalt binnen drie weken na de datum van de zitting € 75.000,- aan [eiseres] in mindering op haar schuld aan [eiseres]. De betaling heeft betrekking op de langst openstaande facturen;

2. [gedaagde sub 2, betrokkene 1 en 2] staan persoonlijk garant voor de betaling door Givex van € 75.000, ;

3. alle beslagen onder Givex worden door [eiseres] opgeheven nadat het bedrag van € 75.000,- is betaald.

2.13. Op vordering van [eiseres] heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij vonnis in kort geding van 21 oktober 2011, voor zover hier van belang:

1. HVG veroordeeld om bij wijze van voorschot aan [eiseres] te betalen € 223.412,50;

2. HVG veroordeeld om met betrekking tot de afgevoerde varkens binnen twee weken na betekening van het vonnis de nota’s van afrekening van de slachthuizen dan wel bewijsstukken dat de varkens geen waarde meer vertegenwoordigen en vernietigd zijn aan [eiseres] over te leggen.

3. Het geschil in conventie

3.1. [eiseres] vordert na reeds toegestane wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. Givex zal veroordelen om aan haar tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 461.888,61, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke handelsrente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, althans een zodanige beslissing als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

II. a. primair [gedaagde sub 2], dan wel, indien de vordering tegen hem niet toewijsbaar is,

b. subsidiair Givex zal veroordelen om aan haar tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 345.503,-, te vermeerderen met de verschuldigde contractuele rente ad 6% per jaar, althans de wettelijke handelsrente ex 6:119a BW, althans de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, tot aan de dag der algehele voldoening, althans een zodanige beslissing als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

III. a. primair [gedaagde sub 2], dan wel, indien de vordering tegen hem niet toewijsbaar is,

b. subsidiair Givex zal veroordelen om aan haar tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 257.836,31, te vermeerderen met de verschuldigde contractuele rente ad 6% per jaar, althans de wettelijke handelsrente ex 6:119a BW, althans de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, tot aan de dag der algehele voldoening, althans een zodanige beslissing als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

IV. HVG zal veroordelen om aan haar tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 131.369,01, te vermeerderen met de verschuldigde contractuele rente ad 6% per jaar, althans de wettelijke handelsrente ex 6:119a BW, althans de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, tot aan de dag der algehele voldoening, althans een zodanige beslissing als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

V. a. voor recht zal verklaren dat Givex c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [eiseres] ten gevolge van de, door de op of omstreeks 31 maart 2011 plaatsgevonden hebbende verkoop door Givex aan Givar van diens biggen c.q. varkens, aan het verhaal onttrokken biggen c.q. varkens geleden en/of nog te lijden schade, althans een zodanige beslissing als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

b. Givex c.s. hoofdelijk zal veroordelen om aan [eiseres] te vergoeden de geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, althans een zodanige beslissing als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

VI. Givex c.s. zal veroordelen in de kosten van het geding, waaronder beslag- en nakosten en te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2. Givex c.s. voeren gemotiveerd verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1. Givex c.s. vorderen in reconventie na reeds ter comparitie toegestane wijziging/vermeerdering van eis - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiseres] zal veroordelen

I. a. tot betaling van € 249.500,- aan Givar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag waarop deze vordering is ingesteld tot aan die der algehele voldoening;

b. tot vergoeding van de door Givex c.s. geleden schade zoals omschreven in paragraaf 60 tot en met 63 (b en c) van de conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie, nader op te maken bij staat;

II. om aan Givex c.s. te betalen € 9.000,35 bij wijze van vergoeding van de schade bestaande in de door hen gemaakte buitengerechtelijke kosten;

III. tot betaling van € 119.381,45 aan HVG, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.

4.2. [eiseres] voert gemotiveerd verweer.

4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling van het geschil in conventie

5.1. De rechtbank zal bij de bespreking van de vorderingen in conventie de indeling van [eiseres] in haar akte houdende wijziging/vermeerdering van eis in conventie aanhouden.

Vordering I

5.2. Deze vordering betreft een vordering tot nakoming bestaande uit betaling van facturen voor voerleveranties.

5.3. Ter comparitie is deze vordering tot een bedrag van € 461.373,99 erkend. Daarbij heeft Givex verklaard het verschil met het gevorderde bedrag niet te kunnen duiden en hier verder geen bewijs van te willen leveren.

5.4. De rechtbank houdt het er daarom voor, dat Givex ook geen verweer (meer) voert tegen het verschil ad € 514,62. Het gehele gevorderde bedrag komt dan ook voor toewijzing in aanmerking, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag der dagvaarding.

5.5. Givex doet ten aanzien van deze vordering een beroep op een opschortingsrecht. Zij stelt dat zij meer tijd nodig heeft om de achterstand in te lopen en dat zij door onrechtmatig handelen van [eiseres] schade heeft geleden welke zij wil verrekenen met deze vordering. Het zou de schade betreffen die Givex in reconventie vordert. Echter, na wijziging van eis in reconventie, is het niet langer Givex maar Givar die schadevergoeding van [eiseres] vordert. Als gevolg van die wijziging is er geen vordering meer die ten grondslag ligt aan het beroep op de opschorting. De vordering tot betaling van de buitengerechtelijke kosten acht de rechtbank niet voldoende samenhangen met de vordering van [eiseres] op Givex om een opschorting te rechtvaardigen. De stelling van Givex dat zij meer tijd nodig heeft om de achterstand in te lopen kan niet dienen als onderbouwing voor een beroep op een opschortingsrecht. Het beroep van Givex op het opschortingsrecht slaagt dus niet.

Vordering II a

5.6. [eiseres] vordert primair betaling van facturen voor geleverd voer aan de stal in [woonplaats] door [gedaagde sub 2], aan wie ook is gefactureerd. Ter comparitie heeft [eiseres] toegelicht dat de vordering facturen betreft over de periode van 30 juli 2010 tot 8 juli 2011.

5.7. [gedaagde sub 2] heeft ter comparitie aangevoerd dat de stal in [woonplaats] van hem is, dat tot 31 december 2009 de varkens in die stal ook van hem waren en dat hij ze toen aan Givex heeft verkocht en dit heeft medegedeeld aan [eiseres], maar dat [eiseres] niet aan Givex wilde factureren en dat hij dat daarom zelf de facturen is blijven betalen en heeft doorgefactureerd aan Givex. [eiseres] heeft gesteld dat [gedaagde sub 2] in 2011 nog facturen heeft betaald voor leveringen in 2010 en dat [gedaagde sub 2] nooit bezwaar heeft gemaakt tegen de facturen. Volgens [eiseres] wilde zij niet aan Givex factureren omdat zij goede redenen had tot twijfel aan het betalingsbedrag van Givex waarop zij reeds een aanzienlijke vordering had.

5.8. Niet betwist is dat de varkens in de stal in [woonplaats] tot januari 2010 aan [gedaagde sub 2] in privé toebehoorden, dat [eiseres] voer leverde voor die varkens en dat de facturen voor die leveranties door [gedaagde sub 2] werden betaald. De rechtbank leidt daar het bestaan van een overeenkomst van die strekking tussen [eiseres] en [gedaagde sub 2] uit af. Dat nadien voor de varkens in de stal in [woonplaats] een overeenkomst tot stand is gekomen tussen [eiseres] en Givex, is niet gebleken. Wel is gesteld dat [gedaagde sub 2] zijn rechten en verplichtingen uit de overeenkomst heeft willen doen overgaan op Givex. Naar de rechtbank begrijpt, betoogt [gedaagde sub 2] dat er sprake is van contractsoverneming. Hiertoe vereist 6:159 BW een akte en de medewerking van [eiseres]. Van beiden is het bestaan niet gesteld en niet gebleken, zodat de rechtbank constateert dat niet is voldaan aan de vereisten van contractsoverneming. Voor zover [gedaagde sub 2] bedoelt dat er sprake is van schuldoverneming, strandt dit betoog eveneens nu gesteld noch gebleken is dat [eiseres] hiermee heeft ingestemd. Dit is wel vereist ingevolge artikel 6:155 BW. Van contractsoverneming of schuldoverneming is dus geen sprake. Ook is niet gebleken dat [gedaagde sub 2] het contract met [eiseres] heeft opgezegd of dat op andere wijze het contract is beëindigd. Het moet er daarom voor gehouden worden dat [gedaagde sub 2] nog immer contractspartij is van [eiseres] voor de leveringen aan de stal in [woonplaats]. Daarom is het primair gevorderde toewijsbaar, met dien verstande dat niet de gevorderde contractuele rente, maar de wettelijke handelsrente zal worden toegewezen. [gedaagde sub 2] heeft bij conclusie van antwoord in reconventie betwist dat contractueel een rentetarief is overeengekomen. [eiseres] is daar niet meer op ingegaan. Zij heeft ook geen stukken overgelegd waaruit iets in deze zin valt af te leiden. Dit had wel op haar weg gelegen. Nu [eiseres] geen andere vervaldatum heeft gesteld, is de wettelijke handelsrente over het toegewezen bedrag toewijsbaar vanaf de dag der dagvaarding.

5.9. Aan beoordeling van het subsidiair gevorderde komt de rechtbank dus niet toe.

Vordering III a

5.10. Dit onderdeel van de vordering betreft, naar [eiseres] stelt, levering van voer aan Givex op het adres [adres] 22a te [woonplaats]. Omdat Givex niet betaalde en weinig verhaal bood, heeft [eiseres] op 11 februari 2011 een gesprek gevoerd met [gedaagde sub 2, betrokkene 1 en 2]. In dat gesprek heeft [eiseres] aangekondigd dat zij met ingang van 15 februari 2011 zou stoppen met de facturatie voor [adres] aan Givex en gezegd dat zij weer aan [gedaagde sub 2] zou factureren. Volgens [eiseres] hebben [gedaagde sub 2, betrokkene 1 en 2] daarmee ingestemd.

5.11. [gedaagde sub 2], en overigens ook [betrokkene 1] en [betrokkene 2], betwist dat hij heeft ingestemd met facturering voor deze leveringen aan hem. Hij voert aan dat [eiseres] dit eenzijdig heeft besloten.

5.12. Volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv. draagt [eiseres] bewijslast van haar stelling dat [gedaagde sub 2] en Givex hebben ingestemd met facturatie aan [gedaagde sub 2]. Bij de stukken bevindt zich weliswaar een brief van [eiseres] aan [gedaagde sub 2, betrokkene 1 en 2] van 4 mei 2011, waarin onder meer te lezen staat:

“Omdat de schuld van Givex Europe B.V. steeds verder opliep, zijn wij overeengekomen vanaf 14 februari 2011 alleen nog te leveren en faktureren op naam van [gedaagde sub 2],”

maar deze brief levert geen volledig bewijs op van een overeenkomst van die strekking, nu dit stuk niet ondertekend is door [gedaagde sub 2] en Givex. Nu [eiseres] uitdrukkelijk bewijs heeft aangeboden, zal zij in de gelegenheid worden gesteld te bewijzen dat [gedaagde sub 2] en Givex op of omstreeks 11 februari 2011 hebben ingestemd met haar voorstel om te stoppen met de facturatie voor [adres] aan Givex en vanaf 14 of 15 februari 2011 alleen nog te leveren en factureren aan [gedaagde sub 2]. Gelet op hetgeen hierna nog aan de orde komt, zal de bewijslevering vooralsnog worden aangehouden tot na de aktewisseling.

5.13. Slaagt [eiseres] niet in het aan haar opgedragen bewijs als bedoeld onder 5.12., dan komt het subsidiaire onderdeel van deze vordering aan de orde.

Vordering IV

5.14. Deze vordering houdt nauw verband met onderdeel III van de vordering in reconventie. [eiseres] meent dat zij uit hoofde van een overeenkomst met HVG geld te vorderen heeft van HVG. HVG meent echter dat dat niet juist is en dat zij geld te vorderen heeft van [eiseres]. De rechtbank zal deze vorderingen daarom gezamenlijk bespreken.

5.15. Deze vordering is door de akte houdende wijziging c.q. vermeerdering van eis in conventie aanzienlijk gewijzigd. Ook wordt door partijen gerefereerd aan een procedure tussen [betrokkene 2] en [eiseres] bij deze rechtbank met nummer 217789 / HA ZA 11-1061. Onduidelijk is hoe die procedure van invloed is / kan zijn op de onderhavige zaak. Voorkomen dient te worden dat tegenstrijdige beslissingen worden genomen. In genoemde omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om de zaak naar de rol te verwijzen teneinde partijen een akte te laten nemen waarin zij dit onderdeel van de vordering nader toelichten. Zij dienen hun vorderingen te specificeren en waar mogelijk te verwijzen naar onderbouwende stukken. Meer specifiek verzoekt de rechtbank partijen volledig en overzichtelijk opgaaf te doen van:

- de datum en het bedrag van elke voerlevering door [eiseres] aan HVG in de periode van 1 januari 2011 tot en met 9 september 2011 (o.a. facturen);

- de datum en het bedrag van elke betaling die ziet op genoemde leveranties en de daarbij vermelde informatie (o.a. betalingsbewijzen);

- de berekening van het gevorderde ([eiseres]) c.q. verschuldigde (HVG) bedrag aan de hand van deze opgaven;

- bedragen die door verrekening zouden zijn voldaan. Daarnaast wordt [betrokkene 2] verzocht bij akte eventuele vonnissen in de zaak met nummer 217789 / HA ZA 11-1061 in het geding te brengen.

5.16. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

Vordering V

5.17. Deze vordering is geformuleerd in de conclusie van antwoord tevens akte houdende wijziging c.q. vermeerdering van eis in conventie. In de dagvaarding wordt reeds gerept over onrechtmatig handelen van Givex c.s., maar naar de rechtbank begrijpt hebben de stellingen en feiten die ten grondslag worden gelegd aan deze vordering betrekking op ander onrechtmatig handelen dan het onrechtmatig handelen waar in de conclusie van antwoord tevens akte houdende wijziging c.q. vermeerdering van eis in conventie op wordt gedoeld. Echter, voor een deel wordt in die conclusie toch verwezen naar de dagvaarding. Ook lijkt het verwijt zich enkel te richten op Givar en Givex, maar wordt blijkens het gewijzigde petitum toch een vordering jegens alle gedaagden ingesteld. Ten slotte worden diverse juridische grondslagen genoemd/besproken zonder dat daarin een volgorde wordt aangebracht en/of rechtsgevolgen worden ingeroepen.

5.18. Teneinde het geschil doelmatig te beslechten zal de rechtbank [eiseres] verzoeken om per gedaagde te specificeren waaruit het onrechtmatig handelen bestaat, op welke grondslag(en) de vorderingen zijn gestoeld en wat de hoogte is van de als gevolg van dat handelen geleden schade. Uit de stellingen blijkt namelijk niet waarom de omvang van de schade niet reeds kan worden vastgesteld. Vervolgens zullen gedaagden in de gelegenheid worden gesteld te reageren.

5.19. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

6. De beoordeling van het geschil in reconventie

Vordering Ia

6.1. Givar stelt schade ad € 240.000,-- te hebben geleden als gevolg van de door [eiseres] gelegde derdenbeslagen onder varkenshouders en de negatieve uitlatingen die [eiseres] over de financiële positie van Givex c.s. heeft verspreid. [eiseres] voert aan dat zij twee keer beslag heeft moeten leggen, eerst onder Givex en toen onder Givar, als gevolg van de overdracht van varkens door Givex aan Givar. Zij betwist dat Givar schade heeft geleden als gevolg van de beslagleggingen. Ook betwist [eiseres] dat zij negatieve uitlatingen heeft verspreid over Givex c.s.

6.2. Ten aanzien van de derdenbeslagen overweegt de rechtbank als volgt. Givar heeft ter onderbouwing van deze schadepost aangevoerd dat deze schade voortvloeit uit het wegvoeren van circa 2400 varkens door een varkenshouder uit [woonplaats] naar een locatie zonder toestemming van de AID. Deze varkens moesten daarna ter destructie worden afgevoerd, omdat ze niet meer geschikt waren voor verdere opfok of de handel. De schade bedraagt € 240.000,--. Uitgaande van de veronderstelling dat deze varkenshouder heeft gehandeld als gevolg van het derdenbeslag ten laste van Givar en niet als gevolg van het derdenbeslag ten laste van Givex, is de rechtbank van oordeel dat het causale verband tussen de beslaglegging en deze schadepost ontbreekt. Immers, de schade is niet zozeer het gevolg van de beslaglegging als wel van de ongecontroleerde afvoer door de varkenshouder. De beslaglegging an sich had immers niet hoeven leiden tot de afvoer van de varkens. Daarbij komt dat niet duidelijk is hoe Givar schade kan hebben geleden nu de afgevoerde varkens naar eigen zeggen niet van haar waren. Het had wel op haar weg gelegen dit te verduidelijken. Op deze grondslag kan dit onderdeel van de vordering dus niet worden toegewezen.

6.3. Voor zover Givar betoogt dat haar schade het gevolg is van het derdenbeslag ten laste van Givex, kan dit betoog niet leiden tot toewijzing van de vordering. Immers, zoals Givar ook erkent, had [eiseres] ten tijde van die beslaglegging een opeisbare vordering op Givex. Bovendien heeft dit beslag geen doel getroffen omdat de varkens inmiddels door Givex waren overgedragen. Dat de varkenshouders desondanks weigerden om nog varkens door Givar te laten verhandelen en vervoeren, kan onder deze omstandigheden niet aan [eiseres] worden toegerekend.

6.4. Ten aanzien van de onrechtmatige uitlatingen overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank zijn door Givar – op wie in beginsel op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv de last rust te stellen, en ingeval van gemotiveerde betwisting, ook te bewijzen dat sprake is geweest van onrechtmatige uitlatingen over Givar – onvoldoende concrete feiten gesteld waaruit dit volgt. Givar heeft haar stelling onderbouwd met een e-mail van een varkenshouder die verklaart dat hij door een werknemer van [eiseres] is benaderd om geen varkens aan Givar te leveren en een tweetal publicaties. De varkenshouder is een andere varkenshouder dan de varkenshouder die de varkens heeft weggevoerd. [eiseres] heeft de onrechtmatige uitlatingen betwist en een verklaring overgelegd van de desbetreffende werknemer waarin deze ontkent de desbetreffende varkenshouder met die mededeling te hebben benaderd. Of de uitlatingen nu wel of niet zijn gedaan door deze werknemer, ze zouden zijn gericht tegen een andere varkenshouder dan de varkenshouder die de varkens heeft weggevoerd. Givar heeft nagelaten te stellen dat ook die varkenshouder is benaderd en dit is ook niet gebleken. De overgelegde publicaties hebben betrekking op de beslaglegging ten laste van Givex en in de publicaties wordt Givar slechts zijdelings genoemd. Ook is niet gebleken van enige betrokkenheid van [eiseres] bij deze publicaties en is de rechtbank zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet duidelijk wat Givar onrechtmatig vindt aan deze publicaties. Nu voor het overige geen concrete feiten worden gesteld die de gestelde onrechtmatige uitlatingen over Givar door [eiseres] kunnen dragen, kan ook deze grondslag het gevorderde niet dragen. Ten overvloede wordt opgemerkt dat voor een bewijsopdracht dan geen plaats meer is.

6.5. Vervolgens stelt Givar € 9.500,-- schade te hebben geleden, omdat tijdens het afvoeren van de varkens door de varkenshouder uit [woonplaats] de hokinrichting is vernield en buitendeuren zijn geforceerd. Ook dienden de hokken door Givex c.s. te worden schoongemaakt. Ter onderbouwing heeft Givar een factuur overgelegd die sluit op € 9.500,--. Nog los van de vraag of ten aanzien van deze post kan worden gezegd dat deze het gevolg is van onrechtmatig handelen door [eiseres], is niet gebleken dat Givar deze schade heeft geleden nu de factuur is gericht aan [varkensbedrijf betrokkene 1] B.V. en niet aan Givar. Ook dit onderdeel van de vordering zal dus worden afgewezen.

Vordering Ib

6.6. Givex c.s. stellen dat zij schade hebben geleden en vorderen een verwijzing naar de schadestaat procedure. In het petitum wordt verwezen naar punt 60 tot en met 63 (b en c) van de conclusie. Naar de rechtbank begrijpt wordt gedoeld op de winstderving ten gevolge van teruggelopen varkenshandel en vervoersopdrachten en extra financieringskosten. Deze schade zou het gevolg zijn van de vexatoire derdenbeslagen en de negatieve uitlatingen door [eiseres], aldus Givex c.s.

6.7. Ten aanzien van de omzetderving reppen Givex c.s. over omzetderving bij Givex en Givar. Ter onderbouwing is een aantal overzichten van verkoopfacturen overgelegd die betrekking hebben op Givex en Givar. Hieruit leidt de rechtbank af dat ondanks de ruime formulering in het petitum niet wordt gesteld dat [gedaagde sub 2] en HVG omzetderving hebben geleden als gevolg van de vexatoire derdenbeslagen en de negatieve uitlatingen. De rechtbank zal de vordering aldus begrijpen. Mocht de vordering toch ook zien op omzetderving door [gedaagde sub 2] en HVG, dan zou deze moeten worden afgewezen, nu ten aanzien van hen niet is voldaan aan de stelplicht.

6.8. Ten aanzien van de beslagleggingen overweegt de rechtbank als volgt. Op de beslaglegger rust een risicoaansprakelijkheid voor de gevolgen van het door hem gelegde beslag indien de vordering waarvoor beslag is gelegd geheel ongegrond is. Indien de vordering ter verzekering waarvan het beslag is gelegd slechts gedeeltelijk wordt toegewezen, heeft dit niet tot gevolg dat het beslag ten onrechte is gelegd. De vraag of een beslaglegger aansprakelijk is voor de gevolgen van een beslag omdat het beslag is gelegd voor een te hoog bedrag, lichtvaardig is gelegd of onnodig is gehandhaafd, moet worden beantwoord aan de hand van criteria die gelden voor misbruik van recht. Uitgaande van de concrete omstandigheden van het geval kan aldus aan de orde komen of een beslag als vexatoir en daarom onrechtmatig moet worden aangemerkt (HR 11 april 2003, NJ 2003, 440).

6.9. Wat betreft het beslag ten laste van Givex kan niet worden gezegd dat dit ongegrond is nu vaststaat dat [eiseres] ten tijde van de beslaglegging een aanzienlijke vordering op Givex had (zie vordering I in conventie). Givex heeft niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat het beslag voor een te hoog bedrag of lichtvaardig is gelegd of onnodig is gehandhaafd, zodat het beslag ten laste van Givex niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt. Aan de vraag of Givex, gelet op de overdracht van haar varkens aan Givar vóór de beslaglegging, omzet is misgelopen, komt de rechtbank niet toe.

6.10. Wat betreft het beslag ten laste van Givar stelt Givar dat zij vóór de beslagleggingen nog 15 tot 20 vrachten à 200 mestvarkens of 600 biggen per week vervoerde, maar dat dit in de maanden daarna daalde tot hoogstens vijf vrachten per week. Het gemiddelde aantal vervoerde varkens daalde van 20.624 tot 12.320 per maand, een verschil van 8.304. Uitgaande van 200 varkens per vracht en een gemiddelde omzet van

€ 32.000,- per vracht becijfert Givar de gederfde omzet op € 1.328.640,- per maand. Ook merkt Givar op dat zij geen varkens in haar bezit had ten tijde van de beslaglegging ten laste van haar en dat het beslag dus niet heeft gekleefd. De rechtbank zal iedere verdere beslissing op dit punt aanhouden in afwachting van de beslissing op vordering V in conventie.

6.11. De rechtbank verwijst voor wat betreft de gestelde onrechtmatige uitlatingen door [eiseres] naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 6.4. Hetgeen daar is overwogen ten aanzien van Givar, geldt ook ten aanzien van Givex. De conclusie is dat ten aanzien van de onrechtmatige uitlatingen gedaagden onvoldoende concrete feiten hebben gesteld voor toewijzing van hun vordering.

6.12. Zoals reeds overwogen vorderen gedaagden ook een verwijzing naar de schadestaat procedure voor schade die zij leiden bestaande uit extra financieringskosten. Alhoewel het petitum zo is geformuleerd dat alle gedaagden deze vordering instellen, begrijpt de rechtbank uit de onderbouwing van dit deel van de vordering dat de gestelde schade is geleden door Givex. De rechtbank zal de vordering aldus begrijpen. Mocht de vordering toch ook zien op de andere gedaagden, dan zou deze moeten worden afgewezen, nu ten aanzien van hen niet is voldaan aan de stelplicht.

6.13. Nu ten aanzien van Givex hiervoor onder 6.9. reeds is geoordeeld dat de beslaglegging niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt en onder 6.4. (herhaald in 6.11.) is geoordeeld dat ten aanzien van onrechtmatige uitlatingen onvoldoende concrete feiten zijn gesteld, dient ook dit deel van de vordering te worden afgewezen, nu deze vordering daarop gestoeld is.

6.14. De conclusie is dat de beslissing ten aanzien van de vordering van Givar op grond van onrechtmatige beslaglegging wordt aangehouden en dat de vordering voor het overige zal worden afgewezen.

Vordering II

6.15. Deze vordering ziet op buitengerechtelijke incassokosten. De beslissing hierop is afhankelijk van de uitkomst in de procedure, zodat hierop pas bij eindvonnis zal worden beslist.

Vordering III

6.16. Voor de bespreking van deze vordering verwijst de rechtbank naar overweging 5.14. en verder van dit vonnis.

7. De beslissing

De rechtbank

in conventie

7.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 28 maart 2012 voor het nemen van een akte door [ ] [eiseres] [...] B.V. over hetgeen is vermeld onder 5.15. en 5.18., waarna de wederpartij op de rol van 6 weken daarna een antwoordakte kan nemen,

7.2. houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

7.3. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2012.

Coll: FH