Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BV6884

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24-02-2012
Datum publicatie
24-02-2012
Zaaknummer
05/702217-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtmatige aanhouding; artikelen 50 van de Vreemdelingenwet 2000 en 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Promis II

Parketnummer : 05/702217-11

Datum zitting : 10 februari 2012

Datum uitspraak : 24 februari 2012

VERSTEK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : zonder bekende woon- of verblijfplaats hier ten lande.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na verbetering van de schrijffout zoals door de officier van justitie ter terechtzitting is aangegeven en waarmee de rechtbank instemt, ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 19 december 2011 te Duiven, in elk geval in Nederland, in het bezit was van een reisdocument, te weten een Roemeens nationale identiteitskaart (documentnr. [nummer]), waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het reisdocument vals of vervalst was, bestaande de valsheid of vervalsing hieruit dat - zakelijk weergegeven - voornoemd document qua kleur, detaillering, toegepast basismateriaal en gebruikte productie/druk- en beveiligingstechnieken niet overeenkwam met een origineel door de autoriteiten van Roemenië afgegeven document van dit model, en/of - voornoemd document onder aanstraling van een ultraviolette lichtbron een afwijkende reactie vertoonde ten opzichte van origineel door de autoriteiten van Roemenië afgegeven document van dit model en type;

2. hij op of omstreeks 19 december 2011 te Duiven, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft afgeleverd en/of voorhanden gehad een vals(e) of vervalst(e) Roemeens rijbewijs (documentnr. [nummer]) - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst, immers - zakelijk weergegeven - voornoemd document qua kleur, detaillering, toegepast basismateriaal en gebruikte productie/druk- en beveiligingstechnieken niet overeenkwam met een origineel door de autoriteiten van Roemenië afgegeven document van dit model, en/of - voornoemd document onder aanstraling van een ultraviolette lichtbron een afwijkende reactie vertoonde ten opzichte van origineel door de autoriteiten van Roemenië afgegeven document van dit model en type.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 10 februari 2012 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte niet verschenen. Noch is er namens verdachte een raadsman/vrouw verschenen.

De officier van justitie, mr. A.M. Vloedbeld, heeft gerekwireerd.

3a. De beslis¬sing inzake het bewijs

Op 19 december 2011, bevonden verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee, belast met de uitoefening van het Mobiel Toezicht Veiligheid ter bestrijding van illegaal verblijf en (grensoverschrijdende) migratiecriminaliteit, zich op de parkeerplaats “Oudebroeken”, gelegen langs de voor het openbaar verkeer openbare autosnelweg, rijksweg A12 in de gemeente Duiven. Het toezicht werd uitgevoerd in overeenstemming met het gestelde in artikel 4:17a, lid 1, onder c en lid 5 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Een personenauto met een Italiaans kenteken [nummer], met daarin twee mannen, waaronder verdachte, kreeg een volgteken en werd meegenomen naar een parkeerplaats/benzinestation, alwaar het voertuig en -onder meer- verdachte werd gecontroleerd. Een van de verbalisanten constateerde dat de echtheidskenmerken van de identiteitskaart niet overeen kwamen met een origineel door de autoriteiten afgegeven document van dit type. Daarop is verdachte, op verdenking van overtreding van artikel 231, lid 2 van het Wetboek van Strafrecht, aangehouden. Verdachte is vervolgens in verzekering gesteld. Bij verdachte is ook een rijbewijs in beslag genomen. Geconstateerd is dat de documenten daadwerkelijk vals waren .

Op 22 december 2011 is het verzoek tot inbewaringstelling bij beschikking door de rechter commissaris van de rechtbank Arnhem afgewezen. Hiertoe is als volgt overwogen:

“dat de staande houding, aanhouding en inverzekeringstelling niet rechtmatig was. Niet is gebleken dat er bij de grenscontrole waarbij verdachte is aangehouden een reden tot staande houding is geweest die voortvloeide uit specifieke omstandigheden of het gedrag van verdachte, zoals vereist in het arrest van het Hof van Justitie van 22 juni 2010 inzake [namen] (LJN: BN0083).Wijst de vordering tot inbewaringstelling af.”

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de staande houding, die op grond van artikel 50 Vreemdelingenwet heeft plaatsgevonden, rechtmatig was. Op grond daarvan was de daaruit voortvloeiende aanhouding eveneens rechtmatig. De officier van justitie is dien ten gevolge van mening dat op grond van de bekennende verklaring van verdachte en het proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat hij valse documenten bij zich droeg, wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het hem onder 1 en onder 2 ten laste gelegde.

Beoordeling door de rechtbank

Ingevolge art. 67, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, zorgt de Unie ervoor dat aan de binnengrenzen geen personencontroles worden verricht.

Ingevolge artikel 2, aanhef onder 10 van Verordening 562/2006 (verder:de Schengengrenscode) wordt verstaan onder grenscontrole: de controles die aan de grensdoorlaatposten worden verricht om na te gaan of de betrokken personen, hun vervoermiddelen en de voorwerpen in hun bezit het grondgebied van de lidstaten mogen binnenkomen dan wel verlaten.

In artikel 20 van de Schengengrenscode is bepaald dat de binnengrenzen op iedere plaats kunnen worden overschreden zonder dat personen, ongeacht hun nationaliteit, worden gecontroleerd.

In artikel 21 aanhef en onder a van de Schengengrenscode is bepaald dat de afschaffing aan de binnengrenzen geen afbreuk doet aan de uitoefening van de politiebevoegdheid door de bevoegde instanties van de lidstaten overeenkomstig de nationale wetgeving, voorzover die uitoefening niet hetzelfde effect heeft als grenscontroles; dit geldt ook in de grensgebieden.

Voor de toepassing van de eerste zin kan met name niet worden gesteld dat de uitoefening van de politiebevoegdheid hetzelfde effect heeft als de uitoefening van grenscontroles wanneer politiële maatregelen:

i) niet grenscontroles ten doel hebben

ii) gebaseerd zijn op algemene politie-informatie en -ervaring met betrekking tot mogelijke bedreigingen van de openbare veiligheid en met name bedoeld ter bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit

iii) worden gepland en uitgevoerd op een manier die duidelijk verschilt van de systematische controles van personen aan de buitengrenzen

iv )op basis van controles ter plaatse wordt uitgevoerd.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest van 22 juni 2010 een uitleg gegeven van art. 20 en 21 van de Schengengrenscode. In rechtsoverwegingen 73 en 74 heeft het Hof overwogen:

“73. Voorts bevat artikel 78-2, vierde alinea, van de code de procédure pénale, dat controles toestaat ongeacht het gedrag van de betrokken persoon en los van specifieke omstandigheden waarvan een risico op aantasting van de openbare orde uitgaat, in het bijzonder met betrekking tot de intensiteit en de frequentie van de controles die op die rechtsgrondslag mogen worden uitgevoerd, noch preciseringen noch beperkingen van de aldus verleende bevoegdheid teneinde te voorkomen dat de feitelijke uitoefening van die bevoegdheid door de bevoegde autoriteiten leidt tot controles met hetzelfde effect als grenscontroles in de zin van artikel 21, sub a, van verordening nr. 562/2006.

74. Een nationale wettelijke regeling waarbij aan de politieautoriteiten de bevoegdheid tot het verrichten van identiteitscontroles wordt verleend, die enerzijds beperkt is tot het grensgebied van de lidstaat met andere lidstaten en anderzijds losstaat van het gedrag van de gecontroleerde persoon en van specifieke omstandigheden waarvan een risico op aantasting van de openbare orde uitgaat, kan slechts voldoen aan de in het licht van het rechtszekerheidsvereiste uitgelegde artikelen 20 en 21, sub a, van verordening nr. 562/2006, indien zij in het noodzakelijke kader voor de aan die autoriteiten verleende bevoegdheid voorziet, teneinde met name de beoordelingsvrijheid te sturen waarover die autoriteiten bij de feitelijke uitoefening van die bevoegdheid beschikken. Dat kader moet waarborgen dat de feitelijke uitoefening van de bevoegdheid tot het verrichten van identiteitscontroles niet hetzelfde effect kan hebben als grenscontroles, zoals met name blijkt uit de in artikel 21, sub a, tweede zin, van verordening nr. 562/2006 vermelde omstandigheden."

In rechtsoverweging 75 heeft het Hof overwogen:

75. In die omstandigheden moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 67, lid 2, VWEU en de artikelen 20 en 21 van verordening nr. 562/2006 zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling waarbij aan de politieautoriteiten van de betrokken lidstaat de bevoegdheid wordt verleend om uitsluitend binnen een 20 kilometer diep gebied langs de landsgrens van die staat met de staten die partij zijn bij de OUSA, de identiteit van een ieder te controleren, ongeacht het gedrag van de betrokkene en los van specifieke omstandigheden waarvan een risico op aantasting van de openbare orde uitgaat, teneinde de naleving van de verplichtingen ter zake van het houden, het dragen en het tonen van de bij wet voorziene titels en documenten te verifiëren, zonder dat die regeling in het noodzakelijke kader voor die bevoegdheid voorziet om te waarborgen dat de feitelijke uitoefening ervan niet hetzelfde effect kan hebben als grenscontroles."

Ingevolge art.50 lid 1 van de Vreemdelingenwet 2000 zijn de ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd, hetzij op grond van feiten en omstandigheden die naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren hetzij ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding, personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.

Tegen de achtergrond van het voornoemd arrest is het Vreemdelingenbesluit 2000 met ingang van 1 juni 2011 gewijzigd in die zin dat artikel 4.17 a is ingevoerd, waarmee de wetgever heeft beoogd zodanige waarborgen te geven dat het toezicht op vreemdelingen ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding ( verder te noemen: het mobiel toezicht) niet hetzelfde effect heeft als grenscontrole in de zin van de Schengengrenscode.

Art. 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000 luidt:

1. De bevoegdheid, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Wet, om ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie, wordt uitsluitend uitgeoefend in het kader van toezicht op vreemdelingen:

a. op luchthavens bij de aankomst van vluchten vanuit het Schengengebied;

b. in treinen gedurende ten hoogste dertig minuten na het passeren van de gemeenschappelijke landgrens met België of Duitsland of, als binnen deze periode het tweede station na het passeren van de grens nog niet is bereikt, tot uiterlijk het tweede station na het passeren van de grens;

c. op wegen en vaarwegen in een gebied tot twintig kilometer vanaf de gemeenschappelijke landgrens met België of Duitsland.

2. Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgevoerd op basis van informatie of ervaringsgegevens over illegaal verblijf na grensoverschrijding. Het toezicht kan daarnaast in beperkte mate worden uitgevoerd met het oog op het verkrijgen van informatie over dergelijk illegaal verblijf.

3. Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt ten hoogste zeven keer per week uitgevoerd ten aanzien van vluchten op eenzelfde vliegroute, met een maximum van eenderde van het totale aantal geplande vluchten per maand op die vliegroute. In het kader van dit toezicht wordt slechts een deel van de passagiers op een vlucht staande gehouden.

4. Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt per dag in ten hoogste twee treinen per traject en ten hoogste acht treinen in totaal uitgevoerd, en per trein in ten hoogste twee treincoupés.

5. Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt op eenzelfde weg of vaarweg ten hoogste negentig uur per maand en ten hoogste zes uur per dag uitgevoerd. In het kader van dit toezicht wordt slechts een deel van de passerende vervoermiddelen stilgehouden

In de onderhavige zaak moet beoordeeld worden of de staande houding van verdachte met inachtneming van art. 4.17 a Vreemdelingenbesluit 2000 in strijd is met art. 20 en 21 van de Schengengrenscode.

De rechtbank stelt vast dat het mobiel toezicht vreemdelingen, de MTV controle, betrekking heeft op het toezicht ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding als genoemd in art. 50 lid 1 van de Vreemdelingenwet. Het heeft de illegale immigratie ten doel en niet de grenscontrole als bedoeld in art. 2 aanhef en onder 10 van de Schengengrenscode.

De omstandigheid dat dit mobiel toezicht plaats vindt in het grensgebied is op zichzelf onvoldoende om het oordeel te dragen dat het hetzelfde effect heeft als een grenscontrole.

De rechtbank leidt uit rechtsoverweging 75 in samenhang met rechtsoverweging 73 en 74 van voornoemd arrest af dat een nationale wettelijke regeling die identiteitscontroles in een grensgebied mogelijk maakt, ongeacht het gedrag van de betrokkene en los van specifieke omstandigheden waarvan een risico op aantasting van de openbare orde uitgaat, dient te voorzien in het noodzakelijke kader voor de aan die autoriteiten verleende bevoegdheid om te waarborgen dat de feitelijke uitoefening van de bevoegdheid tot identiteitscontroles niet hetzelfde effect kan hebben als grenscontroles.

De vraag rijst op art. 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000 voldoet aan die waarborgen. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Genoemd artikel voorziet naast een ruime zonering voor het uitoefenen van de bevoegdheid in een regulering van de intensiteit en de frequentie van een controle. Daarmee is voldoende gewaarborgd, als bedoeld in eerdergenoemd arrest, dat dit mobiel toezicht feitelijk niet systematisch wordt uitgevoerd en daarmee niet hetzelfde effect heeft als grenscontrole.

In het onderhavige geval is in het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal gerelateerd op welke wijze het mobiel toezicht in casu is uitgevoerd. Daaruit blijkt dat dit in overeenstemming met het gestelde in art. 4.17 a van het Vreemdelingenbesluit 2000 is uitgevoerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de staande houding is uitgevoerd conform dit artikel.

Gelet hierop bestaat er geen grond voor het oordeel dat de staandehouding van verdachte onrechtmatig was.

3b. De bewezenverklaring

De feiten

De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt, zowel voor feit 1, alsook voor feit 2 volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

- het in de wettelijke vorm door verbalisant van de Koninklijke Marechaussee, District Noord-Oost, Brigade Oostgrens-Midden dossiernummer: PL27NM/11-006772, opgemaakte proces-verbaal, gesloten op 21 december 2011 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de door de griffier van deze rechtbank doorgenummerde pagina’s van het dossier, tenzij anders vermeld.

o het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 december 2011, pag. 29 en

o het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 20 december 2011, pag. 22 en

o het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 20 december 2011, pag. 32 en 33.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1. hij op 19 december 2011 te Duiven, in elk geval in Nederland, in het bezit was van een reisdocument, te weten een Roemeens nationale identiteitskaart (documentnr. [nummer]), waarvan hij wist dat het reisdocument vals of vervalst was, bestaande de valsheid of vervalsing hieruit dat - zakelijk weergegeven - voornoemd document qua kleur, detaillering, toegepast basismateriaal en gebruikte productie/druk- en beveiligingstechnieken niet overeenkwam met een origineel door de autoriteiten van Roemenië afgegeven document van dit model, en/of - voornoemd document onder aanstraling van een ultraviolette lichtbron een afwijkende reactie vertoonde ten opzichte van origineel door de autoriteiten van Roemenië afgegeven document van dit model en type;

2. hij op 19 december 2011 te Duiven, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft voorhanden gehad een vals of vervalst Roemeens rijbewijs (documentnr. [nummer]) - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, terwijl hij wist dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst, immers - zakelijk weergegeven - voornoemd document qua kleur, detaillering, toegepast basismateriaal en gebruikte productie/druk- en beveiligingstechnieken niet overeenkwam met een origineel door de autoriteiten van Roemenië afgegeven document van dit model, en/of - voornoemd document onder aanstraling van een ultraviolette lichtbron een afwijkende reactie vertoonde ten opzichte van origineel door de autoriteiten van Roemenië afgegeven document van dit model en type.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd is niet bewe¬zen. Verdach¬te moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

In het bezit zijn van een reisdocument waarvan terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het vals of vervalst is.

Ten aanzien van de feiten 2:

Opzettelijk een geschrift, als bedoeld in art. 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst.

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Door de officier van justitie is voor de afdoening van deze feiten een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden geëist.

Beoordeling van de standpunten en conclusie

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de om¬stan¬dighe¬den waaronder dit is begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 20 januari 2012.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in bezit hebben van valse of vervalste geschriften en heeft hiervan gebruik gemaakt. Hierdoor kon de identiteit van verdachte niet worden vastgesteld, waardoor de Nederlandse staat schade kan worden berokkend.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en met het oog op de voor de rechtbank richtinggevende oriëntatiepunten oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 57, 225 en 231 van het Wetboek van Straf¬recht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door mr. C.N. Dijkstra (voorzitter), mr. A.M. van Gorp en mr. J.W.T.M. Follender Grossfeld, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Cosijn, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 februari 2012.