Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BV6852

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24-02-2012
Datum publicatie
24-02-2012
Zaaknummer
05/700471-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeeld een 21-jarige bestuurder van een auto voor overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 tot een geldboete van € 750,- en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor 3 maanden. De bestuurder wilde een inrit oprijden en kwam daarbij in aanrijding met een motorfietser. De rechtbank is van oordeel dat de bestuurder de op hem rustende zorgplicht niet heeft nageleefd en dat hij in aanmerkelijke mate schuld heeft aan het ongeval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Promis II

Parketnummer : 05/700471-11

Datum zitting : 10 februari 2012

Datum uitspraak : 24 februari 2012

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum]

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman : mr. W.A Koers, advocaat te Leusden.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 16 juli 2010, te Waardenburg, gemeente Neerijnen, in elk

geval in nederland als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een

motorrijtuig (personenauto) over de voor het openbaar verkeer openstaande weg,

de [adres],

roekeloos, althans zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of

onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd

gehinderd, en/of

terwijl hij voornemens was, en/of bezig was een of meerdere bijzondere

manoeuvre(s) uit te voeren, zoals bedoeld in artikel 54 van het Reglement

verkeersregels en verkeerstekens 1990,

ter hoogte van de op en/of aan die weg de [adres] een

bijzondere manoeuvre, als bedoeld in artikel 54 van het Reglement

verkeersregels en verkeerstekens 1990 heeft uitgevoerd, namelijk achterwaarts

van die inrit is gereden, en/of

(daarbij) zijn voertuig naar rechts heeft gestuurd en/of naar rechts is

gereden die weg de [adres] op, en/of

(daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor en/of naast en/of

achter hem gelegen gedeelte van die weg de [adres] en/of het overige verkeer

heeft gelet en/of is blijven letten, en/of

(daarbij) in strijd met artikel 54 van voornoemd Reglement de bestuurder van

een over die weg de [adres] rijdend motorrijtuig (motorfiets) niet voor heeft

laten gaan, en/of

(vervolgens) op die weg de [adres] in de richting van perceelnummer [nr] is

gereden, en/of

(daarbij) ter hoogte van perceelnummer [nr] een bijzondere manoeuvre, als

bedoeld in artikel 54 van voornoemd Reglement heeft uitgevoerd en/of is gaan

uitvoeren, namelijk van die weg de [adres] een inrit ter hoogte van

perceelnummer [nr] is opgereden, althans is gaan oprijden, en/of

(daarbij) zijn voertuig naar links heeft gestuurd en/of naar links is gereden,

en/of

(daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor en/of naast en/of

achter hem gelegen gedeelte van die weg de [adres] en/of het overige verkeer

heeft gelet en/of is blijven letten, en/of

(daarbij) in strijd met artikel 54 van voornoemd Reglement de bestuurder van

een over die weg de [adres] rijdend motorrijtuig (motorfiets) niet voor heeft

laten gaan, en/of

(daarbij) in strijd met artikel 18 van voornoemd Reglement een op die weg de

[adres] rijdende bestuurder van een ander motorrijtuig (motorfiets) die zich

op dezelfde weg naast, dan wel links en/of rechts dicht achter hem bevond,

niet voor heeft laten gaan, en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die

motorfietser,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) zwaar

lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke

ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is

ontstaan, werd toegebracht;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 16 juli 2010 te Waardenburg, gemeente Neerijnen, in elk

geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee

rijdende op de weg, de [adres],

terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd

gehinderd, en/of

terwijl hij voornemens was, en/of bezig was een of meerdere bijzondere

manoeuvre(s) uit te voeren, zoals bedoeld in artikel 54 van het Reglement

verkeersregels en verkeerstekens 1990,

ter hoogte van de op en/of aan die weg de [adres] een

bijzondere manoeuvre, als bedoeld in artikel 54 van het Reglement

verkeersregels en verkeerstekens 1990 heeft uitgevoerd, namelijk achterwaarts

van die inrit is gereden, en/of

(daarbij) zijn voertuig naar rechts heeft gestuurd en/of naar rechts is

gereden die weg de [adres] op, en/of

(daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor en/of naast en/of

achter hem gelegen gedeelte van die weg de [adres] en/of het overige verkeer

heeft gelet en/of is blijven letten, en/of

(daarbij) in strijd met artikel 54 van voornoemd Reglement de bestuurder van

een over die weg de [adres] rijdend motorrijtuig (motorfiets) niet voor heeft

laten gaan, en/of

(vervolgens) op die weg de [adres] in de richting van perceelnummer [nr] is

gereden, en/of

(daarbij) ter hoogte van perceelnummer [nr] een bijzondere manoeuvre, als

bedoeld in artikel 54 van voornoemd Reglement heeft uitgevoerd en/of is gaan

uitvoeren, namelijk van die weg de [adres] een inrit ter hoogte van

perceelnummer [nr] is opgereden, althans is gaan oprijden, en/of

(daarbij) zijn voertuig naar links heeft gestuurd en/of naar links is gereden,

en/of

(daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor en/of naast en/of

achter hem gelegen gedeelte van die weg de [adres] en/of het overige verkeer

heeft gelet en/of is blijven letten, en/of

(daarbij) in strijd met artikel 54 van voornoemd Reglement de bestuurder van

een over die weg de [adres] rijdend motorrijtuig (motorfiets) niet voor heeft

laten gaan, en/of

(daarbij) in strijd met artikel 18 van voornoemd Reglement een op die weg de

[adres] rijdende bestuurder van een ander motorrijtuig (motorfiets) die zich

op dezelfde weg naast, dan wel links en/of rechts dicht achter hem bevond,

niet voor heeft laten gaan, en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die

motorfietser,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd.

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 10 februari 2012 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. W.A Koers, advocaat te Leusden.

De officier van justitie mr. K.J.L. de Valk heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte reed op 16 juli 2010, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [adres] te Waardenburg, gemeente Neerijnen. Verdachte is, op het moment dat hij zich met zijn voertuig bevond op de inrit van perceelnummer [nr], achterwaarts van deze inrit afgereden Vervolgens is verdachte op de [adres], met een snelheid van 10 à 15 kilometer per uur van de inrit van perceelnummer [nr] over een afstand van ca 23 meter naar de schuin daartegenover gelegen inrit van perceelnummer [nr] gereden. Verdachte wilde de inrit van dit perceelnummer gaan oprijden en is daartoe links afgeslagen. Daarbij is verdachte in aanrijding gekomen met een op de [adres] rijdende motorfietser ([slachtoffer]), waarbij het slachtoffer een gebroken rechter grote teen en drie ontwrichte middenvoetsbeenderen in dezelfde voet heeft opgelopen.

Voorts staat vast, dat verdachte ter hoogte van perceelnummer [nr] van de [adres] een bijzondere manoeuvre, als bedoeld in de zin van artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, heeft uitgevoerd en dat hij ter hoogte van perceelnummer [nr] van de [adres] een bijzondere manoeuvre, als bedoeld in de zin van artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, is gaan uitvoeren.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam heeft gedragen als gevolg waarvan de motorfietser ([slachtoffer]) lichamelijk letsel heeft opgelopen, waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Het feit dat de motorrijder te hard heeft gereden, doet niet af aan de schuld van verdachte aan het ongeval.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gepleit voor vrijspraak van het primaire feit en heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van afwezigheid van alle schuld ter zake van het subsidiaire feit.

De raadsvrouw heeft allereerst gesteld dat de feitelijke toedracht niet voldoende is onderzocht, nu de voertuigen direct na het ongeval zijn verplaatst waardoor diverse voor de beoordeling van belang zijnde sporen zijn gewist en waardoor niet duidelijk is wat de positie van beide voertuigen is geweest op het moment dat het ongeval plaatsvond. Hierdoor kan niet worden vastgesteld wat het aandeel van de motorfietser in het ontstaan van het ongeval is geweest. Volgens de raadsvrouw is zijn aandeel aanzienlijk geweest. De motorfietser heeft verklaard tussen de 40 en de 50 kilometer per uur te hebben gereden. Op grond van bepaalde berekeningen is de raadsvrouw van mening dat de motorfietser (veel) harder moet hebben gereden, wat bovendien kan worden afgeleid uit het feit dat haar cliënt de motorfiets over het hoofd heeft gezien. Haar cliënt heeft immers bij het uitrijden uit de inrit van perceelnummer (nr) de weg bekeken en heeft geen verkeer op de weg gezien. Aangezien er ter plaatse sprake was van een 30 kilometer zone, hoefde haar cliënt geen rekening te houden met verkeer dat met hoge snelheid in zijn richting kwam aanrijden en mocht hij erop vertrouwen dat de weg vrij bleef. Naar de mening van de raadsvrouw heeft haar cliënt door te kijken bij het uitrijden van de eerste inrit dan ook aan de op hem rustende zorgplicht voldaan. Er is dan ook geen sprake van de, primair ten laste gelegde, aanmerkelijke onvoorzichtigheid van haar cliënt. Een enkele verkeersfout is daartoe, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, onvoldoende.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat haar cliënt zich niet schuldig heeft gemaakt aan gevaarzettend gedrag, aangezien hij alles heeft gedaan wat van een normale weggebruiker verwacht mag worden en op grond van het over het hoofd zien van een medeweggebruiker alleen, dergelijk gevaarzettend gedrag niet kan worden aangenomen.

De beoordeling door de rechtbank

Verdachte had een bijzondere manoeuvre uitgevoerd, het achterwaarts van een uitrit de weg oprijden, en was een tweede bijzondere manoeuvre aan het uitvoeren, het van de weg links een inrit oprijden. Op dat moment is een aanrijding ontstaan tussen het voertuig van verdachte en de in dezelfde richting rijdende motorrijder. Daaruit leidt de rechtbank af dat verdachte in strijd met de artikelen 18 en 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, de over dezelfde weg rijdende bestuurder van de motorfiets niet heeft laten voorgaan.

De rechtbank is van oordeel dat op verdachte bij het uitvoeren van bijzondere manoeuvres een extra zorgplicht rustte om zich ervan te vergewissen dat hij op veilige wijze kort na elkaar genoemde manoeuvres kon maken. Daarbij is zij van oordeel dat van verdachte verwacht had mogen worden, dat hij, behalve de weg te overzien door links en rechts te kijken op het moment dat hij de inrit van perceel nummer [nr] verliet, ook vóór het maken van een stuurbeweging om de inrit van perceel nummer [nr] in te rijden, in zijn achteruitkijk spiegel had dienen te kijken, over zijn schouder had dienen te kijken en eventueel zijn auto tot stilstand had dienen te brengen om zich ervan te kunnen vergewissen dat hij, zonder daarbij het overige verkeer in gevaar te brengen, veilig deze inrit kon oprijden.

Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij, nadat hij links en rechts had gekeken en geen verkeer op de weg heeft gezien, met zijn auto van de inrit van perceelnummer [nr] is gereden en vervolgens met een snelheid van ca. 10-15 km naar perceelnummer [nr] is gereden. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard niet meer te weten of hij op het moment dat hij de inrit van perceel nummer [nr] op wilde rijden, in zijn achteruitkijkspiegel heeft gekeken, maar te denken dat hij dit in automatisch wel gedaan zal hebben. Hij weet niet zeker of hij zijn richting aanwijzer heeft aangezet. Verdachte zag plotseling de motorrijder in zijn linkerraam voorbij komen en hij hoorde een klap. Op grond van het dossier leidt de rechtbank af dat er vanuit de personenauto vrij zicht naar achteren was. Dit blijkt mede uit de verklaring van de medepassagier van verdachte, die heeft verklaard de motorrijder te hebben zien aankomen op het moment dat verdachte met de personenauto de inrit van perceelnummer [nr] uitdraaide en een kort moment op de openbare weg stilstond om daarna zijn weg in de richting perceelnummer [nr] te vervolgen. De rechtbank constateert dan ook dat verdachte de motorrijder had moeten kunnen zien. Uit de Verkeers Ongevals Analyse blijkt voorts dat er geen zichtbelemmerende omstandigheden waren op het moment van het ongeval. Er was daglicht, het weer was helder en droog en tevens is gebleken dat de motorfiets en de personenauto op het moment van het ongeval in voldoende technische staat verkeerden. De bestuurder van de motor heeft verklaard dat hij twee keer heeft geremd en omdat hij niet meer op tijd achter de auto tot stilstand kon komen vervolgens naar links van de personenauto is uitgeweken om een aanrijding te voorkomen. Op dat moment sloeg de auto echter naar links af om een oprit in te rijden. Hij bevond zich op dat moment naast de personenauto.

Zo er al sprake is geweest van een door de verdediging aangevoerd, “uit automatisme in de achteruitkijkspiegel kijken” door verdachte, waarvan naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende blijkt uit de verklaring van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat in geen geval is gebleken dat verdachte de overige voorzorgsmaatregelen die van hem verwacht mochten worden, heeft genomen. De rechtbank is, in tegenstelling tot de verdediging, van oordeel dat verdachte er niet op heeft mogen vertrouwen dat er, nadat hij de weg heeft overzien na het maken van de eerste manoeuvre, geen wijziging in de verkeerssituatie zou optreden, in casu dat de weg vrij zou blijven.

Met betrekking tot het verweer van de verdediging aangaande het rijgedrag van de motorrijder overweegt de rechtbank het volgende. Eventueel medeschuld van het slachtoffer disculpeert verdachte niet. Dit kan mogelijk anders zijn in die gevallen waarbij het slachtoffer uitzonderlijk verwijtbaar verkeersgedrag heeft vertoond. De motorrijder heeft verklaard 40 à 50 kilometer per uur, en dus harder dan ter plaatse toegestane 30 km, gereden te hebben. Daaruit leidt de rechtbank, in tegenstelling tot de verdediging, echter niet af dat er sprake is van uitzonderlijk verwijtbaar verkeersgedrag door de motorrijder. Door de verdediging zijn overigens evenmin omstandigheden aangevoerd die tot een dergelijke conclusie kunnen leiden.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte er sprake is van aanmerkelijke schuld en dat verdachte aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam heeft gereden.

Ten aanzien van het door de motorrijder opgelopen letsel overweegt de rechtbank als volgt. Volgens de Geneeskundige Verklaring d.d. 30 juli 2010 heeft de motorrijder als gevolg van het ongeval lichamelijk letsel opgelopen, bestaande uit een gebroken rechter grote teen en drie ontwrichte middenvoetsbeenderen in dezelfde voet. Op 24 september 2010 heeft het slachtoffer verklaard dat hij autospuiter van beroep is en zijn beroep op die datum nog niet kon uitoefenen . Met de officier van justitie en de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat dit lichamelijk letsel zodanig is, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 16 juli 2010, te Waardenburg, gemeente Neerijnen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een

motorrijtuig (personenauto) over de voor het openbaar verkeer openstaande weg,

de [adres], aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of

onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd

gehinderd, en

terwijl hij voornemens was, en bezig was meerdere bijzondere

manoeuvres uit te voeren, zoals bedoeld in artikel 54 van het Reglement

verkeersregels en verkeerstekens 1990,

ter hoogte van de op en aan die weg de [adres] een

bijzondere manoeuvre, als bedoeld in artikel 54 van het Reglement

verkeersregels en verkeerstekens 1990 heeft uitgevoerd, namelijk achterwaarts

van die inrit is gereden, en

(daarbij) zijn voertuig naar rechts heeft gestuurd en die weg de [adres] is opgereden, en

daarbij niet, althans in onvoldoende mate op het achter hem gelegen gedeelte van die weg de [adres] en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten, en

vervolgens op die weg de [adres] in de richting van perceelnummer [nr] is

gereden, en

daarbij ter hoogte van perceelnummer [nr] een bijzondere manoeuvre, als

bedoeld in artikel 54 van voornoemd Reglement is gaan uitvoeren, namelijk van die weg de [adres] een inrit ter hoogte van perceelnummer [nr] is gaan oprijden, en

daarbij zijn voertuig naar links heeft gestuurd en/of naar links is gereden,

en daarbij niet, althans in onvoldoende mate op het naast en

achter hem gelegen gedeelte van die weg de [adres] heeft gelet en is blijven letten, en

daarbij in strijd met artikel 54 van voornoemd Reglement de bestuurder van

een over die weg de [adres] rijdend motorrijtuig (motorfiets) niet voor heeft

laten gaan, en daarbij in strijd met artikel 18 van voornoemd Reglement een op die weg de

[adres] rijdende bestuurder van een ander motorrijtuig (motorfiets) die zich

op dezelfde weg naast, dan wel links dicht achter hem bevond,

niet voor heeft laten gaan, en

vervolgens in aanrijding is gekomen met die motorfietser,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is

ontstaan, werd toegebracht.

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.

Hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot betaling van een geldboete van € 750,- en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegheid voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaar.

Het standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft primair gepleit voor vrijspraak en subsidiair, naar de rechtbank begrijpt, voor afwezigheid van alle schuld van verdachte, nu hij alles heeft gedaan wat in de gegeven omstandigheden van hem verwacht mocht worden. Op grond daarvan dient er volgens de raadsvrouw geen straf opgelegd te worden. Indien de rechtbank van oordeel is dat wel een veroordeling dient te volgen, heeft zij de rechtbank verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte, via zijn vader contact heeft onderhouden met het slachtoffer.

De beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 20 januari 2012.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft een ernstige verkeersfout gemaakt waardoor een ander lichamelijk letsel heeft opgelopen. Gelet op de ernst van de fout en de gevolgen acht de rechtbank een geldboete en een voorwaardelijke rijontzegging van na te noemen hoogte op zijn plaats. De rechtbank heeft, net als de officier van justitie, rekening gehouden met het feit dat de motorrijder met een hogere snelheid, dan ter plaatse toegestaan, over de weg heeft gereden. De rechtbank zal de door de officier van justitie gevorderde straf opleggen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 176, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezen verklaarde tot

Een betaling van een geldboete van € 750,- (zegge zeven honderd en vijftig euro),

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door de duur van 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat deze ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Aldus gewezen door mr. A.M. van Gorp, als voorzitter, mr. C.N. Dijkstra en mr. J.W.T.M. Follender Grossfeld, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Cosijn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 februari 2012.