Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BV6585

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-02-2012
Datum publicatie
24-02-2012
Zaaknummer
AWB 11/1041 en 11/1042
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

IB. AWR. Jaar 2005. Navorderingsbevoegdheid. De rechtbank rekent de kennis van de ontvanger over de gang van zaken bij een schuldsanering en een met die schuldsanering samenhangende civiele procedure in de concrete omstandigheden toe aan de inspecteur. Door die kennis (over een ontvangen schadevergoeding) niet met de inspecteur te delen, beschikt deze laatste niet over een navordering rechtvaardigend nieuw feit. Ook was eiser volgens de rechtbank niet te kwader trouw. Navorderingsaanslag wordt vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/567
FutD 2012-0584
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

registratienummers: AWB 11/1041 en 11/1042

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 23 februari 2012

inzake

[X], wonende te [Z], eiser,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Rivierenland, kantoor Arnhem, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft op 27 juli 2010 een herzieningsbeschikking als bedoeld in artikel 3.151, vierde lid, van de Wet IB 2001 (hierna: de verliesherzieningsbeschikking) vastgesteld en daarbij het verlies uit werk en wonen voor het jaar 2005, in afwijking van een eerdere beschikking, vastgesteld op nihil.

Verweerder heeft eiser bij uitspraak op bezwaar van 2 maart 2011 eiser wegens overschrijding van de wettelijke bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar tegen deze beschikking.

Eiser heeft daartegen bij brief van 18 maart 2011, ontvangen door de rechtbank op 21 maart 2011, beroep ingesteld.

Verweerder heeft met dagtekening 17 augustus 2010 aan eiser voor het jaar 2005 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [000]H.57) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 63.137. Tevens is bij beschikking € 4.791 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 1 maart 2011 de navorderingsaanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 18 maart 2011, ontvangen door de rechtbank op 21 maart 2011, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2012 te Arnhem. Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is verschenen drs. [gemachtigde]. De beroepen van eiser zijn gelijktijdig behandeld.

Verweerder heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

2. Feiten

2.1. Eiser was in de periode 1981-1985 werkzaam als audiovisueel producent. Per 1 juni 1985 was hij werkzaam als directeur pers en publiciteit bij een bedrijf waarvan een zekere [A] directeur en aandeelhouder was. Aan de werkzaamheden voor dit bedrijf lag een overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten ten grondslag. Bij beëindiging van het bedrijf op 2 oktober 1985 had eiser een vordering op [A], welke vordering niet is betaald, als gevolg waarvan eiser in financiële problemen kwam te verkeren.

2.2. Op 19 november 1986 is aan eiser surseance van betaling verleend. Daarbij is toenmalig advocaat mr. [B] benoemd tot bewindvoerder. Op verzoek van de bewindvoerder is de surseance vanaf 21 januari 1987 omgezet in een faillissement, waarbij de bewindvoerder is benoemd tot curator. Het faillissement van eiser eindigde op 24 december 1996 wegens gebrek aan baten, waardoor een belangrijk deel van de pre-faillissementsschulden weer herleefden. Daarnaast werd eiser wettelijke rente verschuldigd. Eiser heeft in de handelwijze van de curator aanleiding gezien deze aansprakelijk te stellen voor de schade die eiser heeft geleden door het faillissement. Medio 1998 heeft eiser de voormalig curator daartoe gedagvaard.

2.3. Eiser is in de periode van 7 december 1999 tot en met 25 maart 2005 op eigen verzoek toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling op grond van de Wet Schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp). De bewindvoerder heeft de procedure tegen de voormalige curator voortgezet.

2.4. Blijkens een notitie van 28 mei 2002 heeft eiser op die dag telefonisch overleg gevoerd met een medewerker van verweerder over de vraag of in de door hem van de curator te bedingen schadevergoeding een belastbaar element zit, zodat hij hier bij zijn onderhandelingen rekening mee kan houden. De medewerker van verweerder heeft aangegeven dat hij daarover pas duidelijkheid kan worden gegeven als bekend is hoeveel is ontvangen, en waarvoor dat is ontvangen.

2.5. De procedure tegen de curator is geëindigd met een arrest van het Gerechtshof Arnhem van 18 februari 2003. Uit dit arrest blijkt dat eiser heeft gevorderd dat de curator wordt veroordeeld tot betaling van (telkens afgerond) € 130.000 crediteurenschade, € 562.000 inkomensschade, € 23.000 immateriële schade en diverse kosten. Het Gerechtshof heeft voor recht verklaard dat de voormalige curator bij de behandeling van eisers faillissement jegens eiser onzorgvuldig heeft gehandeld en dat de voormalige curator in privé aansprakelijk is voor de daardoor geleden schade, welke nader bij staat is op te maken.

2.6. In een brief van [C] (eisers advocaat) van 24 maart 2003 aan (o.a.) eiser en zijn bewindvoerder wordt ingegaan op de gevolgen van het arrest van het Gerechtshof van 18 februari 2003 en de te voeren schadestaatprocedure. In die brief wordt opgemerkt dat mr [D] (advocaat van de verzekeraar van de curator) heeft aangegeven geen ruimte te zien voor vergoeding van inkomensschade van eiser. Tevens wordt opgemerkt dat de President in voorlopige voorzieningen vermoedelijk niet zal toekomen aan toekenning van immateriële schade en/of inkomensschade, vanwege de complexiteit van het geschil (zoals de causaliteit en de hoogte van de schade).

2.7. In een e-mailbericht van 31 juli 2003 van [C] aan de bewindvoerder wordt opgemerkt dat de advocaat van de verzekeraar geen verlies aan arbeidscapaciteit aanwezig acht, met het risico dat de fiscus alles boven de Wsnp-schulden als belast inkomen zal aanmerken. Voorgesteld wordt daarom een hoger bedrag aan kosten en immateriële schade te vorderen. Een bedrag van € 240.000-250.000 wordt haalbaar geacht.

2.8. In een tot de gedingstukken behorende concept-brief van [C] van september 2003 aan de advocaat van de verzekeraar van de curator wordt een analyse gegeven van de door eiser geleden schade (begroot op in totaal € 440.000). Deze valt volgens deze brief uiteen in (afgerond): € 130.000 crediteurenschade, € 70.000 kosten WSNP, € 180.000 gemist besteedbaar inkomen, € 23.000 schade als gevolg van het onthouden van rehabilitatie, € 7.000 gemist surplus bij einde faillissement en € 30.000 gemaakte kosten.

2.9. In een brief van 15 januari 2004 informeert eiser de ontvanger van de Belastingdienst Arnhem (de heer [E]) over de stand van zaken van de schuldsanering. [E] was namens de Belastingdienst faillissementscoördinator en werd uit dien hoofde regelmatig geïnformeerd over de gang van zaken tijdens de schuldsanering. Eiser maakt in deze brief melding van een voorstel de procedure met de curator af te ronden door middel van een te ontvangen schikkingsbedrag van € 349.500. Eiser rekent daarbij uit dat de fiscale consequenties vermoedelijk € 25.000 zullen bedragen, zodat voor betaling van crediteuren en vergoeding van door eiser geleden schade ongeveer € 325.000 beschikbaar zou komen.

2.10. Op 3 december 2004 heeft de bewindvoerder, met toestemming van de rechter-commissaris, een deelschikking getroffen met de verzekeraar van de curator. Deze schikking hield in dat tegen betaling van € 100.000 finale kwijting werd verleend ter zake van door eiser geleden passiefschade. De inkomensschade blijft in deze regeling buiten beschouwing; de rechten daarop zijn niet prijsgegeven. Het bedrag van € 100.000 is in de boedel gestort, om afwikkeling van de schuldsanering mogelijk te maken. Het door eiser bij de Rechtbank Zwolle Lelystad tegen de door de rechter-commissaris verleende goedkeuring ingediende beroep, is op 23 december 2004 ongegrond verklaard.

2.11. Na overleg met de betrokken partijen heeft de rechter-commissaris op 11 februari 2005 een poging gedaan om alsnog een compromis te bereiken. In zijn faxbericht van deze datum aan de betrokkenen merkt hij voor zover van belang op:

“De regeling zou dan het volgende inhouden:

* partij [B] (Nationale Nederlanden) betaalt voor de nog resterende schade ter zake alle tussen hen op heden bestaande geschillen tegen finale kwijting als lumpsum € 175.000,= bruto, d.w.z. dat eventuele daar over te betalen belasting, c.q. andere lasten voor rekening van partij [X] komen;”

2.12. Naar aanleiding van het hiervoor weergegeven voorstel van de rechter-commissaris heeft eiser telefonisch overleg gepleegd met (onder andere) ontvanger [E]. Hij heeft hem geïnformeerd over het voorliggende schikkingsvoorstel. Hierna heeft eiser het voorstel geaccepteerd. Het voorstel is ook door de wederpartij geaccepteerd. De schikking is door partijen niet verder schriftelijk vastgelegd.

2.13. Op 10 februari 2005 heeft de verificatievergadering van eisers schuldsanering plaatsgevonden. Het boedelactief bedraagt € 100.000, de door de verzekeraar op grond van de deelschikking gedane betaling. De ontvanger is uitgenodigd, maar niet verschenen. Op 1 maart 2005 is de slotuitdelingslijst ter inzage gelegd. Op 15 maart 2005 is de slotuitdelingslijst verbindend geworden en is de schuldsanering geëindigd.

2.14. Op 29 maart 2005 heeft eiser een bedrag van € 145.831,98 ontvangen, zijnde het met de verzekeraar overeengekomen bedrag van € 175.000 verminderd met € 29.169,02 wegens aan derden voldane kosten.

2.15. Op 29 maart 2006 heeft eiser aangifte voor de heffing van IB/PVV over het jaar 2005 gedaan. In de aangifte is geen melding gemaakt van de ontvangen schadevergoeding. Op 5 oktober 2007 heeft verweerder overeenkomstig de aangifte een aanslag van nihil opgelegd en het verlies uit werk en woning bij beschikking vastgesteld op € 21.863.

2.16. Op 23 februari 2010 heeft verweerder eiser gehoord over zijn bezwaar tegen de aan hem over het jaar 2006 opgelegde aanslag IB/PVV. In dat hoorgesprek is tevens de door eiser in het voorafgaande jaar (2005) ontvangen schadevergoeding aan de orde gekomen. Naar aanleiding van ingesteld nader onderzoek is verweerder tot de conclusie gekomen dat van de ontvangen schadevergoeding een bedrag van € 85.000 tot eisers inkomen uit werk en woning moet worden gerekend. Hij heeft op 27 juli 2010 de thans in geschil zijnde verliesherzieningsbeschikking vastgesteld en daarbij het verlies uit werk en wonen voor het jaar 2005 in afwijking van de eerdere beschikking nader vastgesteld op nihil. Met dagtekening 17 augustus 2010 heeft verweerder aan eiser voor het jaar 2005 de thans in geschil zijnde navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 63.137. Tevens is bij beschikking € 4.791 aan heffingsrente in rekening gebracht.

2.17. Volgens een tot de gedingstukken behorende schriftelijke verklaring van de voormalige curator van 18 november 2010 was er bij eiser geen sprake van een verlies aan arbeids- en verdiencapaciteit en dus ook geen sprake van te vergoeden inkomensschade.

2.18. Vanaf 1 april 2005 is eiser begonnen met een eigen praktijk voor rechtsbijstand. In de periode tussen 1986 en 2005 heeft eiser – uit principiële overwegingen – geen werkzaamheden verricht en daardoor geen inkomen uit arbeid genoten.

3. Geschil

In geschil is of eiser terecht niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar tegen de verliesherzieningsbeschikking. Daarnaast is in geschil of verweerder gerechtigd was de navorderingsaanslag op te leggen en de verliesherzieningsbeschikking te nemen. Ten slotte is in geschil of van de door eiser in 2005 ontvangen schadevergoeding een gedeelte moet worden aangemerkt als inkomen uit werk en woning (vergoeding voor gederfd inkomen).

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid bezwaar tegen de verliesherzieningsbeschikking

4.1. Verweerder heeft op 27 juli 2010 de verliesherzieningsbeschikking afgegeven. Ingevolge de artikelen 6:7 en 6:9 van de Awb eindigde de bezwaartermijn op dinsdag 7 september 2011. Bij brief van 9 september 2010, ontvangen door verweerder op 10 september 2010, heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de beschikking. Verweerder heeft het bezwaar vervolgens, wegens overschrijding van de termijn, niet-ontvankelijk verklaard.

4.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij de beoordeling van de ontvankelijkheid ten onrechte geen rekening gehouden met een door eiser op 7 september 2010 aan verweerder verzonden faxbericht. In dit faxbericht wordt onder andere ingegaan op twee door verweerder op 27 juli 2010 aan eiser gezonden brieven. Eén van de brieven betreft het voornemen tot navordering over het jaar 2005. De andere brief betreft de verliesherzieningsbeschikking. Met betrekking tot deze brieven merkt eiser op:

“Voor het overige geeft u in de brieven van deze datum uitvoering aan hetgeen u al had aangekondigd en waarop hierboven uitvoerig is ingegaan. Het moge duidelijk zijn dat ik uw visie verwerp en zelfs verachtelijk beoordeel.”

4.3. Gelet op de hiervoor geciteerde passage uit en de overige inhoud van het faxbericht van 7 september 2010, moet dit bericht onmiskenbaar als een – op 7 september 2010 en dus tijdig ingediend - bezwaarschrift tegen de verliesherzieningsbeschikking worden aangemerkt. Eisers brief van 9 september 2010 moet worden gezien als een bevestiging van zijn eerder gemaakte bezwaar. Verweerder heeft eiser in bezwaar daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep moet derhalve gegrond worden verklaard. Gelet op hetgeen hierna is overwogen, zal de rechtbank de zaak niet terugwijzen naar verweerder, maar zelf op de voet van artikel 8:72, vierde lid, letter c, van de Awb in de zaak voorzien.

Navorderingsbevoegdheid / nieuw feit

4.4. Op 5 oktober 2007 heeft verweerder overeenkomstig de aangifte een aanslag van nihil opgelegd en het verlies uit werk en woning bij beschikking vastgesteld op € 21.863. Opleggen van een navorderingsaanslag en herzien van een verliesbeschikking is slechts toegestaan indien wordt voldaan aan de daarvoor in artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en artikel 3.151, vierde en vijfde lid van de Wet IB 2001 opgenomen voorwaarden. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de AWR kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Gelijkluidende voorwaarden zijn opgenomen in artikel 3.151 van de Wet IB 2001. Op de inspecteur rust de bewijslast aannemelijk te maken dat er sprake is van een nieuw feit of van kwade trouw.

4.5. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een nieuw feit dient beoordeeld te worden of de navorderingsaanslag voortvloeit uit feiten die bij het opleggen van de primitieve aanslag reeds bij de inspecteur bekend waren of redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn. Volgens vaste jurisprudentie mag de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die belanghebbende in zijn aangifte heeft vermeld. Tot een nader onderzoek is de inspecteur in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven of het ontbreken daarvan, in redelijkheid behoort te twijfelen (HR 6 juni 2001, nr. 36 306, LJN: AB2890, BNB 2001/397).

4.6. Eiser heeft aangevoerd, en door verweerder is niet weersproken, dat de ontvanger van de Belastingdienst/Rivierenland, kantoor Arnhem, op de hoogte werd gehouden van het verloop van de schuldsanering en dat hij zelf ook enkele malen met de behandelend ambtenaar (de faillissementscoördinator), de heer [E], overleg heeft gepleegd. Volgens eiser was de ontvanger daarom op de hoogte van de discussie tussen eiser en de verzekeraar van de voormalige curator over de vraag of aanspraak bestond op vergoeding van inkomensschade en over de mogelijke belastbaarheid van een deel daarvan. Daarnaast heeft eiser onweersproken gesteld dat hij over de door de rechter-commissaris op 11 februari 2005 voorgestelde schikking nog vóór acceptatie van dat voorstel, contact heeft gehad met de ontvanger. Tevens is de ontvanger geïnformeerd over de financiële afwikkeling van de schuldsanering, aldus eiser.

4.7. Op grond van de onder de feiten opgenomen correspondentie en de hiervoor opgenomen, door verweerder niet of onvoldoende weersproken, verklaringen van eiser acht de rechtbank aannemelijk dat de ontvanger in de maanden februari en maart 2005 ervan op de hoogte is gekomen dat eiser in dat jaar een schadevergoeding zou ontvangen. Tevens acht de rechtbank aannemelijk dat de ontvanger wist dat mogelijk een gedeelte als een belaste vergoeding voor inkomensschade zou moeten worden aangemerkt. De ontvanger heeft die kennis echter niet gedeeld met zijn met de heffing van IB/PVV belaste collega’s. Volgens verweerder heeft dit te maken met de strikt gescheiden werkstromen (heffing/controle enerzijds en inning anderzijds) op zijn kantoor, en kan dit niet aan hem worden toegerekend.

4.8. De rechtbank merkt allereerst op dat verweerder sinds 28 mei 2002 zelf op de hoogte was van de omstandigheid dat eiser in een beroepsprocedure was verwikkeld, daarbij een schadevergoeding had bedongen en dat de belastbaarheid daarvan nog niet duidelijk was. Verweerder heeft van een telefoongesprek over dat onderwerp met eiser aantekening gehouden. Daarnaast moet, anders dan verweerder bepleit, de kennis van de ontvanger in dit geval wel aan de inspecteur worden toegerekend. Zowel de bevoegde inspecteur als ontvanger maken onderdeel uit van hetzelfde organisatieonderdeel en zelfs van hetzelfde kantoor van de Belastingdienst. De functies van inspecteur en ontvanger worden uitgeoefend door dezelfde ambtenaar van de Belastingdienst, te weten (thans) de Directeur van het betreffende organisatieonderdeel (artikel 5 Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003). De omstandigheid dat uit een oogpunt van functiescheiding afzonderlijke functionarissen zijn belast met heffing of inning, brengt niet met zich mee dat zij elkaar niet op de hoogte zouden moeten stellen van voor elkaars werkproces relevante informatie. Integendeel zelfs. Een zorgvuldige uitvoering van hun taken brengt juist met zich mee dat zij elkaar in de daartoe aangewezen gevallen actief informeren. De kennis van de ontvanger moet daarom in dit geval aan verweerder worden toegerekend. Hij moet daarom geacht worden kennis te hebben gehad van de uitbetaalde schadevergoeding en de mogelijke belastbaarheid van een deel daarvan. Door, gelet op het vorenstaande, zonder nader onderzoek de aanslag over het jaar 2005 vast te stellen overeenkomstig de aangifte, heeft verweerder een ambtelijk verzuim gepleegd. Verweerder beschikt niet over een nieuw feit als bedoeld in artikel 16 van de AWR.

Navorderingsbevoegdheid / kwade trouw

4.9. Verweerder heeft zich subsidiair op de aanwezigheid van kwade trouw beroepen. Van kwade trouw in de zin van artikel 16 van de AWR is sprake indien een belastingplichtige de inspecteur opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden of opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt (vgl. HR 3 december 2010, nr. 09/04514, LJN: BO5989). Onder opzet valt ook voorwaardelijk opzet. Daarvan is sprake indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat een onjuiste aangifte zou worden gedaan, en dat hij die kans toen bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen) (vgl. HR 13 februari 2004, nr. 39 477, LJN: AO3643, BNB 2004/160 en HR 3 december 2010, nr. 09/04514, LJN: BO5989).

4.10. Het is aan verweerder feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, die de conclusie rechtvaardigen dat eiser te kwader trouw is. Volgens verweerder is sprake van voorwaardelijke opzet in de hiervoor bedoelde zin omdat eiser in de onderhandelingen over de schadevergoeding heeft ingezet op een forse vergoeding van inkomensschade, dat hij zich ervan bewust was dat een dergelijke vergoeding belast zou zijn, dat hij hiervoor ook door zijn advocaat was gewaarschuwd, dat in het door de rechter-commissaris gedane voorstel wordt gewezen op mogelijke belastingaspecten en dat hij geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid de zaak voor het indienen van de aangifte aan de inspecteur voor te leggen. Door in de aangifte geen melding te maken van de ontvangen schadevergoeding wist eiser volgens verweerder dat de aanmerkelijke kans bestond dat een onjuiste aangifte zou worden gedaan, en heeft eiser die kans toen bewust aanvaard.

4.11. Met hetgeen verweerder heeft aangevoerd, maakt hij naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk dat sprake is van voorwaardelijke opzet. Uit de gedingstukken en de toelichting van eiser ter zitting blijkt dat sprake is geweest van een zeer moeizaam en langdurig onderhandelingsproces over de door de verzekeraar te betalen schadevergoeding. Verweerder merkt terecht op dat eiser heeft ingezet op een forse inkomensschadevergoeding. Maar eveneens blijkt uit het dossier dat de voormalige curator en zijn verzekeraar zich daartegen hebben verzet. Hierbij zal naar het oordeel van de rechtbank voor de verzekeraar meegespeeld hebben dat eiser uit eigen beweging vanaf het tijdstip van faillietverklaring heeft besloten geen werkzaamheden tegen betaling meer te verrichten, waardoor het verband tussen het daardoor misgelopen inkomen en het onrechtmatig optreden van de curator niet vanzelfsprekend is. Partijen hebben het uiteindelijk betaalde bedrag niet nader gespecificeerd. Het door de rechter-commissaris voorgestelde compromis is zonder nadere uitwerking uitgevoerd. De rechtbank wijst er in dit verband nog op dat de curator op 18 november 2010 heeft verklaard dat hij en zijn verzekeraar van mening waren dat geen sprake was van verlies van arbeids- en verdiencapaciteit en dus evenmin van te vergoeden inkomensschade.

4.12. Eiser heeft erop gewezen dat hij zich gedwongen voelde zijn claim op vergoeding van inkomensschade uiteindelijk te laten vallen omdat er anders geen compromis tot stand zou kunnen komen. Hij wijst er in dit verband terecht op dat van de in september 2003 door zijn advocaat begrote schade van in totaal € 440.000, een gedeelte van € 180.000 inkomensschade en het restant ad € 260.000 vermogensschade betrof. Nu eiser uiteindelijk in totaal € 275.000 heeft ontvangen, mocht eiser er tegen de achtergrond van de voorafgaande moeizame onderhandelingen, naar het oordeel van de rechtbank vanuit gaan dat hij uiteindelijk geen vergoeding voor inkomensschade had ontvangen. Onder deze omstandigheden kan van voorwaardelijke opzet gericht op het onthouden van gegevens aan verweerder geen sprake zijn. Van kwade trouw als bedoeld in artikel 16 van de AWR is geen sprake.

4.13. Het vorenstaande heeft tot gevolg dat verweerder niet gerechtigd was het eerder vastgestelde verlies over het jaar 2005 te herzien en evenmin gerechtigd was een navorderingsaanslag over dit jaar op te leggen. De verliesherzieningsbeschikking en de navorderingsaanslag moeten worden vernietigd. Nu de navorderingsaanslag dient te worden vernietigd, dient tevens de beschikking heffingsrente te worden vernietigd.

4.14. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

5.1. Eiser heeft geen kosten gemaakt van door een derde verleende rechtsbijstand. Wel heeft eiser gesteld dat verweerder moet worden veroordeeld in zijn verletkosten. Hij heeft deze kosten ter zitting berekend op 368 uur x € 101 = € 37.168, zijnde de door hem in zijn praktijk als dienstverlener door het voeren van deze procedure gederfde omzet.

5.2. Op grond van artikel 1, onderdeel d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) kan eiser aanspraak maken op vergoeding van verletkosten. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2001, nr. 35988, LJN: AB0636, BNB 2001/235, gaat het hierbij slechts om kosten van tijdverzuim door bijvoorbeeld vrijaf te moeten nemen voor het bijwonen van een zitting en de heen- en terugreis. Het gaat dus niet om tijdverzuim door voorbereidende handelingen, zoals het opstellen of lezen van stukken. De hierdoor ontstane verletkosten worden in aanmerking genomen tegen een maximum tarief van € 53,09 per uur (artikel 2, onderdeel d, van het Besluit). Eiser is in bezwaar tweemaal gehoord en is ter zitting bij de Rechtbank verschenen. Nu partijen zich niet hebben uitgelaten over de hiermee gemoeide tijd zal de rechtbank deze schattenderwijs op vier uur per hoorgesprek en zitting stellen. Voor vergoeding komt dan in aanmerking 12 uur x € 53,09 = € 637,08.

5.3. Voor zover eiser heeft beoogd te stellen dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in het derde lid van artikel 2 van het Besluit, die een hogere vergoeding dan het hiervoor berekende bedrag rechtvaardigen, overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft zich zowel voor het opleggen van de aanslag als in bezwaar en beroep beklaagd over de omstandigheid dat verweerder de belastbaarheid van de door hem ontvangen schadevergoeding ter discussie heeft gesteld. Omdat hij van mening was dat met de acceptatie van het door de rechter-commissaris gedane compromisvoorstel over de te ontvangen schadevergoeding en de daarop volgende definitieve afwikkeling van zijn schuldsanering de onbelastbaarheid van die vergoeding vaststond, stond het volgens eiser verweerder niet meer vrij de belastingheffing daarover alsnog ter discussie te stellen. Om die reden heeft eiser zich meermaals verzet tegen informatieverstrekking aan verweerder.

5.4. Anders dan eiser echter veronderstelt, dient de belastingrechter zelfstandig te beoordelen of een door een belastingplichtige ten titel van schadevergoeding ontvangen bedrag geheel of ten dele moet worden aangemerkt als een (belaste) vergoeding van inkomensschade of een (onbelaste) vergoeding van een immateriële of andere vermogensschade. Hij is daarbij niet gebonden aan een eerdere beslissing van een andere rechter, zoals bijvoorbeeld de kantonrechter (Hoge Raad 26 mei 1993, nr. 29057, LJN: ZC5364, BNB 1993/233). Het stond verweerder daarom volledig vrij de belastbaarheid van een deel van de door eiser ontvangen schadevergoeding ter discussie te stellen. Ook van het standpunt van verweerder dat hij beschikte over navorderingsbevoegdheid kan niet worden gezegd dat het evident onjuist is. Hetzelfde geldt voor het standpunt van verweerder dat een gedeelte van de door eiser ontvangen vergoeding moet worden belast. Van het tegen beter weten opleggen van een navorderingsaanslag en vaststellen van een verliesherzieningsbeschikking is daarom geen sprake. Voor een van het Besluit afwijkende proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

5.5. De rechtbank vindt op grond van het vorenstaande aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiser in verband met de behande¬ling van het bezwaar en het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit vastgesteld op € 637,08 voor verletkosten en € 21,26 voor reiskosten (2 x hoorzitting, 1 x zitting rechtbank, trein en bus), in totaal (afgerond) € 659.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vernietigt de verliesherstelbeschikking;

- vernietigt de navorderingsaanslag en de beschikking heffingsrente;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 659;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 41 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.I. van Amsterdam, voorzitter, mr. M.C.G.J. van Well en mr. J.M.W. van de Sande, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Aalbersberg, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 23 februari 2012

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.