Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BV6218

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-01-2012
Datum publicatie
02-03-2012
Zaaknummer
224729
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser stelt dat DNA-onderzoek op dat weefsel, ook biopt genoemd, thans nog de enige mogelijkheid is om vast te stellen of zijn wettige vader ook zijn biologische vader is. Hij heeft het ziekenhuis om afgifte van dit weefsel, dan wel medewerking aan een erfelijkheidsonderzoek verzocht. Het ziekenhuis heeft dit verzoek tot tweemaal toe afgewezen met een beroep op haar geheimhoudingsplicht van artikel 7:457 BW, welke ook geldt na het overlijden van de patiënt.

Bij de beoordeling dient het volgende tot uitgangspunt. Aan grondrechten als het recht op respect voor het privéleven, het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst en het recht op vrijheid van meningsuiting ten grondslag liggende algemene persoonlijkheidsrecht omvat mede het recht om te weten van welke ouders men afstamt. Dit recht is internationaal vastgelegd in artikel 7 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, waarbij Nederland partij is. Dit recht is niet absoluut en moet wijken voor de rechten en vrijheden van anderen wanneer deze in het gegeven geval zwaarder wegen (HR, 15 april 1994, NJ 1994, 608, LJN: ZC1337). In deze zaak staat tegen over dit recht van [eiser] het recht van de vader en de overige betrokken familieleden tot bescherming van hun persoonlijke levenssfeer. Dit recht wordt beschermd door de geheimhoudingsplicht van het ziekenhuis op grond van artikel 7:457 BW.

Met inachtneming van het voorgaande zal een afweging van belangen moeten plaatsvinden om vast te stellen of eiser ter effectuering van het hem toekomende recht om te weten van wie hij afstamt met doorbreking van de geheimhoudingsplicht medewerking van het ziekenhuis kan verlangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 224729 / KG ZA 12-1

Vonnis in kort geding van 25 januari 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. J. Brouwer te Veenendaal,

tegen

1. de stichting

STICHTING RIJNSTATE ZIEKENHUIS,

gevestigd te Arnhem,

2. de stichting

STICHTING RIJNSTATE,

gevestigd te Arnhem,

gedaagden,

advocaat mr. J. Holland te Zwolle.

Partijen zullen hierna [eiser] en het ziekenhuis genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser]

- de pleitnota van het ziekenhuis.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [betrokkene] is de wettige vader van [eiser].

2.2. [betrokkene] is op 11 november 2009 overleden. Tot aan zijn overlijden is hij onder behandeling geweest bij het ziekenhuis.

2.3. Na het overlijden van [betrokkene] is [eiser] in een acute depressie geraakt onder andere door het feit dat er twijfel is gerezen over de vraag of [betrokkene] zijn biologische vader is.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert het ziekenhuis bij vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad

- primair: te gebieden om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis over te gaan tot afgifte van het onder haar berustende biopt dat is afgenomen van [betrokkene] aan eiser (althans een door hem aan te wijzen arts of erfelijkheidsonderzoeker), althans

- subsidiair: te gebieden om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis een erfelijkheidsonderzoek uit te voeren ter vaststelling van de biologische relatie tussen eiser en [betrokkene],

met veroordeling van het ziekenhuis in de proceskosten.

3.2. Het ziekenhuis voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in deze zaak om het volgende. [eiser] is de wettige zoon van [betrokkene] (hierna: de vader) en [betrokkene 2] (hierna: de moeder). De moeder is in 2003 overleden. Op haar sterfbed heeft zij aan haar man en [eiser] verteld dat niet haar man de biologische vader is van [eiser], maar de broer van haar man en dus de oom van [eiser]. Na het overlijden van de moeder heeft de vader nog jaren geleefd, waarin [eiser] intensief voor hem heeft gezorgd. Op 11 november 2009 is de vader overleden. [eiser] is hierna in een depressie geraakt, wat in november/december 2010 heeft geleid tot een acute depressie met suïcidepogingen. Dit heeft geleid tot een crisisopname bij De Gelderse Roos. [eiser] is tevens onder behandeling bij een psycholoog. Zowel de psycholoog als de psychiatrisch verpleegkundige bij de crisisopvang hebben in brieven van 15 juni 2011 resp. 28 juni 2011 gerapporteerd over de achtergronden van de depressie van [eiser] en concluderen dat een noodzakelijk voorwaarde voor herstel van [eiser] is, dat hij duidelijkheid verkrijgt over de vraag of zijn wettige vader ook zijn biologische vader is.

4.2. Volgens [eiser] is er tijdens de behandeling van de vader in het ziekenhuis kort voor zijn overlijden weefsel afgenomen. [eiser] stelt dat DNA-onderzoek op dat afgenomen weefsel, ook biopt genoemd, thans nog de enige mogelijkheid is om vast te stellen of zijn wettige vader ook zijn biologische vader is. Hij heeft het ziekenhuis om afgifte van dit weefsel, dan wel medewerking aan een erfelijkheidsonderzoek verzocht. Het ziekenhuis heeft dit verzoek tot tweemaal toe afgewezen met een beroep op zijn geheimhoudingsplicht op grond van artikel 7:457 BW, die ook geldt na het overlijden van de patiënt. Volgens het ziekenhuis is het belang van [eiser] bij afgifte van het weefsel van dan wel DNA-onderzoek op het weefsel onvoldoende zwaarwegend om de geheimhoudingsplicht in dit geval te doorbreken.

4.3. Bij de beoordeling dient het volgende tot uitgangspunt. Aan grondrechten als het recht op respect voor het privéleven, het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst en het recht op vrijheid van meningsuiting ten grondslag liggende algemene persoonlijkheidsrecht omvat mede het recht om te weten van welke ouders men afstamt. Dit recht is internationaal vastgelegd in artikel 7 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, waarbij Nederland partij is. Dit recht is niet absoluut en moet wijken voor de rechten en vrijheden van anderen wanneer deze in het gegeven geval zwaarder wegen (HR, 15 april 1994, NJ 1994, 608, LJN: ZC1337). In deze zaak staat tegen over dit recht van [eiser] het recht van de vader en de overige betrokken familieleden tot bescherming van hun persoonlijke levenssfeer. Dit recht wordt beschermd door de geheimhoudingsplicht van het ziekenhuis op grond van artikel 7:457 BW. Daarin is vastgelegd dat de hulpverlener zorg draagt dat anderen dan de patiënt geen inlichtingen over de patiënt dan wel inzage of afschrift van de bescheiden van het medisch dossier worden verstrekt dan met toestemming van de patiënt. Indien verstrekking plaatsvindt, geschiedt deze slechts voor zover daardoor de persoonlijke levenssfeer van een ander niet worden geschaad.

4.4. Anders dan in het geval van HR 15 april 1994, NJ 1994, 608, verzoekt [eiser] in de onderhavige zaak het ziekenhuis niet rechtstreeks om inlichtingen over de vader dan wel inzage of afschrift van de bescheiden van het medisch dossier van vader te verstrekken waaruit blijkt wie de biologische vader is, maar om afgifte van bij vader afgenomen weefsel, dan wel onderzoek naar dat weefsel waaruit afgeleid kan worden of [betrokkene] de biologische vader is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit op zichzelf geen principieel verschil maakt. Het gaat [eiser] immers om informatie die rechtstreeks uit het weefsel van de vader kan worden verkregen over de verwantschap tussen hem en de vader en niet om het weefsel zelf. Deze informatie is daarmee ook aan te merken als een inlichting over de patiënt zoals bedoeld in artikel 7:457 BW.

4.5. Met inachtneming van het voorgaande zal een afweging van belangen moeten plaatsvinden om vast te stellen of [eiser] ter effectuering van het hem toekomende recht om te weten van wie hij afstamt met doorbreking van de geheimhoudingsplicht medewerking van het ziekenhuis kan verlangen. Ten aanzien van de afweging van het belang van [eiser] om zijn biologische relatie met de vader vast te kunnen stellen enerzijds en het belang van de vader en de overige betrokken familieleden tot bescherming van hun persoonlijke levenssfeer anderzijds, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Aan het recht om te weten van wie men afstamt, moet aanmerkelijk gewicht worden toegekend. Uit de brieven van de psycholoog en de psychiatrisch verpleegkundige, waarvan de inhoud door het ziekenhuis niet is betwist, blijkt dat het voor [eiser] een noodzakelijke voorwaarde voor herstel van zijn ernstige depressie is om te weten te komen of zijn wettige vader ook zijn biologische vader is. Het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de vader en de overige betrokken familieleden weegt hier niet tegen op. De vader, de moeder en de vermoedelijke biologische vader zijn inmiddels overleden. Bovendien was de vader op de hoogte van het geheim van moeder en wisten [eiser] en de vader ook van elkaar dat zij hiervan op de hoogte waren. Niet is gebleken dat de vader en de moeder andere kinderen hebben. De kinderen van de vermoedelijke biologische vader van [eiser], zijn neven, staan, zoals [eiser] onbetwist heeft gesteld, volledig achter de wens van [eiser] om te weten of zijn wettige vader ook zijn biologische vader is. Dit is ook gebleken uit de aanwezigheid van een van hen ter terechtzitting. De conclusie is dat onder deze concrete omstandigheden het recht van [eiser] om te weten van wie hij afstamt, prevaleert boven het recht van de vader en de overige betrokken familieleden tot bescherming van hun persoonlijke levenssfeer.

4.6. De vraag is of dit dan ook rechtvaardigt dat de geheimhoudingsplicht van het ziekenhuis moet worden doorbroken. Daarvoor moet een afweging worden gemaakt van enerzijds het belang van [eiser] en anderzijds het belang ter bescherming waarvan de geheimhoudingsplicht strekt. Het belang van [eiser] is hiervoor reeds aan de orde geweest. De ratio van de geheimhoudingsplicht is er in gelegen te voorkomen dat zieken ervan worden weerhouden geneeskundige hulp in te roepen uit vrees dat hetgeen aan de geneeskundige zou blijken of zou worden toevertrouwd, openbaar zou kunnen worden wanneer de geheimhouding daarvan niet zou zijn zeker gesteld. Kort gezegd moet de vraag worden beantwoord of in het geval het ziekenhuis de geheimhoudingsplicht in een geval als dit doorbreekt, er een gerede kans bestaat dat mensen zich niet meer tot het ziekenhuis gaan wenden voor medische hulp. De voorzieningenrechter is van oordeel dat bij doorbreking van de geheimhoudingsplicht in deze zaak, onder de concrete omstandigheden van dit geval, deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Het ziekenhuis heeft nog aangevoerd dat [eiser] wellicht nog op andere wijze zekerheid kan verkrijgen omtrent het verwantschap tussen hem en de vader. Deze stelling is door [eiser] echter voldoende weerlegd. Ter zitting en in de pleitnota is uitgebreid toegelicht dat [eiser] alle andere mogelijkheden heeft onderzocht en dat het weefsel dat zich volgens hem in het ziekenhuis bevindt, echt de laatste mogelijkheid is om deze zekerheid te verkrijgen. Dit onderstreept nog eens het zwaarwegende belang van [eiser] bij het uit kunnen voeren van een erfelijkheidsonderzoek. Het belang van [eiser] om te weten of zijn wettige vader zijn biologische vader is, weegt in dit geval dan ook zwaarder dan het belang bij niet doorbreking van de geheimhoudingsplicht.

4.7. Het voorgaande leidt tot het volgende. Het ziekenhuis is allereerst verplicht bekend te maken of het weefsel van de vader nog in het ziekenhuis aanwezig is. Ervan uitgaande dat dit zo is, rijst de vraag in welke vorm het ziekenhuis dan zou moeten meewerken aan een erfelijkheidsonderzoek. Het ziekenhuis heeft namelijk aangevoerd dat afgifte van het biopt aan derden mede vanwege de Wet Veiligheid en Kwaliteit Lichaamsmateriaal te bezwaarlijk is, wat door [eiser] niet is tegengesproken. Ter zitting heeft het ziekenhuis aangeboden het erfelijkheidsonderzoek zelf uit te voeren indien de voorzieningenrechter zou oordelen dat het daartoe verplicht is en aangegeven dat haar voorkeur hier ook naar uitgaat. [eiser] heeft aangegeven hiermee akkoord te kunnen gaan en heeft bovendien toegezegd zelf de kosten hiervan te zullen dragen. De voorzieningenrechter zal dan ook de subsidiaire vordering toewijzen, onder de voorwaarde dat het biopt nog in het ziekenhuis aanwezig is. [eiser] heeft aangeboden desgewenst een geheimhoudingsverklaring te tekenen ten aanzien van de uitkomst van het onderzoek. De voorzieningenrechter laat het aan partijen over om hier zo nodig nadere afspraken over te maken.

4.8. Door het ziekenhuis is nog aangevoerd dat alleen gedaagde 2 had moeten worden gedagvaard, aangezien het biopt zich bij de Stichting Rijnstate als orgaanbank bevindt. Aangezien een eventueel erfelijkheidsonderzoek door gedaagde 1 zal worden uitgevoerd, zal de vordering ten aanzien van beide gedaagden worden toegewezen.

4.9. Het ziekenhuis heeft voorts verzocht een eventueel toewijzend vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, aangezien dit tot een onomkeerbare inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de vader zal leiden, die het ziekenhuis nu juist wenst te beschermen. [eiser] heeft verzocht bij de beoordeling hiervan rekening te houden met het feit dat hij eind 2011 weer een slechte periode heeft gehad en dat er echt spoed bij is om duidelijkheid te verkrijgen over de verwantschap tussen hem en de vader. Indien hij een bodemprocedure had kunnen afwachten, zou hij dat zeker hebben gedaan.

4.10. Gezien het spoedeisende belang van [eiser] en hetgeen overigens omtrent het gevorderde is overwogen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen aanleiding is om de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad achterwege te laten.

4.11. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het is op zichzelf begrijpelijk dat het ziekenhuis de belangenafweging in deze zaak heeft willen voorleggen aan de voorzieningenrechter en niet zelf daartoe is overgegaan. Voorts blijkt uit de uitkomst van de zaak dat niet gezegd kan worden dat een van de partijen volledig in het ongelijk is gesteld.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. gebiedt gedaagden om, in het geval dat het biopt dat is afgenomen van [betrokkene] bij gedaagden aanwezig is, binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis een erfelijkheidsonderzoek uit te voeren ter vaststelling van de biologische relatie tussen [eiser] en [betrokkene],

5.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op

25 januari 2012.

Coll.:SK