Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BV6213

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
01-02-2012
Datum publicatie
17-02-2012
Zaaknummer
206658
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op LJN: BQ 0930.

Na bewijslevering concludeert de rechtbank dat Eurosort niet is geslaagd in het haar opgedragen bewijs: LWF heeft erop kunnen vertrouwen dat de vaststellingsovereenkomst ook inhield dat kwijting werd verleend voor de boete die was gesteld op overtreding van de bepalingen C/D van de aandeelhoudersovereenkomst.

Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 206658 / HA ZA 10-2013

Vonnis van 1 februari 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EUROSORT B.V.,

gevestigd te Weesp,

eiseres,

advocaat mr. O.L.M. Heuts te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LWF HOLDING B.V.,

gevestigd te Nijmegen,

gedaagde,

advocaat mr. W.A.J. Hagen te Arnhem.

Partijen zullen hierna EuroSort en LWF genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 30 maart 2011

- de aanvullende producties van EuroSort

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 14 september 2011, waar in enquête de in het vonnis van 30 maart 2011 onder 4.3 genoemde [getuige 1], [getuige 2] en [betrokkene 3] zijn gehoord,

- de rolverwijzing van 11 oktober 2011, waaruit blijkt dat er geen contra-enquête plaatsvindt,

- de conclusie na getuigenverhoor van EuroSort

- de antwoordconclusie na getuigenverhoor van LWF.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. In het vonnis van 30 maart 2011 is EuroSort te bewijzen opgedragen dat de vaststellingsovereenkomst van 9 december 2008 niet bedoelt dat door haar kwijting wordt verleend voor de boete die gesteld is op overtreding van de bepaling onder C – dat moet inderdaad, zoals EuroSort aanvoert, D zijn, te lezen in samenhang met de bepaling onder C – van de aandeelhoudersovereenkomst.

2.2. Allereerst heeft EuroSort schriftelijk bewijs aangebracht en stukken overgelegd uit de periode voorafgaand aan het sluiten van de vaststellingsovereenkomst. Daaruit leidt de rechtbank het volgende af.

a. Een op 6 november 2008 opgestelde concepttekst (productie 26 van EuroSort) houdt onder meer in dat EuroSort het verzoek tot het houden van een enquête zal intrekken en zal afzien van aangifte in verband met vermeend gepleegde strafbare feiten en dat [getuige 1] – eigenlijk LWF en [getuige 1], aangeduid als AH – zal terugtreden als algemeen directeur van DistriSort.

b. Een bespreking met [getuige 1] leidt tot een tweede concept (productie 24 van EuroSort). Dit verschilt op de hierboven genoemde punten niet noemenswaardig van het eerdere.

c. Een derde concept houdt uitsluitend wijzigingen in ten aanzien van concurrentiebepalingen die hier geen rol spelen.

d. Het vierde concept (productie 21 van EuroSort) komt, anders dan de voorgaande, van de zijde van LWF. Het concept is door de opsteller, mr. Lems, op 20 november 2008 aan [getuige 1] gezonden en is anders opgebouwd dan de eerdere concepten. Aan de bepaling die onder meer de intrekking van het enquêteverzoek en het afzien van aangifte inhoudt, is een artikellid toegevoegd (5.4) dat luidt: “Met de ondertekening van onderhavige overeenkomst zijn partijen over en weer uit welken hoofde dan ook finaal gekweten, zulks met uitzondering van de nakoming van de verbintenissen uit hoofde van deze overeenkomst en die ter zake van de geldleningsovereenkomst”.

e. Er volgt een vijfde concept (productie 18 van EuroSort), dat [getuige 2] op 2 december 2008 aan [getuige 1] toezendt. Hierin ontbreekt de hierboven onder d geciteerde kwijting. In de begeleidende correspondentie is daarover niet geschreven.

f. Twee dagen later volgt, na overleg tussen partijen, een zesde concept (productie 16 van EuroSort). Ook daarin ontbreekt de kwijting.

g. Op 5 december 2008 stuurt [getuige 1] een e-mailbericht aan [getuige 2] over de tekst van de overeenkomst (productie 15 van EuroSort). Dit houdt naar aanleiding van de bepaling waarin EuroSort onder meer de intrekking van het verzoekschrift toezegt, in: “Aan het einde toevoegen, [EuroSort] en [DistriSort] verklaren hierbij voorts dat op het moment van de ondertekening geen andere feiten of omstandigheden bekend zijn die tot aansprakelijkheid zouden kunnen leiden. (zoals gisteren besproken wilde jullie de finale kwijting, P. Lems voorstel 5.4, er niet in hebben en dan zou dit een redelijke vervanger zijn).”

h. Bij mail van 7 december 2008 (productie 14 van EuroSort) laat [getuige 2] [getuige 1] naar aanleiding hiervan weten dat [getuige 1] het weliswaar over een paar kleine aanpassingen heeft, maar dat er “zo te zien (…) nogal wat meer dan dat” is.

i. In een door mr. Heuts herzien concept (productie 13 van EuroSort) staat als artikel 1.5: “LWF en [EuroSort] verklaren hierbij voorts dat op het moment van de ondertekening geen andere feiten of omstandigheden dan die bedoeld in de artikelen 1.2 en 1.3 van deze overeenkomst bekend zijn die tot aansprakelijkheid zouden kunnen leiden.” Het bedoelde art. 1.2 luidt voor zover van belang: “[EuroSort] doet hierbij afstand van eventuele aanspraken die zij jegens AH zouden kunnen doen gelden ter zake van hetgeen in het enquêteverzoekschrift (…) en in de brief van haar raadsman d.d. 26-09-2008 aan de orde zijn gesteld (…).” En art. 1.3 luidt voor zover van belang: “AH doet hierbij afstand van eventuele aanspraken die zij jegens [EuroSort] of [DistriSort] zou kunnen doen gelden ter zake van hetgeen in het verweerschrift in de enquêteprocedure (…) en in de brief van haar raadsman d.d. 27-11-2008 aan de orde zijn gesteld (…).”

j. Zoals blijkt uit overweging 2.5 van het vonnis van 30 maart 2011 is de onder i geciteerde formulering van art. 1.5 grotendeels blijven staan in de ondertekende versie van de vaststellingsovereenkomst.

2.3. De rechtbank constateert dat in het overleg over de tekst van de vaststellingsovereenkomst zoals dat uit de stukken blijkt, geen van de partijen melding heeft gemaakt van de boete die gesteld is op overtreding van de bepaling onder C/D van de aandeelhoudersovereenkomst.

2.4. Indien en voor zover EuroSort thans betoogt dat het LWF al uit de stukken die als schriftelijke bewijsmiddelen zijn overgelegd, duidelijk geweest moet zijn dat EuroSort juist vanwege die boete geen finale kwijting opgenomen wilde zien, acht de rechtbank haar betoog irrelevant. Dit betoog is eigenlijk slechts een interpretatie van wat LWF opgemerkt zou moeten hebben als zij had geweten dat EuroSort die boete nog wilde opeisen. Maar die laatste wetenschap staat niet vast. Zij blijkt nergens uit.

2.5. Aan de andere kant moet overigens EuroSort worden toegegeven dat de kans groot is dat LWF met het oog op die boete een finale kwijting opgenomen wilde zien. Nu de boete niet uitdrukkelijk genoemd is in het enquêteverzoek en de brief van mr. Heuts, kan LWF er gelet op de uiteindelijk gekozen formulering (zie het vonnis van 30 maart 2011 onder 4.1) op vertrouwd hebben dat haar dit gelukt was.

2.6. Het zwijgen van beide partijen over de boete betekent dus dat waar EuroSort kon hopen dat de boete onaangetast bleef, LWF ervan uit kon gaan dat zij een finale kwijting die ook de boete omvatte, in de overeenkomst opgenomen kreeg. De vertrouwensleer brengt mee dat deze situatie op elke partij een risico legde dat bestaat in onzekerheid over wat de wederpartij over de inhoud van de overeenkomst dacht. Dit risico realiseert zich onder meer in een bewijssituatie zoals nu voorligt.

2.7. Uit het voorgaande blijkt waarin het belang van de getuigenverklaringen vooral ligt. Dat ligt in de vraag of partijen in de aanloop tot de vaststellingsovereenkomst toch over en weer in enig opzicht voldoende duidelijk hebben gemaakt hoe zij de boete zagen in verhouding tot de voorgestelde bepalingen over kwijting.

2.8. Na het voorgaande wekt de getuigenverklaring van [getuige 1], bestuurder van LWF, geen verbazing:

Partijen wilden in de vaststellingsovereenkomst een definitieve streep onder alles uit het verleden zetten (…). Met alles werd bedoeld alles tot het moment van ondertekening, alles wat partijen op dat moment bekend was. Dit is verfijnd door de verwijzingen onder punten 1.2, 1.3 en 1.5 van de vaststellingsovereenkomst. De boete van 100.000 EUR was daar onder begrepen. Op 4 december 2008 heeft nog een bespreking plaatsgevonden waarin wij van de kant van LWF finale kwijting voorstelden, maar Eurosort deze kwijting beperkt wilde houden tot alles wat op het moment van de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst bekend was. Eurosort wilde ruimte houden voor het geval er na de ondertekening nog lijken uit de kast zouden komen. U vraagt mij of tussen partijen besproken is wat op dat moment bekend was. Wij gingen er daarbij van uit dat bekend was wat in het enquêteverzoek en de brief van mr. Heuts van 26 september 2008 genoemd was. Voor mij persoonlijk was het standpunt van Eurosort duidelijk omdat zij tot de beslaglegging nooit met enig woord over aansprakelijkheid gerept heeft. Ik ken Eurosort en ze zou het zeker gemeld hebben als zij meende dat er nog iets open stond.

Op vragen van mr. Heuts antwoord ik het volgende.

Het klopt dat in de eerste conceptversies van de vaststellingsovereenkomst geen finale kwijting stond. Daarna heb ik de finale kwijting ingebracht (…). Omdat de finale kwijting niet in eerdere voorstellen is opgenomen, hebben wij in overleg met mr. Lems van onze kant daarna voorstellen gedaan waarin ze duidelijk was opgenomen (…).

Op 20 november 2008 is van onze kant het eerste voorstel uitgegaan waarin de finale kwijting opgenomen is (…).

Na de 20e november is het concept gekomen dat als productie 18 is opgenomen. Dat is een gemengd concept dat is gestuurd door [getuige 2], maar waarbij voorzichtig punten zijn opgenomen die mr. Lems gestuurd had. De bepaling over finale kwijting is daarin niet gehandhaafd. Dat hebben wij gezien. Dat blijkt uit productie 15, die het verslag is van de bespreking die ik heb gehad met [betrokkene 3] en [getuige 2]. Uit angst dat er nog lijken uit de kast zouden komen wilde men finale kwijting er niet in hebben en toen is de formulering gekozen die in dat stuk onder punt 1.2 is te lezen.

Uit productie 18 blijkt dat de bepaling die mr. Lems en ik hebben toegevoegd er weer uitgehaald was. Dat was voor mij niet acceptabel. Het weghalen leek mij een poging alles open te houden en mij in de toekomst alsnog te laten struikelen. Dat wilde ik niet. Ik wilde er een streep ondergezet zien en dat wilde Eurosort ook. De bedoeling van Eurosort met het weghalen van de bepaling over de finale kwijting, begreep ik, was het rekening houden met lijken die eventueel uit de kast konden komen. Dat zijn de woorden van de heer [betrokkene 3]. Hij zei tegen mij dat hij niet kon zien of er in de toekomst nog zaken zouden zijn die hem nog niet bekend waren. Omdat voor ons hetzelfde gold, zijn de bepalingen 1.2 en 1.3 opgenomen die over en weer dezelfde bedoeling hebben. De bepalingen 1.2 en 1.5 gaven mij de verzekering dat op het moment dat er getekend was, er niets meer geclaimd kon worden.

Ik was mij natuurlijk bewust van de vordering die Eurosort mogelijk op grond van de aandeelhoudersovereenkomst zou hebben. Die is immers genoemd in het kader van het kort geding en stond in het enquêteverzoek en in uw brief. Voor mij was het volkomen logisch dat die vordering zelfs zonder die vermelding onder de finale kwijting viel. Die betrof immers wat bekend was bij ondertekening van de vaststellingsovereenkomst. U vraagt mij of de boete bij de onderhandelingen over de vaststellingsovereenkomst ter sprake gekomen is. In de onderhandelingen is over geen enkel punt inhoudelijk gesproken. Er is alleen gesproken over de waarde van de aandelen en over de aansprakelijkheid tot het moment van de ondertekening (…).

U vraagt mij waarom ik [betrokkene 3] of [getuige 2] niet heb gevraagd op te nemen dat de boete onder de finale kwijting viel. Ik heb gevraagd om een finale kwijting op alle punten omdat ik anders 4 pagina’s met onderwerpen had kunnen vullen waarover wij nog maandenlang nog over hadden kunnen onderhandelen.

2.9. De rechtbank merkt op dat de zin “Die is immers genoemd in het kader van het kort geding en stond in het enquêteverzoek en in uw brief” naar de letter genomen niet juist is. De ruime formuleringen echter waaruit in het vonnis van 30 maart 2011 onder 2.4, 2.5 en 2.6 is geciteerd, maken dat [getuige 1] naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid erop kon vertrouwen dat de boetematerie viel onder de aan partijen bekende feiten en omstandigheden die in art. 1.5 van de vaststellingsovereenkomst worden bedoeld.

2.10. [getuige 2], bestuurder van EuroSort, heeft voor zover thans van belang verklaard:

In eerste instantie is er een voorstel gedaan door [betrokkene 3] voor de vaststellingsovereenkomst (…). Op 20 november 2008 kwam de vierde versie tot stand. Daarin stond dat ze volledige kwijting wilden. Dat was niet besproken en wij wilden dat per se niet. Wij hebben het dus eruit laten halen.

Uiteindelijk is die finale kwijting er niet ingekomen. Er is wel een soort overeenkomst gekomen dat we ze niet voor toekomstige zaken konden aanspreken. Finale kwijting wilden we er niet in hebben met het oog ook op die boete. Dit is niet met LWF besproken. We wisten allebei wel waar het over ging. U vraagt mij hoe ik wist dat LWF dat wist. Dat is de gedachte die je dan hebt. Het leek ons dat hun advocaat er wel op gewezen moest hebben.

We wisten niet of LWF dit wist, maar we vermoedden het. Wij zouden de enquête niet doorzetten en dan zouden er dus geen lijken uit de kast komen. Maar deze vordering stond er en als je finaal gaat kwijten, ben je die kwijt. Dat wilden wij per se niet (…).

Op vragen van mr. Heuts antwoord ik het volgende.

Ik zei zojuist [gezegd] dat de finale kwijting die in het concept van 20 november 2008 opdook, niet besproken was. [getuige 1] wees als getuige in dit verband op de e-mail van [betrokkene 3]. De finale kwijting was wel besproken, want die kwam in het concept, maar wij wilden dat niet. Voor die tijd was er niet over gesproken (…).

Ik zag de enquête los van de discussie over de boete in verband met de schending van de aandeelhoudersovereenkomst. Die boete was in een kort geding bepaald en lag in het verleden. De enquête zou in de toekomst nieuwe feiten aan het licht kunnen brengen. In art. 1.5 van de vaststellingsovereenkomst lees ik de woorden ‘tot aansprakelijkheid zouden kunnen leiden’ zo, dat de boete, die al verbeurd was, er niet onder valt. Die boete was al een vaststaand feit. Wij hebben hem niet eerder opgeëist omdat wij een commercieel belang hadden. [getuige 1] was belangrijk voor de verkoop en kon in de toekomst nog wel iets voor ons betekenen. Het zou dan mooi zijn om later als een soort bonus de boete kwijt te schelden als iedereen zich aan de afspraken hield.

2.11. Ook de verklaring van [getuige 2] verrast niet. Zij illustreert wat overwogen is onder 2.4-2.6. Wat de reden voor EuroSort ook was om te zwijgen over de boete, zij heeft hem niet genoemd tijdens de onderhandelingen en uit de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] blijkt dat dit ertoe leidde dat beide partijen hun eigen weg en gedachtengang volgden. Wat dit betreft is het meest wezenlijke onderdeel van [getuige 2]s verklaring de passage: “Finale kwijting wilden we er niet in hebben met het oog ook op die boete. Dit is niet met LWF besproken. We wisten allebei wel waar het over ging. U vraagt mij hoe ik wist dat LWF dat wist. Dat is de gedachte die je dan hebt.”

2.12. Zowel bij de getuige [getuige 2] als bij de hierna te noemen [betrokkene 3] komt een opvatting over de boete naar voren die de rechtbank onjuist acht. [getuige 2]s zinnen “Wij zouden de enquête niet doorzetten en dan zouden er dus geen lijken uit de kast komen. Maar deze vordering stond er en als je finaal gaat kwijten, ben je die kwijt” en andere onderdelen van hun verklaringen duiden namelijk op het misverstand dat de kwijting alleen toekomstige vorderingen kon betreffen. Noch de algemene leer omtrent kwijtingen noch de formulering van art. 1.5 van de vaststellingsovereenkomst dwingt echter tot die opvatting. Het is veeleer zo dat vaststellingsovereenkomsten juist gesloten worden in verband met de gehele of gedeeltelijke afstand van openstaande vorderingen.

2.13. De derde getuige, [betrokkene 3], destijds commercieel manager van EuroSort, heeft voor zover thans van belang, het volgende verklaard.

Als commercieel manager van Eurosort was ik betrokken bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst.

Toen de enquêteprocedure was aangevraagd, kwam ik [getuige 1] tegen in de werkplaats. Hij zei dat we moesten praten. Dat gebeurde en het werd duidelijk dat hij van de enquêteprocedure af wilde. Wij wilden dat ook (…). Omdat [getuige 1] de enquêteprocedure wilde stoppen, zijn wij aan de vaststellingsovereenkomst gaan werken. Er kwam een aantal versies (…). In versie 4 werd de zaak omgegooid. Er kwam een finale kwijting in en dat wilden wij niet. Wij zouden bij een finale kwijting de boete die in onze ogen verbeurd maar nog niet betaald was, kwijt zijn. De boete is toen niet geïnd omdat wij echt afhankelijk waren van [getuige 1]. Er zat een aantal grote projecten aan te komen en wij waren bang voor zijn gedrag als wij de boete zouden innen. Ook in de vaststellingsovereenkomst is de samenwerking waar wij toen aan dachten, open gehouden. Er was alle reden om de voortgang van het bedrijf boven het incasseren van de 100.000 EUR te stellen. Daarom is de boete niet besproken. Hij hing wel in de lucht. Dat was de reden waarom wij geen finale kwijting wilden.

Anders dan in de eerste brief over het directeurschap, de brief van 17 september 2008, is er niet over de boete gesproken. Wij verstuurden die brief met veel huiver voor de mogelijke reactie van [getuige 1] en waren voorzichtig. Voor ons was er geen reden om de boete te noemen toen de onrust maximaal was geworden. De beperkte kwijting in de vaststellingsovereenkomst ging over alles wat in het kader van de enquête aan wanbeleid naar voren kwam.

Ik wijs op de vaststellingsovereenkomst onder 1.5. Na de datum van het enquêteverzoek, 20 oktober 2008, waren we met de dag wijzer geworden. [getuige 1] had gezien wat er bekend was. In dat verband is de uitdrukking gebruikt dat er steeds meer lijken uit de kast kwamen. [getuige 1] wilde niet dat er nog meer dingen naar voren zouden komen waarvan wij inmiddels op de hoogte waren. Daarop duidt art. 1.5 nadat er kwijting was gegeven in verband met het enquêteverzoek.

Op vragen van mr. Heuts antwoord ik het volgende.

U vraagt mij naar de situatie waarin de finale kwijting in de conceptversie is opgedoken en wij die eruit wilden hebben (productie 18). Over de beperkte kwijting, vooral t.a.v. het enquêteverzoek, was gesproken. Ik gaf al aan dat daarin het grote belang van [getuige 1] lag. Het leek ons nu dat met dit voorstel op een handige manier de boete er in gefietst werd. Dat risico zagen we en daarom gingen wij er absoluut niet mee akkoord.

Toen [getuige 1] reageerde met de mededeling ‘dat willen jullie niet’ en er niet op doorhamerde, begreep ik dat ook hij inzag dat het leuk geprobeerd maar niet gelukt was. De aanvullende versie die er later in kwam, zag op wat er gebeurd was buiten dat wat in het enquêteverzoek stond en niet op de boete. Ik had de indruk dat [getuige 1] wist dat ons niet accepteren van de finale kwijting daarop zag dat wij niet wilden accepteren dat wij de boete loslieten. Dit leidde ik af uit het feit dat vervolgens wel de regel werd geaccepteerd die over wanbeleid ging, datgene waarover [getuige 1] en ik het oorspronkelijk hadden gehad.

U vraagt mij wat er met [getuige 1] over finale kwijting besproken is toen het onderwerp in conceptversies opdook. Ik herinner mij alleen dat [getuige 1] heeft gezegd dat het gebruikelijk was dit op te nemen. Zo van: doe maar. Wij zagen dat anders. Ik denk dat toen direct teruggegrepen is naar het oorspronkelijke doel, kwijten wat met wanbeleid te maken had (…).

Op vragen van mr. Hagen antwoord ik het volgende.

(…). Uit voorzichtigheid t.a.v. de betalingsverplichting die er lag, wilden wij geen finale kwijting. Wij wilden terug naar wat [getuige 1] en wij wilden, namelijk dat hij weg zou gaan bij de firma, geld voor de aandelen kreeg en van de enquêteprocedure af zou zijn. Daarbij was de boete niet wezenlijk. Wij wilden geen finale kwijting omdat wij naar het doel van de afspraken terug wilden. Daarom wilden wij elkaar gedeeltelijk kwijten en niet voor dingen waarvan wij niet op de hoogte waren. De boete lag er. Die wilden wij niet prijsgeven. Ik vermoedde dat [getuige 1] ervan af wilde en wij wilden de boete niet in gevaar brengen. Ik vertelde al dat er niet over de boete gepraat is, omdat de situatie hiervoor te precair was.

2.14. De laatste zin sluit aan bij de overwegingen 2.4-2.6 hierboven. De verklaring van [betrokkene 3] bevestigt dat EuroSort begreep dat LWF van de boete af wilde (“Het leek ons nu dat met dit voorstel op een handige manier de boete er in gefietst werd. Dat risico zagen we en daarom gingen wij er absoluut niet mee akkoord”). Ze bevestigt ook dat EuroSort niet voor de veilige weg zocht om die dan maar ter sprake te brengen – daarmee zou de vaststellingsovereenkomst mogelijk wat LWF betreft van de baan zijn – omdat er een groter, commercieel belang speelde: “Ook in de vaststellingsovereenkomst is de samenwerking waar wij toen aan dachten, open gehouden. Er was alle reden om de voortgang van het bedrijf boven het incasseren van de 100.000 EUR te stellen. Daarom is de boete niet besproken.” Onjuist is [betrokkene 3]s conclusie “De aanvullende versie die er later in kwam, zag op wat er gebeurd was buiten dat wat in het enquêteverzoek stond en niet op de boete” voor zover [betrokkene 3] daarin niet ziet dat de tekst ook omgekeerd uitgelegd kon worden (zie het tussenvonnis van 30 maart 2011 onder 4.1). Dat is niet bij LWF geverifieerd: “Ik had de indruk dat [getuige 1] wist dat ons niet accepteren van de finale kwijting daarop zag dat wij niet wilden accepteren dat wij de boete loslieten.”

2.15. Kort samengevat: LWF begreep mogelijk dat EuroSort de boete wilde handhaven, maar dacht een formulering te hebben gevonden waarbij de boete onder het beding van de vaststellingsovereenkomst onder 1.5 viel en EuroSort heeft om haar moverende redenen niet geëxpliciteerd tegenover LWF dat zij meende dat de boete daar niet onder viel.

2.16. Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat EuroSort niet in haar bewijs is geslaagd. LWF heeft er immers op kunnen vertrouwen dat de vaststellingsovereenkomst van 9 december 2008 ook inhield dat kwijting werd verleend voor de boete die gesteld was op overtreding van de bepaling onder C/D van de aandeelhoudersovereenkomst. De vordering zal daarom moeten worden afgewezen.

2.17. EuroSort zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van LWF worden begroot op:

- griffierecht € 2.400,00

- salaris advocaat 4.263,00 (3,0 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 6.663,00

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. wijst de vorderingen af,

3.2. veroordeelt EuroSort in de proceskosten, aan de zijde van LWF tot op heden begroot op € 6.663,00,

3.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2012.