Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BV6136

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-01-2012
Datum publicatie
17-02-2012
Zaaknummer
224967
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opheffing non-actiefstelling en rehabilitatie.

Door niet de eventueel door eiser in te dienen zienswijze over de voorgenomen maatregel af te wachten, heeft gedaagde in strijd met de CAO VO en onzorgvuldig tegenover eiser gehandeld. Ook de inhoudelijk aangevoerde gronden rechtvaardigen de maatregel niet. Geen sprake van zo'n onhoudbare situatie dat onmiddellijke vrijstelling van arbeid geboden was. Toewijzing van de vorderingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0139
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 224967 / KG ZA 12-19

Vonnis in kort geding van 20 januari 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr.dr. J.J.H. Post te Barneveld,

tegen

de stichting

[gedaagde]

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. B.J.H.L. Brouwer te Apeldoorn.

Partijen zullen hierna [eiser] en het [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties 1 t/m 16

- een brief van mr. Post van 13 januari 2012, met producties 17 t/m 21

- een brief van mr. Post van 16 januari 2012, met producties 22 t/m 24

- een brief van mr. Post van 17 januari 2012, met producties 25 t/m 27

- een brief van mr. Post van 18 januari 2012, met producties 28 en 29

- een brief van mr. Brouwer van 18 januari 2012, met producties 1 t/m 4

- een brief van mr. Brouwer van 19 januari 2012, met producties 5 t/m 7

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser]

- de pleitnota van het [gedaagde].

1.2. Ten slotte is in verband met de spoedeisendheid van de zaak op 20 januari 2012 vonnis gewezen. De feiten en de motivering waarop de beslissing in het vonnis steunt, worden hieronder vastgelegd.

2. De feiten

2.1. Het [gedaagde] is een christelijke scholengemeenschap voor Mavo-Havo-Atheneum-Gymnasium. De school gaat uit van de Stichting voor Protestants-Christelijk Voortgezet Onderwijs voor de gemeente [woonplaats].

2.2. Met ingang van 1 augustus 1999 is [eiser] door het toenmalige stichtingsbestuur van het [gedaagde] benoemd tot rector van het [gedaagde], zulks op basis van een arbeidsverhouding en voor onbepaalde tijd. Op de arbeidsverhouding is de CAO Voortgezet Onderwijs (hierna CAO VO) van toepassing.

2.3. Per 1 augustus 2011 is het [gedaagde] van het klassieke bestuursmodel overgestapt op het raad van toezicht-model. Het College van Bestuur (hierna: CvB) wordt gevormd door 3 leden, waarvan [eiser] de voorzitter is en de Raad van Toezicht (hierna: RvT) wordt gevormd door 5 leden, waarvan de heer [ ] [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) voorzitter is.

2.4. Bij brief van 6 januari 2012 heeft [betrokkene] in zijn hoedanigheid van voorzitter van de RvT aan [eiser] onder meer het navolgende bericht:

“(…) De afgelopen jaren is er meerdere keren gesproken over de wijze waarop u invulling geeft aan uw functie, de steeds verder verslechtende relatie met het personeel, het management, de MR en de RvT. Diverse keren heeft de RvT, ook schriftelijk, daarover haar zorgen geuit. De RvT heeft eind 2011 nogmaals gesproken en zich beraden over de ontstane situatie en geconcludeerd dat er sprake is van een vertrouwensbreuk die niet meer te herstellen is.

Het belang van de organisatie brengt met zich mee dat de huidige situatie niet kan voortduren. De RvT heeft dan ook besloten u met ingang van heden vrij te stellen van uw werkzaamheden. In het belang van de organisatie, leerlingen en naar wij menen ook van u zelf, vragen wij u of u daarmee kunt instemmen, en zo ja dat per ommegaande, doch uiterlijk vrijdag 6 januari 2012 20.00 uur, schriftelijk aan ons te bevestigen, bijvoorbeeld door het “voor akkoord” tekenen van deze brief. U kunt uw reactie zenden aan de voorzitter van de RvT dhr. [ ] [betrokkene], (…)

Het is de intentie van de RvT om vervolgens met elkaar in gesprek te gaan over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder het dienstverband kan worden beëindigd. (…)

Mocht u niet kunnen instemmen met de vrijstelling van de werkzaamheden dan beschouwen wij deze brief als een voorgenomen besluit tot schorsing als bedoeld in artikel 9.a.6 van de CAO VO en stellen wij u in de gelegenheid uw zienswijze over de voorgenomen schorsing kenbaar te maken. Wij nodigen u in dat verband uit voor een gesprek met de heer [ ] [betrokkene] en [betrokkene 2] op vrijdag 13 januari 2012 om 09.00 uur op het Johannes Fontanus College te [woonplaats].

(…) Ook is het mogelijk de zienswijze uitsluitend schriftelijk kenbaar te maken. Een daartoe strekkend stuk dient uiterlijk donderdag 12 januari 2012 door ons te zijn ontvangen. (…)

Op maandag 9 januari a.s. staat de jaaropening gepland. Ongeacht of u wel of niet kunt instemmen met de vrijstelling van uw werkzaamheden verzoeken wij u dringend om daarbij niet aanwezig te zijn. De voorzitter van de RvT zal u verontschuldigen en melding maken van de intentie van de RvT om een einde te maken aan uw dienstverband.

(…)”

2.5. In de CAO VO 2011/2012 is, voor zover relevant in deze procedure, het navolgende bepaald:

9.a.5. Gronden voor opzegging

Opzegging van een dienstverband voor onbepaalde tijd of tussentijdse opzegging van een dienstverband voor bepaalde tijd kan plaatsvinden op grond van:

1. plichtsverzuim als bedoeld in artikel 9.a.7 lid 2,

2. onbekwaamheid of ongeschiktheid van de werknemer voor de door hem uitgeoefende functie, uit andere hoofde dan genoemd onder 5,

3. (…)

9. andere met name genoemde gewichtige omstandigheden die redelijkerwijs geacht moeten worden met het oog op de belangen van de instelling en van het onderwijs de mogelijkheid van het dienstverband uit te sluiten.

9.a.6. Schorsing als ordemaatregel

1. De werkgever kan de werknemer schorsen voor ten hoogste vier weken, indien dit gelet op het belang van de instelling dringend noodzakelijk is. Voordat de werknemer wordt geschorst wordt deze in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen omtrent de voorgenomen schorsing kenbaar te maken. De opvattingen van de werknemer omtrent de schorsing worden opgenomen in de brief, waarin de schorsing wordt bevestigd.

2. Naast het bepaalde in het eerste lid van dit artikel kan de werkgever de werknemer schorsen:

a. (…)

b. (…)

c. (…)

d. voor de duur van maximaal zes maanden wanneer er sprake is van een voornemen tot opzegging als bedoeld in artikel 9.a.5 onder 1, 2 en 9,

e. voor de duur van de procedure tot ontbinding van het dienstverband,

f. in andere gevallen waarin het belang van de instelling dit vordert voor ten hoogste drie maanden, daaronder begrepen de termijn genoemd in lid 1. Deze termijn van drie maanden kan ten hoogste één keer met drie maanden worden verlengd.

3. Tijdens de schorsing heeft de werknemer slechts toegang tot de school na verkregen toestemming van de werkgever.

4. De schorsing wordt onverwijld ingetrokken als de grond daartoe vervalt of handhaving niet langer noodzakelijk is.

5. Ingeval geen redenen aanwezig waren die de schorsing konden dragen, zal de werkgever na overleg de werknemer naar vermogen rehabiliteren.

9.a.8. Verweer

1. Het voornemen tot een besluit tot:

a. ontslag als bedoeld in artikel 9.a.5 onder 1, 2 en 9,

b. schorsing als bedoeld in artikel 9.a.6. lid 2,

c. (…), wordt per aangetekend schrijven aan de werknemer ter kennis gebracht, die in de gelegenheid wordt gesteld om binnen drie weken na verzending van het voornemen zijn zienswijze mondeling dan wel schriftelijk kenbaar maken. De werknemer kan zich bij zijn verweer laten bijstaan door een raadsman.

2. Van een mondeling verstrekte zienswijze wordt een verslag gemaakt dat vervolgens ter beoordeling aan de werknemer wordt voorgelegd, die onverwijld schriftelijk en gemotiveerd meedeelt of hij al dan niet met het verslag kan instemmen.

3. De werknemer wordt van het definitieve besluit zo spoedig mogelijk na het verweer per aangetekend schrijven in kennis gesteld.

2.6. Bij e-mail van 9 januari 2012 om 8:51 uur heeft [eiser] aan [betrokkene] het navolgende bericht:

“(…) Na advies te hebben ingewonnen deel ik u mee dat ik niet kan instemmen met de voorgenomen vrijstelling van werkzaamheden. Ik ben en blijf bereid deze uit te voeren. (…)”

2.7. Bij e-mail van 9 januari 2012 om 10:37 uur heeft de RvT de navolgende mail verzonden:

Geachte ouders/verzorgers,

Binnen het [gedaagde] is er een verschil van inzicht ontstaan over de uitvoering van het beleid tussen de heer B. [eiser] (voorzitter College van Bestuur) en de Raad van Toezicht. Dit heeft ertoe geleid dat de Raad van Toezicht niet meer het vertrouwen heeft dat het beleid zodanig uitgevoerd zal worden als zij wenselijk vindt voor de school.

Door deze situatie heeft de Raad van Toezicht zich helaas genoodzaakt gezien om het dienstverband met de heer [eiser] te gaan beëindigen. Vooruitlopend daarop is de heer [eiser] per direct vrijgesteld van zijn werkzaamheden binnen de school.

Dit schrijven ontvangt u zowel per e-mail als per normale post.

Namens de Raad van Toezicht,

[ ] [betrokkene], voorzitter.

Hetzelfde bericht is ook per brief gedateerd 9 januari 2012 verzonden.

2.8. In de [plaatselijke] Krant van 9 januari 2012 is een artikel geplaatst met de kop ‘Rector [gedaagde] laan uitgestuurd’. In het artikel wordt vermeld dat de RvT als reden voor het op non-actief stellen van [eiser] heeft genoemd ‘een verschil van inzicht over de uitvoering van het beleid’ en dat de RvT heeft gemeld dat het dienstverband met [eiser] wordt beëindigd.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het [gedaagde] te veroordelen:

a) de op non-actiefstelling/vrijstelling van arbeid c.q. de (voorgenomen) schorsing van [eiser] namens de RvT van de [gedaagde] met onmiddellijke ingang op te heffen;

b) [eiser] binnen 24 uur na betekening van dit vonnis c.q. de eerste werkdag daarna zonder enig voorbehoud toe te laten tot zijn gebruikelijke werkzaamheden als voorzitter van het College van Bestuur van het [gedaagde], waaronder (doch niet uitsluitend) moet worden begrepen dat [eiser] toegang wordt verleend tot de school van het [gedaagde], dat hij toegang krijgt tot zijn werkplek die hij tot 6 januari 2012 had, dat hij toegang krijgt tot het netwerk van het [gedaagde], dat hij de beschikking krijgt over de bij zijn functie behorende (bedrijfs)middelen en bevoegdheden en dat hij alle informatie en medewerking krijgt die hij nodig heeft voor de deugdelijke uitoefening van zijn functie van voorzitter van het College van Bestuur zoals vóór 6 januari 2012 het geval was;

c) binnen 24 uur na betekening van dit vonnis aan [eiser], de ouders/verzorgers van de leerlingen van de school en de overige werknemers van het [gedaagde] schriftelijk per gedagtekende brief en e-mail de rehabilitatie van [eiser] te bevestigen en uitdrukkelijk te bevestigen dat het [gedaagde] [eiser] ten onrechte heeft vrijgesteld van arbeid/op non-actief heeft gesteld/heeft geschorst, conform onderstaande tekst:

“De Voorzieningenrechter te Arnhem heeft de eis tot opheffing van de non-actiefstelling/vrijstelling van arbeid c.q. de (voorgenomen) schorsing van [naam eiser] bij vonnis d.d. [datum] toegewezen, omdat de door [naam gedaagde] aangevoerde omstandigheden de non-actiefstelling/vrijstelling van arbeid c.q. de (voorgenomen) schorsing van [naam eiser] niet rechtvaardigen. Tevens heeft de Voorzieningenrechter geoordeeld dat (de Raad van Toezicht van) [naam gedaagde][naam eiser] binnen 24 uur zijn functie als voorzitter van de Raad van Bestuur van [naam gedaagde] moet laten hervatten.”, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,-- per dag of gedeelte daarvan dat [naam gedaagde] hiermee in gebreke blijft.”, althans subsidiair: zodanig of met die tekst als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren;

d) alle vorderingen sub a) tot en met c) op straffe van een dwangsom van € 25.000,-- per overtreding en per dag dat de overtreding voortduurt;

e) het [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder de nakosten, zoals gevorderd.

3.2. Het [gedaagde] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De vorderingen van [eiser] komen er kort samengevat op neer dat hij met opheffing van het besluit tot vrijstelling van arbeid/non-actiefstelling/(voorgenomen) schorsing van de RvT weer wordt toegelaten tot het verrichten van zijn werkzaamheden en dat het [gedaagde] het personeel van de school en de ouders/verzorgers van de leerlingen daarvan in kennis stelt. Volgens [eiser] kunnen de voor de vrijstelling van arbeid/non-actiefstelling aangevoerde gronden die maatregel niet rechtvaardigen. Het [gedaagde] heeft zich ter zitting primair op het standpunt gesteld dat slechts sprake is van een voorgenomen besluit tot schorsing in de zin van artikel 9.a.6. lid 1 CAO VO, waarmee vrijstelling van arbeid of non-actiefstelling moet worden gelijkgesteld. Op de voet van die bepaling is [eiser] in de brief van 6 januari 2012 gevraagd zijn zienswijze omtrent de voorgenomen schorsing kenbaar te maken. Van een besluit tot schorsing is daarom geen sprake. Volgens de advocaat van het [gedaagde] had [eiser] dus gewoon kunnen komen werken en moeten de vorderingen reeds daarom worden afgewezen.

4.2. Dat voor het eerst ter zitting ingenomen standpunt verdraagt zich echter niet met de inhoud van de brief van 6 januari 2012 en de wijze waarop het [gedaagde] zich verder naar [eiser] en naar de buitenwereld heeft opgesteld. In de brief van 6 januari 2012 staat zonder enig voorbehoud dat [eiser] met ingang van heden is vrijgesteld van arbeid, wat in de visie van het [gedaagde] hetzelfde is als geschorst. Hem wordt daarin ook te verstaan gegeven dat hij niet op de openingsbijeenkomst op 9 januari 2012 moet komen. In de brief wordt wel aan [eiser] gevraagd of hij instemt met de vrijstelling van arbeid en zo nee, zijn zienswijze over de voorgenomen schorsing kenbaar te maken. Maar het is te begrijpen dat [eiser] de brief zo heeft opgevat dat hij met onmiddellijke ingang was vrijgesteld van arbeid/op non-actief gesteld en dus geschorst en niet meer welkom was op school. Het is ook aannemelijk dat dat de bedoeling van de RvT was. Het staat immers duidelijk in de brief (met ingang van heden) en de RvT is er meteen toe overgegaan mededeling van de vrijstelling van arbeid per e-mail en brief van 9 januari 2012 te doen aan de ouders van de leerlingen zonder de eventuele zienswijze van [eiser] af te wachten. Door dit zo te doen en niet eerst de eventueel door [eiser] in te dienen zienswijze over de voorgenomen maatregelen af te wachten heeft de RvT in strijd met artikel 9.a.6. lid 1 CAO VO en onzorgvuldig tegenover [eiser] gehandeld.

4.3. Ook inhoudelijk rechtvaardigen de in de brief van 6 januari 2012 en nadien aangevoerde gronden niet maatregelen zoals die door de RvT tegenover [eiser] zijn getroffen. Uit de bespreking daarvan ter zitting kan worden geconcludeerd dat [eiser] zich in de visie van de RvT op bepaalde punten op het gebied van leidinggeven en communicatie diende te verbeteren. Aan het volgen van training in dat opzicht door [eiser] is ook uitvoering gegeven. Verder kan daaruit afgeleid worden dat er in sommige opzichten verschil van mening was over een aantal zaken. Op het punt van de 0-uren is gebleken dat [eiser] verzuimd heeft op de formeel juiste manier (schriftelijk) tijdig een geschil aanhangig te maken bij de geschillencommissie. Dat heeft echter gerepareerd kunnen worden, zij het met de nodige vertraging in de afhandeling. Uit hetgeen hierover in de afgelopen jaren op papier is gezet kan niet worden afgeleid dat de RvT de diverse kwesties op een zodanige manier aan de orde heeft gesteld dat het voor [eiser] duidelijk moest zijn dat hij in visie van de RvT disfunctioneerde. Behoorlijke schriftelijke verslagen van functioneringsgesprekken ontbreken overigens ook. Wat er van de inhoud van de diverse aangevoerde gronden verder zij kan hier in het midden blijven. Die gronden kunnen in geen geval de conclusie wettigen dat er een zo onhoudbare situatie is ontstaan dat onmiddellijke vrijstelling van arbeid/non-actiefstelling geboden was en, gelet op de zwaarte en de ernst van de maatregel, tegenover [eiser] gerechtvaardigd was. Daarom kan niet worden gezegd dat de (voorgenomen) schorsing dringend noodzakelijk was als bedoeld in art. 9.a.6. lid 1 CAO VO

4.4. Omdat officieel volgens het [gedaagde] nog geen besluit genomen was, kan het gevorderde onder 1 niet worden toegewezen. Het gevorderde onder 2 zal wel worden toegewezen. Hoewel het [gedaagde] ter zitting zich op het standpunt heeft gesteld dat [eiser] bij gebreke van een besluit kon komen werken, is haar opstelling tegenover [eiser] zodanig geweest dat aangenomen moet worden dat de bereidheid om [eiser] toe te laten tot zijn werkzaamheden ontbreekt. Gezien de onzorgvuldige handelwijze, die voor [eiser] beschadigend is geweest, en de onduidelijkheid die er voor personeel, ouders en leerlingen is ontstaan, is er ook aanleiding tot toewijzing van het gevorderde onder c), in voege als hierna vermeld. Dat strookt overigens ook met artikel 9.a.6. lid 5 CAO VO. Een en ander ook op straffe van een dwangsom, zoals hierna vermeld.

4.5. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.

4.6. Het [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 90,64

- griffierecht 267,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.173,64

4.7. De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt het [gedaagde] om [eiser] binnen 24 uur na betekening van dit vonnis c.q. de eerste werkdag daarna zonder enig voorbehoud toe te laten tot zijn gebruikelijke werkzaamheden als voorzitter van het College van Bestuur van het [gedaagde], waaronder (doch niet uitsluitend) moet worden begrepen dat [eiser] toegang wordt verleend tot de school van het [gedaagde], dat hij toegang krijgt tot zijn werkplek die hij tot 6 januari 2012 had, dat hij toegang krijgt tot het netwerk van het [gedaagde], dat hij de beschikking krijgt over de bij zijn functie behorende (bedrijfs)middelen en bevoegdheden en dat hij alle informatie en medewerking krijgt die hij nodig heeft voor de deugdelijke uitoefening van zijn functie van voorzitter van het College van Bestuur zoals vóór 6 januari 2012 het geval was,

5.2. veroordeelt het [gedaagde] om op de eerste werkdag na betekening van dit vonnis aan [eiser], de ouders/verzorgers van de leerlingen van de school en de overige werknemers van het [gedaagde] schriftelijk per gedagtekende brief en e-mail te berichten dat de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de (voorgenomen) non-actiefstelling/vrijstelling van arbeid/schorsing van [eiser] in de gegeven omstandigheden niet gerechtvaardigd was en dat de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat (de Raad van Toezicht van) het [gedaagde] [eiser] binnen 24 uur na betekening van dit vonnis c.q. de eerste werkdag daarna zijn functie als voorzitter van het College van Bestuur van het [gedaagde] moet laten hervatten,

5.3. veroordeelt het [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 25.000,-- voor iedere dag dat zij niet aan de in 5.1. en 5.2. uitgesproken veroordelingen voldoet, tot een maximum van € 500.000,-- is bereikt,

5.4. veroordeelt het [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.173,64,

5.5. veroordeelt het [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat het [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier I.W.H.M. Verheijen op 20 januari 2012. De feiten en de motivering zijn afzonderlijk vastgelegd op 27 januari 2012.