Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BV3826

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
01-02-2012
Datum publicatie
14-02-2012
Zaaknummer
218493
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Koop/verkoop van vleeskalverbedrijf.

Koper vordert van verkoper o.m. overdracht van toeslagrechten. Verkoper was daartoe echter niet verplicht, zodat geen sprake is van toerekenbare tekortkoming. Ook op de andere grondslagen (dwaling, onvoorziene omstandigheden, onrechtmatige daad en ongerechtbaardigde verrijking) acht de rechtbank de vorderingen niet toewijsbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 218493 / HA ZA 11-1133

Vonnis van 1 februari 2012

in de zaak van

[eisers]

eisers,

advocaat mr. F.R.H. Kuiper te Hattum,

tegen

[gedaagden]

gedaagden,

advocaat mr. ir. J.M.M. Kroon te Wageningen.

Partijen zullen hierna [eiser] c.s. en [gedaagde] c.s. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 september 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 6 december 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] c.s. exploiteert een veehouderijbedrijf en een agrarisch loonbedrijf aan de [adres] 56 te [woonplaats], waar hij ook woont. [gedaagde] c.s. houdt een vleeskalverbedrijf aan de [adres 2] in [woonplaats] en hield vanaf omstreeks 2000 tot april 2008 een vleeskalverbedrijf aan de [adres] 54 te [woonplaats]. Op dit laatste bedrijf hield hij omstreeks 500 kalveren.

2.2. In januari 2008 heeft [gedaagde] c.s. zijn bedrijf te [woonplaats] aan zijn buurman [eiser] c.s. verkocht voor een koopsom van € 925.000,--. Bij de verkoop is [makelaar] (hierna: [betrokken makelaar]) van [makelaarskantoor] als aankopend makelaar opgetreden voor [eiser] c.s. De op 28 januari 2008 getekende koopovereenkomst omschrijft het verkochte als: ‘het vleeskalverbedrijf bestaande uit bedrijfswoning, kalverstallen met stalinrichting, voerkeuken en technische installaties, overige opstallen, ondergrond, erf, tuin, toegangsweg en cultuurgrond, (…)’.

2.3. Op 7 april 2008 hebben partijen een wijzigingsformulier aan de Dienst Regelingen, een uitvoeringsorgaan van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie verzonden. Op dit formulier is aangekruist: ‘Het bedrijf is geheel overgedragen aan een andere relatie’. Verderop is bij de vraag of bij de overdracht ook een locatie is overgedragen ingevuld: ‘ja, ME/UBN 2480965, Locatie [adres] 54, [woonplaats]’. Bij de opmerkingen is vermeld dat de runderen van het aangekochte bedrijf op het UBN-nummer van [eiser] c.s. dienden te worden bijgeschreven en dat het UBN-nummer 2480965 diende te vervallen. De overdracht heeft vervolgens op 15 april 2008 plaatsgevonden.

2.4. Over 2008 en 2009 heeft [eiser] c.s. van overheidswege per geslacht kalf slachtpremies ontvangen. Deze premies worden aan witvleeskalverhouders uitgekeerd door het Productschap Vee, Vlees en Eieren en zijn het gevolg van Europese regelgeving ter zake van inkomenssteun in de landbouwsector.

2.5. In november 2008 heeft de Raad van de Europese Unie beslist dat de slachtpremies (inkomenssteun) voor kalveren en volwassen runderen uiterlijk per 1 januari 2012 ontkoppeld dienden te worden van de productie. Die ontkoppeling houdt in dat de veehouder niet langer per geslacht dier uitbetaald krijgt maar forfaitaire bedragen ontvangt. Het stond de lidstaten vrij om te beslissen op welke wijze en in welk tempo zij tot volledige ontkoppeling in 2012 zouden komen. Nederland heeft besloten de inkomenssteun te baseren op de hoeveelheid geleverde kalveren in de jaren 2006, 2007 en 2008 (de ‘referentiejaren’) en dit nieuwe systeem te laten ingaan vanaf 1 januari 2010.

2.6. Bij brieven van 30 maart 2010 en 11 juni 2010 heeft [eiser] c.s. [gedaagde] c.s. verzocht respectievelijk gesommeerd mee te werken aan het op naam van [eiser] c.s. overschrijven van de referentiegegevens over de jaren 2006 tot en met 2008, die (grotendeels) op naam van [gedaagde] c.s. staan. [gedaagde] c.s. heeft hierop, onder meer bij brief van 6 mei 2010, afwijzend gereageerd.

2.7. In een brief van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 10 december 2007 is onder meer vermeld:

‘(…)

Nederland heeft in 2004 in beginsel besloten tot een volledige ontkoppeling van de directe inkomenssteun. Een aantal sectoren is hiervan toen echter uitgezonderd omdat een abrupte ontkoppeling tot ongewenste distorsies zou kunnen leiden. Het ging daarbij om de slachtpremies voor kalveren en volwassen runderen en lijnzaad (vlas). Aangekondigd werd dat deze sectoren bij wijze van uitzondering een periode van vier jaar zouden krijgen om te anticiperen op een volledige ontkoppeling per 2010 (TK 21 501-32, nr.73). (…)

Het kabinet is van mening dat volledige ontkoppeling gewenst is. De inzet van het kabinet is om te komen tot een ontkoppeling van de slachtpremies voor kalveren en volwassen runderen en van lijnzaad per 2010, zoals reeds in 2004 aangekondigd.(…)’

3. Het geschil

3.1. [eiser] c.s. vordert – na wijziging van eis ter comparitie – dat de rechtbank:

primair:

[gedaagde] c.s. zal veroordelen:

- om binnen vijf dagen na dit vonnis mee te werken aan het overschrijven van de referentiejaren 2006, 2007 en 2008 op naam van [eiser] c.s. of (zodanig mee te werken dat die referentiejaren) op het bedrijfsnummer van [eiser] c.s. komen dan wel (aan) het om niet overdragen van toeslagrechten die zijn gebaseerd op verkregen slachtpremies in de jaren 2006, 2007 en 2008 op de locatie [woonplaats], op straffe van een dwangsom van € 5.000,-- per dag dat [gedaagde] c.s. hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 500.000,--;

- tot betaling van de contractueel overeengekomen boete van € 2.775,- per dag, vanaf 10 april 2010, althans 18 juni 2010 tot aan de dag dat [gedaagde] c.s. zijn verplichtingen op grond van de koopovereenkomst heeft voldaan;

- tot voldoening aan [eiser] c.s. van alle door [gedaagde] c.s. ontvangen betalingen op grond van toeslagrechten die feitelijk aan [eiser] c.s. toekomen, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de dag waarop de overheid deze aan [gedaagde] c.s. heeft betaald;

subsidiair:

- zal verklaren voor recht dat [gedaagde] c.s. onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] c.s.;

- [gedaagde] c.s. zal veroordelen tot vergoeding van de door [eiser] c.s. geleden schade van € 27.100,- per jaar voor de jaren 2010 en 2011;

- [gedaagde] c.s. zal veroordelen tot vergoeding van de in de overige jaren te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

met veroordeling van [gedaagde] c.s. tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten indien betaling niet binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden.

3.2. [eiser] c.s. legt aan zijn vorderingen primair toerekenbare tekortkoming ten grondslag. De verplichting de onderhavige referentiegegevens aan [eiser] c.s. over te dragen vloeit voort uit de koopovereenkomst aangezien [gedaagde] c.s. in januari 2008 een bedrijf heeft verkocht dat geschikt was voor het houden van 500 witvleeskalveren. Bij een dergelijk bedrijf hoort de mogelijkheid tot het verkrijgen van slachtpremies per geleverd kalf. Nu de slachtpremies zijn vervangen door de toeslagrechten, dient [gedaagde] c.s. ervoor zorg te dragen dat [eiser] c.s. over die toeslagrechten kan beschikken. Hiervoor is noodzakelijk dat de referentiegegevens van [gedaagde] c.s. worden overgeschreven op naam van [eiser] c.s. [gedaagde] c.s. schiet toerekenbaar tekort in de nakoming van deze verplichting en is daarom op grond van artikel 10.3 van de koopovereenkomst een boete en schadevergoeding verschuldigd. Deze schade bestaat uit de bedragen die [eiser] c.s. is misgelopen als gevolg van de toerekenbare tekortkoming van [gedaagde] c.s.

3.3. Indien de primaire grondslag niet zou slagen, legt [eiser] c.s. achtereenvolgens het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag.

Beide partijen hebben gedwaald aangezien zij niet wisten per wanneer en op welke wijze de ontkoppeling in Nederland zou plaatsvinden. Subsidiair dient de overeenkomst dan ook partieel te worden vernietigd, met vermindering van de koopprijs met de door [eiser] c.s. geleden schade.

Meer subsidiair dient de overeenkomst in verband met onvoorziene omstandigheden op grond van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:258 BW) te worden gewijzigd dan wel aangevuld aangezien het niet de bedoeling kan zijn geweest van partijen het bedrijf over te dragen zonder de mogelijkheid de slachtpremies te kunnen incasseren.

Nog meer subsidiair handelt [gedaagde] c.s. onrechtmatig jegens [eiser] c.s. door zich gelden toe te eigenen die aan [eiser] c.s. toekomen gelet op de ratio van de regelgeving ten aanzien van inkomenssteun in de landbouwsector.

Uiterst subsidiair is [gedaagde] c.s. ongerechtvaardigd verrijkt doordat hij sinds de ontkoppeling van de slachtpremies per 1 januari 2010 ten onrechte vergoedingen van de overheid ontvangt die aan [eiser] c.s. toekomen.

3.4. [gedaagde] c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank zal de onder 3.2 en 3.3 weergegeven grondslagen achtereenvolgens bespreken.

Toerekenbare tekortkoming

4.2. [eiser] c.s. vordert dat [gedaagde] c.s. zijn referentiegegevens zal doen overschrijven op naam van [eiser] c.s. In de conclusie van antwoord heeft [gedaagde] c.s. aangevoerd dat het (wets)technisch niet mogelijk is om referentiegegevens met terugwerkende kracht op naam van een ander over te schrijven, waarna [eiser] c.s. ter comparitie zekerheidshalve aan zijn vordering heeft toegevoegd dat [gedaagde] c.s. de toeslagrechten dient over te dragen. De rechtbank begrijpt de bovengenoemde stelling van [gedaagde] c.s. aldus dat na de toekenning van toeslagrechten door de minister op basis van die referentiegegevens, alleen die toegekende toeslagrechten nog kunnen worden overgedragen en niet de referentiegegevens. Aangezien dit de rechtbank vooralsnog juist voorkomt en het [eiser] c.s. bij zijn primaire vordering uiteindelijk gaat om het verkrijgen van de toeslagrechten, zal de primaire vordering in het navolgende telkens worden aangeduid als de vordering tot het overdragen van de toeslagrechten.

4.3. De stelling van [eiser] c.s. is dat de verplichting de onderhavige toeslagrechten aan [eiser] c.s. over te dragen voortvloeit uit de koopovereenkomst aangezien [gedaagde] c.s. in januari 2008 een bedrijf heeft verkocht met de mogelijkheid tot het verkrijgen van slachtpremies per geleverd kalf. [eiser] c.s. mocht op basis van de zogenaamde KWIN-cijfers verwachten een positief resultaat per kalf van € 15,-- te halen dankzij de toen geldende slachtpremie van € 50,-- per kalf. Nu sinds 2010 geen slachtpremies meer worden uitgekeerd en [eiser] c.s. in plaats van die slachtpremies geen of nauwelijks toeslagrechten toegekend heeft gekregen, is het voor hem onmogelijk om het gekochte bedrijf rendabel te exploiteren.

[gedaagde] c.s. voert ten verweer aan dat hij alle zaken die in de koopovereenkomst zijn genoemd heeft geleverd, dat (toekomstige) toeslagrechten niet zijn overgedragen en dat dit laatste ook nooit de bedoeling is geweest van [gedaagde] c.s. In artikel 20 van de koopovereenkomst is immers opgenomen dat geen niet-gebonden productierechten of EU-toeslagrechten zijn inbegrepen.

4.4. Vooropgesteld wordt dat blijkens de koopovereenkomst slechts onroerende en roerende zaken zijn verkocht en dat er geen sprake is geweest van een volledige bedrijfsovername. Hoewel op het onder 2.3 genoemde mutatieformulier is aangekruist dat het bedrijf geheel is overgedragen, wijzen de stellingen van beide partijen erop dat slechts één van de twee bedrijfslocaties van [gedaagde] c.s. is overgedragen. [gedaagde] c.s. heeft immers onweersproken gesteld dat hij na de verkoop van de locatie [woonplaats] zijn vleeskalverbedrijf op de andere locatie heeft gecontinueerd. Voor zover derhalve al kan worden gesproken over de overdracht van een ‘bedrijf’ staat vast dat het niet het volledige bedrijf van [gedaagde] c.s. betrof. Voorts kan als vaststaand worden aangenomen dat toen de bedrijfslocatie [woonplaats] werd overgedragen, deze beschikte over alle eigenschappen die nodig waren voor een normaal gebruik als kalverbedrijf. Volgens de stellingen van [eiser] c.s. heeft hij de bedrijfslocatie ook naar tevredenheid geëxploiteerd tot 2010. [gedaagde] c.s. wordt gevolgd in zijn stelling dat aan de geschiktheid van het bedrijf ten tijde van overdracht niet afdoet dat [eiser] c.s. ruim anderhalf jaar na de overdracht als gevolg van een wetswijziging geen aanspraak meer kon maken op uitbetaling van slachtpremie. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] c.s. een positief resultaat per kalf heeft gegarandeerd. Ten onrechte stelt [eiser] c.s. dat (impliciet) onderdeel van de koopovereenkomst vormde ‘de mogelijkheid tot het verkrijgen van slachtpremies per geleverd kalf’. Zoals [eiser] c.s. zelf ook stelt, bestond die mogelijkheid voor iedere kalverhouder, mits aan de van overheidswege gestelde eisen werd voldaan. Wat [eiser] c.s. dan ook kocht van [gedaagde] c.s. was niet ‘die mogelijkheid’ maar de stallen en overige benodigdheden voor het exploiteren van een kalverbedrijf, waarna hij zelf door kalveren te fokken gebruik kon maken van de door de overheid geboden mogelijkheid om per geleverd kalf een slachtpremie te ontvangen. Van non-conformiteit is dan ook geen sprake.

4.5. De vraag is vervolgens of [gedaagde] c.s. zich bij het aangaan van de koopovereenkomst expliciet dan wel impliciet heeft verbonden om eventueel in de toekomst aan hem toegekende toeslagrechten ter zake van het verkochte bedrijf in [woonplaats] aan [eiser] c.s. over te dragen, zoals [eiser] c.s. stelt.

Uit de schriftelijke koopovereenkomst blijkt niet dat partijen hebben geanticipeerd op het verdwijnen van de slachtpremie en de volledige ontkoppeling per 2010 in Nederland. Uit de door [gedaagde] c.s. overgelegde brief van de Minister (zie onder 2.7) en nieuwbrieven van de Dienst Regelingen blijkt dat deze informatie eind 2007 openbaar was en derhalve bij partijen dan wel hun adviseurs bekend had kunnen zijn. De schriftelijke koopovereenkomst geeft er geen blijk van dat eventuele toekomstige toeslagrechten bij de koop zijn betrokken. Daar waar in de schriftelijke overeenkomst wordt gerefereerd aan toeslagrechten gaat het niet om toekomstige toeslagrechten die in de plaats zouden komen van de slachtpremies maar om ‘EU-toeslagrechten’ en wordt bovendien bepaald dat deze nu juist niet bij het verkochte zijn inbegrepen. De schriftelijke koopovereenkomst ondersteunt de stelling van [eiser] c.s. dan ook niet.

4.6. Voor zover [eiser] c.s. bedoeld heeft te stellen dat toekomstige toeslagrechten stilzwijgend zijn meeverkocht, aangezien slachtpremies wezenlijk waren en toeslagrechten thans wezenlijk zijn voor de levensvatbaarheid van een overgedragen kalverbedrijf, kan [eiser] c.s. hierin niet worden gevolgd. (Toekomstige) toeslagrechten zijn vermogensrechten die aanspraak geven op subsidie. Toeslagrechten die met behulp van specifieke grond of stallen zijn verkregen, hoeven niet op die grond of hetzelfde bedrijf te blijven en daar te worden benut. Indien partijen dan ook willen dat die toeslagrechten overgaan van de verkoper (aan wie de toeslagrechten zijn of zullen worden toegekend) op de koper, zullen partijen daarover expliciet overeenstemming dienen te bereiken en deze overeenkomst bij voorkeur schriftelijk dienen vast te leggen. Gebeurt dit niet, dan blijven de toeslagrechten bij de kalverhouder aan wie de toeslagrechten van overheidswege zijn toegekend. Nu het eventueel meeverkopen van toekomstige toeslagrechten volgens de verklaringen van beide partijen niet ter sprake is geweest en er in het onderhavige geval dan ook geen overeenstemming is bereikt omtrent de verkoop van deze toekomstige toeslagrechten aan [eiser] c.s., kan op basis van de onderhavige koopovereenkomst per januari 2010 geen verplichting zijn ontstaan voor [gedaagde] c.s. om toeslagrechten aan [eiser] c.s. over te dragen.

Nu de door [eiser] c.s. gestelde verplichting niet is ontstaan, is [gedaagde] c.s. niet toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van een contractuele verplichting en zijn de vorderingen van [eiser] c.s. niet toewijsbaar op de eerste grondslag.

Dwaling

4.7. Als tweede grondslag heeft [eiser] c.s. dwaling aangevoerd. Onder randnummer 18 van de dagvaarding vernietigt [eiser] c.s. de overeenkomst partieel en vraagt hij deze rechtbank de koopprijs te verminderen met de door [eiser] c.s. geleden schade. In het petitum van de dagvaarding komt deze vordering echter niet terug. Daar wordt subsidiair immers een verklaring voor recht gevorderd dat [gedaagde] c.s. onrechtmatig heeft gehandeld met een veroordeling tot schadevergoeding. Er voorlopig van uitgaande dat dit manco nog zou kunnen worden hersteld, zal de rechtbank het beroep op dwaling eerst inhoudelijk beoordelen.

4.8. Volgens [eiser] c.s. hebben beide partijen gedwaald aangezien zij niet wisten wanneer en op welke wijze de Nederlandse overheid de ontkoppeling vorm zou geven. Hij heeft nooit een kalverbedrijf willen kopen waarmee hij geen redelijk inkomen kon genereren. Bij de koopprijs is uitdrukkelijk rekening gehouden met de van overheidswege te ontvangen slachtpremie.

[gedaagde] c.s. heeft ten verweer aangevoerd dat hij ook bij een juiste voorstelling van zaken (ontkoppeling per 2010) niet had behoeven te begrijpen dat [eiser] c.s. daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden. In de overeenkomst was immers geen koopprijs voor de overdracht van (toekomstige) toeslagrechten opgenomen. Ook bij een juiste voorstelling van zaken had [eiser] c.s. moeten begrijpen dat bedrijfstoeslag geen onderdeel was van de koop. Daarnaast heeft [gedaagde] c.s. aangevoerd dat de dwaling uitsluitend een toekomstige omstandigheid betreft en dat de vernietiging daar op grond van artikel 5:228 lid 2 BW niet op kan worden gegrond.

4.9. Dit laatste verweer van [gedaagde] c.s. slaagt. De dwaling betreft immers een wetswijziging waarvan de exacte uitwerking en derhalve de gevolgen voor het door [eiser] c.s. te kopen kalverbedrijf in 2008 nog niet bekend waren. Voor zover de dwaling niet een uitsluitend toekomstige omstandigheid zou betreffen, maar tevens een reeds aanwezige omstandigheid (de op handen zijnde ontkoppeling per 2010) kan het beroep op dwaling evenmin slagen. Artikel 6:228 lid 2 BW bepaalt immers dat de vernietiging ook niet kan worden gegrond op een dwaling die in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval voor rekening van de dwalende behoort te blijven. [eiser] c.s. heeft zich bij de aankoop van het bedrijf van [gedaagde] c.s. laten bijstaan door makelaar [betrokken makelaar]. [gedaagde] c.s. heeft onweersproken gesteld dat [betrokken makelaar] veel agrarische transacties begeleidt en de door [eiser] c.s. overgelegde verklaring van [betrokken makelaar] bevestigt zijn ervaring op dit punt. [betrokken makelaar] mag dan ook als deskundige worden aangemerkt waarvan verwacht mag worden dat hij op de hoogte is van de relevante wetgeving in de agrarische sector. Uit de door [gedaagde] c.s. overgelegde informatiebulletins van de Dienst Regelingen van oktober 2004 en maart 2005, alsmede uit de hiervoor onder 2.7 geciteerde brief van de Minister aan de Tweede Kamer kan worden afgeleid dat de ontkoppeling van de slachtpremies voor kalveren per 2010 zou plaatsvinden terwijl de ontkoppeling van de directe inkomenssteun op andere gebieden al veel eerder had plaatsgevonden. Als adviseur van [eiser] c.s. had hij daar in ieder geval van op de hoogte behoren te zijn en van de reële mogelijkheid dat dit vanaf 2010 nadelige gevolgen voor [eiser] c.s. zou hebben. Hij mocht er ook op basis van de in 2008 bekende informatie niet vanuit gaan dat de toekomstige toeslagrechten die de slachtpremie zouden vervangen, automatisch aan [eiser] c.s. zouden worden toegekend. Indien [eiser] c.s. daar wel van uit ging, had [betrokken makelaar] op dit punt geen leemte in het contract moeten laten ontstaan. Onder 4.6 is reeds overwogen dat hieromtrent een bepaling in de koopovereenkomst had kunnen worden opgenomen. In ieder geval was in 2008 al duidelijk dat de inkomenssteun voor kalverhouders per 2010 zou wijzigen zodat [betrokken makelaar] (en dus [eiser] c.s.) er niet vanuit heeft mogen gaan dat de kennelijk zo essentiële inkomenssteun van overheidswege ook op de iets langere termijn gewaarborgd was. De conclusie is dan ook dat voor zover [eiser] c.s. heeft gedwaald omtrent een niet-toekomstige dan wel niet uitsluitend toekomstige omstandigheid, deze dwaling voor rekening van [eiser] c.s. dient te komen nu de kennis en ervaring van de door hem ingeschakelde adviseur aan hem dient te worden toegerekend.

Onvoorziene omstandigheden

4.10. [eiser] c.s. heeft gesteld dat ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst er nog geen sprake was van ontkoppeling en ook geen vooruitzicht bestond op die ontkoppeling en de wijze waarop de ontkoppeling zou plaatsvinden. De wijze waarop de overheid de toekenning van toeslagrechten uiteindelijk heeft geregeld was dan ook onvoorzien en maakt volgens [eiser] c.s. dat de overeenkomst gewijzigd of aangevuld dient te worden. Het verweer van [gedaagde] c.s. luidt dat al sinds 2004 bekend was dat ook bij de kalverhouderij volledige ontkoppeling zou plaatsvinden met ingang van 2010 en dat de wijze waarop die ontkoppeling zou plaatsvinden nog niet bekend was, hier niet aan afdoet.

4.11. Voor een beroep op artikel 6:258 BW is niet beslissend of de omstandigheden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voorzienbaar waren, maar komt het erop aan van welke veronderstellingen partijen zijn uitgegaan en of zij in de mogelijkheid van het optreden van de onvoorziene omstandigheden hebben willen voorzien. Gelet op de verklaringen van partijen ter comparitie en de schriftelijke koopovereenkomst lijkt het erop dat de op handen zijnde ontkoppeling van de slachtpremies niet ter sprake is geweest en dat de nadelige gevolgen die de wetswijziging vanaf 2010 voor [eiser] c.s. heeft gehad niet door partijen zijn voorzien. In zoverre is er derhalve sprake van onvoorziene omstandigheden. Voor een beroep op artikel 6:258 BW is dit echter niet voldoende. Deze moeten van dien aard te zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Bovendien wordt volgens lid 2 van genoemd artikel een wijziging van de overeenkomst niet uitgesproken, voor zover de omstandigheden krachtens de aard van de overeenkomst of de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening komen van degene die zich erop beroept.

Indien en voor zover er derhalve al zou zijn voldaan aan de hiervoor genoemde strenge maatstaf van lid 1, kan een vordering tot wijziging van de overeenkomst op grond van onvoorziene omstandigheden niet slagen nu – zoals onder 4.9 reeds is overwogen – de omstandigheid dat [eiser] c.s. de gevolgen van de ontkoppeling per 2010 niet heeft voorzien, voor rekening van [eiser] c.s. dient te komen.

Onrechtmatige daad

4.12. [eiser] c.s. stelt voorts dat [gedaagde] c.s. onrechtmatig jegens hem handelt door zich gelden toe te eigenen die aan [eiser] c.s. toekomen gelet op de ratio van de regelgeving ten aanzien van inkomenssteun in de landbouwsector.

4.13. Deze stelling van [eiser] c.s. wordt verworpen. Zoals [gedaagde] c.s. terecht heeft aangevoerd, heeft niet [eiser] c.s. maar [gedaagde] c.s. de onderhavige toeslagrechten opgebouwd door in de stal in [woonplaats] kalveren te fokken. Dat [eiser] c.s. naderhand eigenaar is geworden van die stal betekent niet dat hij daarmee aanspraak kan maken op toeslagrechten die volgens het wettelijke systeem toekomen aan de toenmalige exploitant van de betreffende bedrijfslocatie. Zoals overwogen zijn toeslagrechten vermogensrechten waarmee gehandeld kan worden en die niet locatiegebonden zijn. Bovendien is [gedaagde] c.s., zoals onweersproken is gesteld, nog steeds landbouwer en blijft hij gebruik maken van de bedrijfstoeslag. Dat hij landbouwgrond is gaan huren om de betreffende toeslag te kunnen ontvangen doet hier niet aan af. Door gebruik te maken van de mogelijkheden en kansen die de nieuwe wetgeving voor [gedaagde] c.s. inhouden, handelt hij niet onrechtmatig jegens [eiser] c.s. Ook de omstandigheid dat het voor [gedaagde] c.s. ongunstig had kunnen uitvallen indien slechts het jaar 2008 of het jaar 2009 was gekozen als referentiejaar, maakt de onderhavige handelwijze van [gedaagde] c.s. niet onrechtmatig.

Ongerechtvaardigde verrijking

4.14. Uiterst subsidiair heeft [eiser] c.s. gesteld dat [gedaagde] c.s. ongerechtvaardigd is verrijkt doordat hij sinds de ontkoppeling van de slachtpremies per 1 januari 2010 ten onrechte vergoedingen van de overheid ontvangt die aan [eiser] c.s. toekomen. Ook deze grondslag berust op de onjuiste veronderstelling dat de onderhavige toeslagrechten en de daaruit voortvloeiende vergoedingen aan [eiser] c.s. toekomen. Volgens de nieuwe wetgeving is [gedaagde] c.s. rechthebbende op de onderhavige toeslagrechten en voor zover dit al als verrijking of onverwacht voordeel wordt gezien, is deze verrijking derhalve niet ongerechtvaardigd. [eiser] c.s. impliceert dat er geen redelijke grond aanwezig is voor de verrijking van [gedaagde] c.s. aangezien [gedaagde] c.s. niets hoeft te doen en toch de betreffende vergoeding ontvangt. De ratio van de wetswijziging was echter juist dat de inkomenssteun zou worden losgekoppeld van de productie en dat brengt derhalve mee dat het leveren van kalveren niet langer per geleverd kalf wordt ‘beloond’. Tenslotte staat tegenover een eventuele verrijking geen verarming van [eiser] c.s. aangezien [eiser] c.s. nooit over de onderhavige toeslagrechten heeft beschikt. De conclusie moet dan ook zijn dat niet is voldaan aan de vereisten voor ongerechtvaardigde verrijking.

4.15. Nu de vorderingen van [eiser] c.s. op de door hem aangevoerde grondslagen niet toewijsbaar zijn, zullen deze worden afgewezen.

4.16. [eiser] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] c.s. worden begroot op:

- explootkosten € 0,00

- griffierecht 260,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2,0 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 1.418,00

4.17. De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] c.s. tot op heden begroot op € 1.418,00,

5.3. veroordeelt [eiser] c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S.T. Belt en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2012.