Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BV3804

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
01-02-2012
Datum publicatie
14-02-2012
Zaaknummer
203890
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zorgplicht beleggingsadviseur.

In tussenvonnis was al geoordeeld dat gedaagde (de beleggingsadviseur) zijn zorgplicht niet was nagekomen, hetgeen in beginsel tot zijn aansprakelijkheid leidt. De schade van eiseres kan aan gedaagde worden toegerekend. Niet alle schade komt echter voor vergoeding in aanmerking. Het beroep van gedaagde op eigen schuld slaagt niet.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2012/74
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 203890 / HA ZA 10-1519

Vonnis van 1 februari 2012

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. A.G.W. Leysen te Nijmegen,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. P.J.L.R. van Passel te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 21 september 2011

- de akte houdende uitlating, tevens wijziging van eis van [eiseres]

- de antwoordakte houdende uitlating van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. De rechtbank blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 21 september 2011. In dat tussenvonnis is in rechtsoverweging 4.21 het volgende overwogen:

Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat [gedaagde] [eiseres] op de beleggingsmogelijkheid bij Euroglobe heeft gewezen en haar heeft geholpen met die beleggingen hoewel hij onvoldoende kennis had over de betrokken instellingen City Sparkasse, Euroglobe en Ysilada Bank, niet wist wat de constructie en de rol van City Sparkasse, Euroglobe en Ysilada Bank daarin precies inhield en hoe de ingelegde gelden zouden worden belegd. Een schriftelijke overeenkomst ontbrak. Desondanks heeft [gedaagde] [eiseres] niet gewezen op de risico’s, ja gezegd dat er geen risico aan de constructie verbonden was. [gedaagde] heeft onvoldoende concrete feiten gesteld die – zo de juistheid daarvan zou komen vast te staan – tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.

Daarmee is komen vast te staan dat [gedaagde] zijn zorgplicht niet is nagekomen. Dit leidt in beginsel tot aansprakelijkheid aan de zijde van [gedaagde].

2.2. Vervolgens heeft de rechtbank de zaak naar de rol verwezen teneinde [eiseres] in de gelegenheid te stellen de door haar gestelde schade nader te onderbouwen alsmede nader te reageren op het verweer ten aanzien van de schade.

2.3. Bij akte van 19 oktober 2011 heeft [eiseres] de door haar gestelde schade nader toegelicht. In totaal begroot zij deze op een bedrag van € 383.376,00. Zij vermeerdert haar vordering tot dit bedrag. Het gaat kort gezegd om de volgende schadeposten:

1. een bedrag van € 134.376,00 aan niet ontvangen rente van 2,5% per maand over 80% van het ingelegde kapitaal van in totaal € 136.000,00,

2. een bedrag van € 11.000,00 aan gederfde/nog te derven rente over de niet ontvangen maandelijkse rentebedragen,

3. een bedrag van € 136.000,00 aan niet terug ontvangen ingelegd kapitaal,

4. een bedrag van € 102.000,00 aan gederfde rente gedurende 15 jaar over het terug te ontvangen kapitaal.

2.4. [gedaagde] heeft tegen de vermeerdering van eis als zodanig geen verweer gevoerd. Gelet hierop, alsmede op het feit dat deze vermeerdering van eis op zichzelf duidelijk is en niet in strijd met de eisen van een goede procesorde, zal de rechtbank beslissen op grond van de gewijzigde eis.

2.5. In zijn antwoordakte van 30 november 2011 heeft [gedaagde] bezwaar gemaakt tegen de door [eiseres] in het geding gebrachte Duits- en Engelstalige documenten zonder vertalingen. Volgens [gedaagde] mag de rechtbank van deze niet-Nederlandse bescheiden geen kennis nemen. De rechtbank gaat voorbij aan dit bezwaar. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] de betreffende documenten niet heeft begrepen. Van strijd met een goede procesorde is dan ook geen sprake.

2.6. Met betrekking tot de door [eiseres] gestelde schade stelt de rechtbank voorop dat er sprake is van een condicio-sine-qua-non-verband tussen het niet-nakomen van zijn zorgplicht door [gedaagde] en het beleggen van gelden bij Euroglobe/City Sparkasse door [eiseres]. Gesteld noch gebleken is immers dat [eiseres] die gelden ook bij Euroglobe/City Sparkasse zou hebben belegd, indien [gedaagde] haar niet had gewezen op deze beleggingsmogelijkheid, terwijl [eiseres] dat evenmin zou hebben gedaan als [gedaagde] zijn zorgplicht wel was nagekomen en haar nadrukkelijk had gewezen op de daaraan verbonden risico’s. Hiermee is tevens het oorzakelijk verband gegeven tussen het niet-nakomen van genoemde zorgplicht en de schade die [eiseres] hierdoor heeft geleden.

2.7. De stelling van [gedaagde], dat voor zover door Euroglobe/City Sparkasse wanprestatie is geleverd, [eiseres] deze partijen daarvoor aansprakelijk dient te stellen en niet [gedaagde], is in deze procedure niet relevant omdat [gedaagde] een eigen aansprakelijkheid heeft die in het tussenvonnis reeds is vastgesteld.

2.8. Vervolgens is de vraag of de door [eiseres] gestelde schade aan de niet-nakoming van zijn zorgplicht door [gedaagde] kan worden toegerekend in de zin van artikel 6:98 BW. Waar deze zorgplicht ertoe strekt te voorkomen dat [eiseres] zijn advies lichtvaardig of met ontoereikend inzicht opvolgt, kan het beleggen van gelden bij Euroglobe/City Sparkasse naar het oordeel van de rechtbank aan die niet-nakoming worden toegerekend, zodat [gedaagde] in beginsel de voor [eiseres] nadelige financiële gevolgen van die beleggingen dient te vergoeden.

2.9. Als uitgangspunt geldt hierbij dat [eiseres] door middel van een schadevergoeding zoveel mogelijk in de toestand dient te worden gebracht waarin zij zou hebben verkeerd indien het schadeveroorzakende feit achterwege was gebleven. In deze zaak is het schadeveroorzakende feit de niet-nakoming van zijn zorgplicht door [gedaagde], bestaande uit - kort gezegd - het wijzen op de beleggingsmogelijkheid bij Euroglobe, het vervolgens ook helpen met die belegging en het niet wijzen op de risico’s. Dit uitgangspunt brengt mee dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die vermoedelijk zou zijn geweest indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden.

2.10. Zoals hiervoor reeds is overwogen, moet worden aangenomen dat [eiseres] de overwaarde van de voormalige echtelijke woning niet bij Euroglobe/City Sparkasse zou hebben belegd, indien [gedaagde] haar niet had gewezen op deze beleggingsmogelijkheid, dan wel indien hij zijn zorgplicht wel was nagekomen en haar nadrukkelijk had gewezen op de daaraan verbonden risico’s. De rechtbank beschouwt het bedrag aan inleg dan ook als schade die door [gedaagde] dient te worden vergoed. Het gaat om bedragen van

€ 109.000,00 + € 27.000,00 = € 136.000,00 (post 3). Deze schade is feitelijk ingetreden op het moment dat [eiseres] de bedragen van haar rekening heeft overgeboekt, te weten op 26 maart 2007 voor wat betreft een bedrag van € 110.000,00 en op 1 augustus 2007 voor wat betreft een bedrag van € 26.000,00. Verwezen wordt naar de overgelegde rekeningafschriften. De uiteindelijke beleggingen bij Euroglobe hebben weliswaar betrekking op de eerdergenoemde bedragen van € 109.000,00 en € 27.000,00, maar het totaalbedrag is hetzelfde.

2.11. [gedaagde] stelt in dit verband in de eerste plaats dat thans niet met voldoende zekerheid vaststaat dat [eiseres] haar inleg niet zal terug ontvangen. De rechtbank gaat hieraan voorbij. De stukken waarin door of namens Euroglobe/City Sparkasse wordt verklaard dat [eiseres] haar geld zal terugkrijgen (zie productie 6 akte houdende uitlating van [eiseres]), dateren allemaal van 2009, dus van minimaal meer dan twee jaar geleden. Dat [gedaagde] op 15 oktober 2010 een bericht van City Sparkasse heeft ontvangen waarin wordt aangegeven dat eind oktober 2010 de problemen met de uitbetaling zijn opgelost (productie 1 conclusie van antwoord) zegt niets over de situatie van [eiseres], terwijl dit bericht inmiddels ook ruim een jaar oud is, zonder dat er daadwerkelijk terugbetaling heeft plaatsgevonden. Van de zijde van [gedaagde] is niets aangevoerd, met name recenter gegevens, dat tot een andere conclusie dwingt. [gedaagde] heeft evenmin andere concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat [eiseres] op korte termijn haar inleg zal terug ontvangen. Aangenomen kan derhalve worden dat er voor [eiseres] geen concreet vooruitzicht bestaat dat het ingelegde kapitaal alsnog zal worden terugbetaald.

2.12. [gedaagde] betwist verder dat de bedragen van € 109.000,00 en € 27.000,00 naar dezelfde bankinstelling zijn overgeboekt c.q. in hetzelfde product zijn ingelegd. Uit productie 4 akte houdende uitlating van [eiseres] kan evenwel het tegendeel worden afgeleid. Dit betreft een uitdraai van de rekening van [eiseres] bij Euroglobe. Onder het kopje “Investment’ staan twee beleggingen genoemd die beide zijn aangeduid als ‘Euroglobe Asset – 2,50% / mtl – Invest = 80.00% der Einlage!’, terwijl daarachter onder het kopje ‘Einlage’ bedragen staan vermeld van € 21.600,00 en € 87.200,00. Deze bedragen corresponderen met 80% - de overige 20% was bestemd als verzekeringspremie - van de ingelegde bedragen van € 27.000,00 en € 109.000,00.

2.13. Ten slotte stelt [gedaagde] dat [eiseres] binnen twee jaar de overeenkomst met Euroglobe zelfstandig heeft beëindigd, zodat het contractuele boetebeding in werking is getreden. Dit boetebeding houdt in, zo blijkt uit een door [eiseres] overgelegde uitdraai van de website van Euroglobe (productie 3 akte houdende uitlating van [eiseres]), dat de reeds ontvangen rente bij beëindiging van de overeenkomsten binnen twee jaar na sluiting daarvan in mindering wordt gebracht op het terug te ontvangen, ingelegde kapitaal.

2.14. Wat hiervan verder inhoudelijk ook zij, naar het oordeel van de rechtbank is dit niet relevant voor de vraag of het beleggen van gelden bij Euroglobe/City Sparkasse aan de niet-nakoming van zijn zorgplicht door [gedaagde] kan worden toegerekend. Immers, vaststaat dat [eiseres] het kapitaal bij Euroglobe/City Sparkasse heeft ingelegd als gevolg van - kort gezegd - de ‘tip’ van [gedaagde] en het vervolgens niet wijzen op de daaraan verbonden risico’s. Dat is reeds voldoende om deze schade te kunnen toerekenen.

2.15. [eiseres] voert tevens als schade op een bedrag van € 134.376,00 aan niet ontvangen rente van 2,5% per maand over 80% van het ingelegde kapitaal van in totaal € 136.000,00 (post 1). Volgens [eiseres] zou zij over de periode van 1 mei 2007 tot 1 juni 2012 over het ingelegde kapitaal van € 109.000,00 qua rente een bedrag van € 130.800,00 hebben ontvangen, en over de periode 30 oktober 2007 tot 14 januari 2013 over het ingelegde kapitaal van € 27.000,00 qua rente een bedrag van € 32.400,00, in totaal een bedrag van

€ 163.200,00. Hierop brengt [eiseres] in mindering de door haar gestelde daadwerkelijk ontvangen rente (€ 28.824,00), zodat resteert een bedrag van € 134.376,00.

2.16. Naar het oordeel van de rechtbank valt deze schade niet te rijmen met het onder 2.9 weergegeven uitgangspunt. Indien het schadeveroorzakende feit achterwege was gebleven, had [eiseres] immers het kapitaal niet bij Euroglobe/City Sparkasse belegd en zou zij dus ook niet maandelijks over een periode van 1 mei 2007 tot 1 juni 2012 en over een periode van 30 oktober 2007 tot 14 januari 2013 2,5% rente hebben ontvangen over 80% van € 109.000,00 respectievelijk € 27.000,00. Er is dus geen sprake van een situatie dat een bepaalde handeling schade heeft veroorzaakt, terwijl als vaststaand moet worden aangenomen dat, indien die handeling achterwege was gebleven, dezelfde schade toch zou zijn ontstaan door een andere, latere gebeurtenis (de zogenaamde hypothetische causaliteit). Ditzelfde geldt voor de door [eiseres] gestelde schade van € 11.000,00 aan gederfde/nog te derven rente over de niet ontvangen maandelijkse rentebedragen (post 2). Beide komen in deze vorm dan ook niet voor vergoeding in aanmerking.

2.17. Dit laat echter onverlet dat [eiseres] wel rente is misgelopen als gevolg van de belegging bij Euroglobe/City Sparkasse. De toestand waarin [eiseres] zou hebben verkeerd als het schadeveroorzakende feit achterwege was gebleven leidt de rechtbank af uit hetgeen [eiseres] tijdens het voorlopig getuigenverhoor op 30 november 2009 heeft verklaard:

Nadat mijn echtgenoot en ik hadden besloten te gaan scheiden heeft mijn echtgenoot mij de overwaarde van onze gezamenlijke woning betaald. Dat was een bedrag van € 137.000,--. Ik wilde dit bedrag gewoon op een spaarrekening zetten en er rente van ontvangen en eventueel later een woning voor mijzelf kopen.

Hieruit volgt dat het de bedoeling van [eiseres] was om de overwaarde van de gezamenlijke echtelijke woning op een spaarrekening te zetten om daarover vervolgens rente te verkrijgen. Bij de berekening van de schade zal de rechtbank dan ook uitgaan van de wettelijke rente die wordt gegenereerd over het ingelegde kapitaal. Hierbij zal voorbij worden gegaan aan het feit dat [eiseres] aanvankelijk in februari 2007 een bedrag van

€ 25.000,00 heeft overgemaakt naar een rekening van Société Générale ten behoeve van een beleggingsproduct met de naam Blue Value. [eiseres] heeft namelijk op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt wat dit product precies inhield en wat zij daarmee zou hebben gedaan indien zij niet bekend was geworden met de beleggingsmogelijkheid bij Euroglobe. De rechtbank gaat voor de periode waarover rente moet worden berekend uit van de rentedatum waarop de bedragen van de rekening van [eiseres] zijn overgeboekt, te weten 26 maart 2007 voor wat betreft een bedrag van € 110.000,00 en 1 augustus 2007 voor wat betreft een bedrag van € 26.000,00.

2.18. Tussen partijen staat vast dat aan [eiseres] gedurende enige tijd maandelijks rente is uitgekeerd. Omdat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden, dient dit bedrag op de reeds vastgestelde schade in mindering te worden gebracht.

2.19. Partijen verschillen van mening over de vraag hoeveel rente aan [eiseres] is uitgekeerd. Volgens [eiseres] heeft zij in totaal € 28.824,00 aan rente ontvangen op de (daarvoor speciaal geopende) rekening bij Deutsche Bank. Zij verwijst hierbij naar een bij brief van 1 februari 2011 overgelegd en door haarzelf opgemaakt overzicht van bankoverschrijvingen. [gedaagde] betwist het bedrag van € 28.824,00 en stelt dat [eiseres] ten minste een bedrag van € 47.104,00 aan rente heeft ontvangen. Dit is het bedrag dat op genoemd overzicht staat vermeld bij het kopje ‘bedrag storting naar City Sparkasse’. Voorts plaatst [gedaagde] verschillende kanttekeningen bij het overzicht van bankoverschrijvingen.

2.20. De rechtbank stelt vast dat het overzicht van bankoverschrijvingen niet nader door [eiseres] is toegelicht of met stukken onderbouwd, bijvoorbeeld met bankafschriften waaruit de rentestortingen blijken. Gelet op de gemotiveerde bezwaren van [gedaagde] tegen dat overzicht kan daarmee niet precies worden vastgesteld welk bedrag aan rente in totaal aan [eiseres] is uitgekeerd. De rechtbank zal daarom voor de begroting daarvan met gebruikmaking van haar bevoegdheid daartoe (artikel 6:97 BW) een beredeneerde, globale schatting maken van dit bedrag.

2.21. Bij deze schatting zal in de eerste plaats worden uitgegaan van een rente van 2,5% per maand. Zowel op de website van Euroglobe (onder het kopje ‘Nutzungsbedingungen’) als op de rekening van [eiseres] bij Euroglobe (productie 3 en 4 akte houdende uitlating van [eiseres]) wordt dit rentepercentage genoemd. Verder geldt dat de overeenkomsten feitelijk zijn ingegaan op 30 april 2007 en 29 oktober 2007. Partijen zijn het er over eens dat er een ‘wachttijd’ gold van 77 dagen, waarin geen rente zou worden uitgekeerd. Deze tijd werd gebruikt voor het ‘wegzetten’ van 80% van het ingelegde kapitaal. Ervan uitgaande dat deze wachttijd voor beide overkomsten gold, is de eerste rente dus ongeveer uitgekeerd respectievelijk half juli 2007 en half januari 2008. Ten slotte is van belang dat [eiseres] heeft gesteld dat er in juli 2008 voor het laatst rente is uitgekeerd. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat met betrekking tot de overeenkomst van 30 april 2007 in totaal 13 maanden rente is uitgekeerd. Voor de overeenkomst van 29 oktober 2007 gaat het om 7 maanden.

2.22. Met inachtneming van het voorgaande komt de rechtbank dan tot de volgende globale schatting van de in totaal door [eiseres] ontvangen rente:

- 13 x € 2.180,00 (80% van € 109.000,00 x 2,5%) = € 28.340,00

- 7 x € 540,00 (80% van € 27.000,00 x 2,5%) = € 3.780,00

totaal = € 32.120,00

2.23. Op de hiervoor reeds vastgestelde schade van € 136.000,00 dient dus een bedrag van € 32.120,00 in mindering te worden gebracht, zodat een schade resteert van

€ 103.880,00.

2.24. Ten slotte voert [eiseres] als schade op een bedrag van € 102.000,00 aan gederfde hypotheekrente gedurende 15 jaar over het terug te ontvangen kapitaal (post 4). [eiseres] stelt in dit verband dat zij van plan was de overwaarde van de voormalige echtelijke woning te investeren in de aankoop van een woning. Door toedoen van [gedaagde] is dit niet meer mogelijk, zodat de schade die [eiseres] daardoor lijdt becijferd kan worden op basis van de hypotheekrente die zij te zijner tijd over het totaal terug te ontvangen bedrag van

€ 136.000,00 zou moeten betalen. [eiseres] gaat daarbij uit van een rente van 5% en, rekening houdend met haar leeftijd, een looptijd van 15 jaar.

2.25. Ook hiervoor geldt dat er geen sprake is van een hypothetische causaliteit. Uit de onder 2.17 geciteerde passage van het voorlopig getuigenverhoor van [eiseres] volgt immers dat allerminst vaststaat dat zij daadwerkelijk van plan was (op korte termijn) het geld te investeren in de aankoop van een woning. [eiseres] wilde de overwaarde van de gezamenlijke echtelijke woning op een spaarrekening zetten om daarover vervolgens rente te verkrijgen. Bovendien heeft [eiseres] op geen enkele wijze concreet onderbouwd waarom moet worden uitgegaan van een hypotheekrente van 5% en een looptijd van 15 jaar. Ten slotte benadrukt de rechtbank dat de wetgever als uitgangspunt heeft bepaald dat het gemis van geld wordt vergoed door de wettelijke rente, tenzij feiten anders dwingen. De rechtbank beschouwt het bedrag van € 102.000,00 dan ook niet als schade die door [gedaagde] dient te worden vergoed.

2.26. Conclusie uit al het voorgaande is dat [gedaagde] in beginsel de schade van [eiseres] dient te vergoeden tot een bedrag van € 103.880,00, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 110.000,00 vanaf 26 maart 2007 en over een bedrag van € 26.000,00 vanaf 1 augustus 2007, tot de dag van volledige betaling.

2.27. [gedaagde] heeft nog aangevoerd dat de schade op grond van artikel 6:101 BW (eigen schuld) voor rekening van [eiseres] moet blijven. [eiseres] heeft doelbewust de aanmerkelijke kans op de grote risico’s aanvaard. De omstandigheden en de billijkheid maken dat de schadevergoedingsplicht aan de zijde van [gedaagde] niet bestaat of in het geheel komt te vervallen, zodat de schade op nihil dient te worden gesteld.

2.28. Ingevolge artikel 6:101 BW wordt, wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.

2.29. Allereerst moet dus worden vastgesteld of de schade mede door een omstandigheid aan de zijde van [eiseres] is veroorzaakt en of deze omstandigheid aan [eiseres] kan worden toegerekend. Volgens [gedaagde] is de aan [eiseres] toe te rekenen omstandigheid gelegen in het feit - kort gezegd - dat [eiseres] onvoldoende kritisch onderzoek heeft gedaan naar de kenmerken en risico’s van het financiële product van Euroglobe.

2.30. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er op zichzelf enkele kanttekeningen te plaatsen bij de handelwijze van [eiseres]. Zo blijkt uit de door [eiseres] afgelegde verklaring tijdens het voorlopig getuigenverhoor dat zij vooral uit was op het behalen van een hoog rendement:

Voordat ik mijn geld overmaakte naar Euroglobe heb ik wel gekeken wat het rentepercentage was bij andere banken. De 10 à 12% rente op jaarbasis die andere banken boden vond ik te weinig. De rente die ik op maandbasis bij reguliere banken kon krijgen was een stuk lager dan de 2% die [gedaagde] mij bood. Ik heb mij niet echt afgevraagd waarom dat kon (…).

Het is een feit van algemene bekendheid dat aan een hoger rentepercentage in de regel een hoger risico is verbonden. Daarnaast wijst [gedaagde] terecht op hetgeen staat vermeld onder punt 7 van de door [eiseres] overgelegde uitdraai van de website van Euroglobe (productie 3 akte houdende uitlating van [eiseres]): “Ich bin mir bewusst, dass es sich bei dieser Anlage um ein Investment handelt und sich die Renditen, oder Bedingungen dieses Investments bei rechtzeitiger Ankündigung verändern können, insbesondere dann, wenn der Produktpartner eine Änderung des Programms vornimmt.“ Uit deze voor [eiseres] kenbare passage kan op zijn minst worden afgeleid dat het bij het product van Euroglobe ging om een onzekere investering, nu zowel de rentepercentages als de voorwaarden konden worden gewijzigd. Ten slotte is nog van belang dat [eiseres] zich liet bijstaan door een goede vriend, de heer [betrokkene], die naar eigen zeggen bedrijfskunde heeft gestudeerd en dus ‘wel iets van cijfers’ weet. De heer [betrokkene] heeft onder meer de voorwaarden die op de website stonden doorgelezen en hij is met [eiseres] meegegaan naar Kleve voor het openen van een rekening bij Deutsche Bank.

2.31. Daar staat echter het volgende tegenover. Zowel [eiseres] als [betrokkene] hebben onderzoek gedaan naar het product van Euroglobe. Gesteld noch gebleken is echter dat op grond van de voorhanden zijnde informatie over dat product - bijvoorbeeld op de website van Euroglobe/City Sparkasse - in één oogopslag duidelijk was dat het ging om een risicovol product, in ieder geval niet voor wat betreft (de terugstorting van) het in te leggen kapitaal. [eiseres] heeft in dit verband ter comparitie verklaard:

Ik heb op internet gezocht naar informatie over Ysilada Bank, City Sparkasse en Euroglobe. Ik kreeg geen duidelijk beeld. (…) Ik vertrouwde echter volledig op [gedaagde], die ik al 15 jaar kende.

Ook de heer [betrokkene] zag na bestudering van de voorwaarden van Euroglobe en City Sparkasse geen aanleiding daarover vragen te stellen aan [gedaagde]:

Ik heb het hele product bekeken om te zien of het veilig was, of er gaten in de voorwaarden zaten. Ik heb dat gedaan door de voorwaarden te lezen die stonden op de site van City Sparkasse. Ik heb die deels uitgedraaid. Hetzelfde geldt voor Euroglobe. Ik heb die voorwaarden zelfstandig doorgelopen. Ik kan me niet herinneren dat ik er vragen over had aan [gedaagde].

In dit verband merkt de rechtbank nog op dat het enkele feit dat een van de partners van Euroglobe (Ysilada Bank) is gevestigd op Cyprus op zichzelf nog niet betekent dat [eiseres] extra waakzaam had moeten zijn of nader onderzoek had moeten doen. Mede gelet op het voorgaande voert het bovendien te ver om van [eiseres] te eisen dat zij nader onderzoek had moeten doet naar de solvabiliteit van de betrokken instellingen.

2.32. Naast het voorgaande is van belang dat zowel [eiseres], als de heer Hoven - de ex-echtgenoot van [eiseres] - en de heer [betrokkene] tijdens het voorlopig getuigenverhoor hebben verklaard dat [gedaagde] desgevraagd heeft aangegeven dat er geen risico aan de constructie was verbonden en dat het 100% veilig was. Hoewel [gedaagde] betwist dat hij dit heeft gezegd, heeft hij niet gesteld - en is ook niet gebleken - dat hij [eiseres] heeft gewezen op de risico’s, hoewel daartoe alle reden bestond, omdat er sprake was van een ingewikkelde constructie met buitenlandse partijen en een (extreem) hoge rente, terwijl bovendien juist op hem als adviseur een zorgplicht rustte. Bij dit alles moet bovendien niet uit het oog worden verloren dat [eiseres] [gedaagde] al 15 jaar kende vanwege zijn werkzaamheden als assurantietussenpersoon en dat zij hem om die reden blindelings vertrouwde.

2.33. Op grond van de voorgaande omstandigheden lag het naar het oordeel van de rechtbank niet op de weg van [eiseres] om (meer) diepgravend onderzoek te doen naar het product van Euroglobe. Daarmee kan niet worden geoordeeld dat de schade mede is veroorzaakt door een omstandigheid die aan [eiseres] kan worden toegerekend. Aan een (eventuele) billijkheidscorrectie komt de rechtbank niet toe. De conclusie is dan ook dat [gedaagde] de schade, zoals hiervoor vastgesteld op € 103.880,00, vermeerderd met wettelijke rente, aan [eiseres] dient te vergoeden. De vordering van [eiseres] zal tot dit bedrag worden toegewezen.

2.34. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten, waaronder de beslagkosten, worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [eiseres] op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 87,93

- betaald griffierecht 193,75

- in debet gesteld griffierecht 4.411,25

- getuigenkosten 44,00

- explootkosten beslag 296,17

- salaris advocaat 6.394,50 (4,5 punt × tarief € 1.421,00)

Totaal € 11.427,60

2.35. De rechter die het tussenvonnis van 21 september 2011 heeft gewezen, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen in verband met benoeming elders.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 103.880,00 (éénhonderddrieduizendachthonderdtachtig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over een bedrag van € 110.000,00 met ingang van 26 maart 2007 en over een bedrag van € 26.000,00 met ingang van 1 augustus 2007, telkens tot de dag van volledige betaling,

3.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 11.427,60, welk bedrag moet worden voldaan aan de griffier door overmaking op rekeningnummer 56.99.90.548 ten name van MvJ arrondissement Arnhem onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer,

3.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2012.

Coll.: MvG