Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BV3568

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-01-2012
Datum publicatie
10-02-2012
Zaaknummer
174358
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op LJN: BL1595.

Na deskundigenbericht concludeert de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat de door gedaagde in conventie aan eiseres in conventie geleverde gemengde compost (fase 2,5) niet beantwoordde aan de overeenkomst tussen partijen. Daarmee is de grondslag aan de vorderingen van eiseres in conventie onder I tot en met III komen te ontvallen en dienen deze te worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 174358 / HA ZA 08-1450

Vonnis van 18 januari 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. W.A.J. Hagen te Arnhem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. E.A. Leeman te Veghel.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagden] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 19 januari 2011

- het deskundigenbericht dat op 12 augustus 2011 is ontvangen

- de conclusie na deskundigenbericht van [eiseres]

- de antwoordconclusie na deskundigenbericht van [gedaagden].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in conventie

2.1. Bij het tussenvonnis van 19 januari 2011 heeft de rechtbank de heren Ing. A.J. Rutjens, onderzoeker bij onderzoeksgroep Paddenstoelen van Plant Research International te Wageningen, Ing. C.W.J. Hermans, adviseur van AdVisie "de champignonteeltadviseurs" te Heythuysen en Dr. G. Straatsma, compostdeskundige wonende te Horst, voorheen verbonden aan Plant Research International, benoemd tot deskundigen ter beantwoording van de volgende vragen:

1. Is de kwaliteit van de door [gedaagden] aan [eiseres] geleverde gemengde compost (bestaande uit 25% entbare compost + 75% doorgroeide compost) vergelijkbaar met de kwaliteit van de door [gedaagden] aan [eiseres] geleverde (100%) doorgroeide compost, in die zin dat de opbrengst vergelijkbaar is?

2. Welke andere feiten of omstandigheden, gebleken uit het onderzoek, kunnen van belang zijn voor een goed begrip van de zaak?

2.2. Naar aanleiding van de bovengenoemde vragen hebben de deskundigen het volgende deskundigenbericht, dat door de rechtbank is ontvangen op 12 augustus 2011, uitgebracht:

[…]

2 Inleiding.

[…] De genoemde deskundigen hebben de beschikbare relevante literatuurgegevens bestudeerd en getoetst aan de beschikbare praktijkinformatie. Om reden van objectiviteit is geen informatie uit het toegezonden procesdossier gebruikt en is ook geen informatie bij de betrokken partijen ingewonnen. De deskundigen wilden op deze wijze nadrukkelijk voorkomen dat rechtstreeks aan de zaak gekoppelde gegevens op kwaliteit en volledigheid beoordeeld dienden te worden. […]

3 Compostbereiding en kwaliteit.

3.1. Compostbereiding.

Compost is complex van samenstelling en de teelt en voeding van champignons zijn complexe processen. Ook het composteringsproces en met name fase 1 en fase 2, is een ingewikkeld proces, dat nog niet in alle details bekend is (Gerrits 1988, Straatsma 2001, 2004a, 2004b).

Dit composteringsproces wordt i.v.m. milieueisen (emissie van ammoniak en vluchtige zwavelverbindingen) in een gesloten systeem (indoor) uitgevoerd. De vrijkomende proceslucht wordt behandeld via o.a. bio-bedden en vervolgens afgevoerd. De compostbereiding wordt in Nederland uitgevoerd in tunnels met een beluchte vloer. Omdat tijdens het composteringsproces in feite het basismateriaal voor de uiteindelijke teelt ontstaat en per producent verschillen in de procesuitvoering bestaan wordt dit proces nader omschreven. Verder zijn in deze zaak zowel fase 2 (entbare compost) als ook fase 3 (doorgroeide compost) eindproducten van de compostbereiding. In essentie bestaat het composteringsproces uit een drietal fasen:

Fase 1.

In deze fase worden de basis-grondstoffen (paardenmest, slachtkuikenmest en gips) in hun van nature voorkomende variaties gemengd om een zo homogeen mogelijk product te maken. Dit mengsel wordt in speciale indoortunnels gevuld waarna de temperatuur in het compostmengsel oploopt tot 75 â 80°C. Belangrijkste doel van deze fase, die procestechnisch per producent duidelijk van elkaar verschilt, zijn: het homogeniseren, het ontsluiten en comprimeren van het grondstoffenmengsel resp. het afdoden van ongedierte (mijten en aaltjes) en ziektenkiemen. Na deze fase 1 wordt de compost uit de betreffende indoortunnel gehaald en gedurende een korte periode opgeslagen resp. gemengd en vervolgens in een tweede (volgende) tunnel gevuld. In deze tweede (volgende) tunnel wordt dan fase 2 uitgevoerd.

Fase 2.

Deze fase wordt onderverdeeld in "pasteuriseren" en "conditioneren". Tijdens het pasteuriseren wordt de composttemperatuur gedurende 6-8 uur op 58-62 °C gehouden. Ongedierten en ziektenkiemen die onverhoopt fase 1 hebben overleeft worden dan alsnog afgedood. Vervolgens wordt de compost homogeen op een temperatuur van 48-50 °C gebracht. Deze temperatuur is optimaal voor de ontwikkeling van een thermofiele schimmelflora. Tijdens het conditioneren wordt de compost ook ammoniakvrij gemaakt. Na het conditioneren wordt de compost afgekoeld tot 25°C. Fase 2 compost wordt ook wel entbare compost genoemd.

Fase 3.

De fase 2 compost kan dan vervolgens in een (volgende) tunnel geënt worden met champignonbroed (mycelium op graankorrels). Dit enten met champignonbroed is een kritische productiestap omdat er bij het enten infecties met onkruidschimmels kunnen optreden. Het champignonbroed, bestaat namelijk uit gesteriliseerde graankorrels die onder steriele condities omgroeid zijn met champignonmycelium. Dit onder steriele condities gegroeide mycelium heeft dan in de selectief gemaakte compost een voorsprong, doordat de broedkorrels fungeren als voedselbron en dat de door afkoeling geïnactiveerde thermofiele micorflora als voedsel gebruikt wordt. Op tunnelbedrijven vindt het enten dan ook onder strikt hygiënische omstandigheden plaats. Middels klimaatcomputers en geforceerde luchtstroming wordt vervolgens de temperatuur resp. luchtstroming geregeld voor een optimale myceliumgroei. Na 2 tot 2,5 week is de compost volledig doorgroeid met champignonmycelium.

3.2. Ontwikkeling van het product fase 2.5.

De entbare compost (fase 2) kan gemengd worden met doorgroeide compost (fase 3) tot het product aangeduid als fase 2,5.

In het artikel (Hermans; 2007) wordt aangegeven dat er op laboratoriumschaal al ervaring was opgedaan om snelle ingroei van mycelium in fase 2 compost te realiseren. Er werd niet zoals gebruikelijk broed op basis van graan gebruikt, maar "actief" mycelium. Fase 2 compost werd hiervoor geënt met fase 3 compost (= "actief" mycelium). Dit mycelium begon in tegenstelling tot het standaard toegepaste mycelium van graanbroed direct te groeien en overgroeide de fase 2 compost zeer snel. In de genoemde laboratoriumproeven werd zelfs tot 50% actief mycelium gebruikt. Na 3 dagen werd waargenomen dat de fase 2 compost reeds overgroeid was met champignonmycelium. Normaal wordt circa 0.5 gewichtprocent broed in fase 2 gebruikt. Bij het standaard toegepaste broed duurt het ongeveer een week voordat het op de graankorrel aanwezige champinonmycelium in de compost gaat groeien. In vergelijking met enten met 0,5 % broed is de hoeveelheid toegepast "entmateriaal" bij de fase 2,5 vele malen hoger. Onderzoek op laboratoriumschaal van Straatsma cs (1991) en Straatsma cs (1993) bevestigt de reeds genoemde laboratoriumproeven en geeft aan dat doorgroeide compost een 'hoger inoculum potentiaal' heeft.

Door de toenemende concurrentie vanuit de lage lonenlanden was de champignonteeltsector op zoek naar kostprijsverlaging. Compost is een van de belangrijkste kostenposten en komt zodoende in aanmerking bij de zoektocht naar mogelijkheden voor kostenreductie.

Op basis van de eerst genoemde laboratoriumproeven is met een geïnteresseerde teler, op basis van vooraf opgestelde eisen, een compostproducent gezocht waar fase 2,5 geproduceerd kon gaan worden. In de periode 2005-2006 (ontwikkelfase) zijn vele proefteelten op het teeltbedrijf van de geïnteresseerde teler uitgevoerd. In deze proefteelten, met een reeks van herhalingen in de tijd, is gekeken naar mengverhoudingen, vulgewichten, bijvoeden, type dekaarde en op vochtsproeien e.d. Gedurende deze proefperiode zijn zowel op het compost- als ook op champignonteeltbedrijf ervaringen opgedaan om zowel de bereiding als ook het telen op fase 2,5 verder te optimaliseren. Zo is in de beginfase bijv. 33 % fase 2 toegevoegd aan de doorgroeide compost (fase 3). Door het hogere vochtgehalte van de fase 2 bleek dit niet goed mengbaar en resulteerde uiteindelijk bij de champignonteler in een opbrengstderving. Ook bleek dat mengen vanuit een vrachtauto met fase 2 en een vrachtauto met fase 3 tijdens het vullen op het teeltbedrijf geen goede menging van het uiteindelijke product fase 2,5 opleverde.

Menging van speciale (drogere) fase 2 en fase 3 bij het verladen op het tunnelbedrijf resulteerde wel in een goed gemengd product fase 2,5 en een beperkte opbrengstderving. Later is de menging nog verder geoptimaliseerd. Al snel na de introduktie van de fase 2,5 bleek er een duidelijke interesse van andere telers en ook van compostproducenten uit binnen- en buitenland. Het produceren van fase 2,5 werd dan ook al snel door andere compostproducenten overgenomen. In de periode vanaf 2007 schakelden tientallen telers over op fase 2,5. Dit werd vooral ingegeven door kostprijsreductie, die via deze goedkopere fase 2,5 mogelijk werd. Tevens was er in deze periode (2007) een tekort aan fase 3 compost en in deze vraagmarkt kon via een kortere productiecyclus voor product fase 2,5 toch aan de vraag van de champignontelers worden voldaan. De compostmarkt is de laatste jaren veranderd van een vraagmarkt in een aanbodmarkt met lagere prijzen voor de fase 3 compost (situatie voorjaar 2011). De economische interesse voor fase 2,5 is zodoende sterk verminderd.

In een actuele bedrijfssituatie (voorjaar 2011) wordt 20(-25 %) én drogere fase 2 toegevoegd. Onder normale omstandigheden kan deze teler in de teelten met fase 2,5 slechts een beperkte opbrengstderving waarnemen. Een opbrengstderving, die ook bij doorgroeide compost kan optreden. In de bedoelde actuele situatie wordt de fase 2 door de hierbij betrokken grondstofproducent in een speciale tunnel op maat gemaakt met een lager vochtgehalte.

3.3. Kwaliteitsaspecten.

Er bestaat geen eenduidige methode om de samenstelling van compost zodanig te meten dat daarmee de (potentiële) opbrengst precies voorspeld kan worden. Uit langjarige procesanalyses en een hele reeks van vergelijkende praktijkproeven blijken het stikstof-en het vochtgehalte van compost gerelateert te zijn aan de opbrengst van champignons (Gerrits 1989, Amsing & Gerrits 1991). Uit dit onderzoek blijkt dat de optima voor stikstof liggen bij 2.2 % van de droge stof resp. voor het vochtgehalte bij 67 % van het totaal gewicht (doorgroeide compost). Tegenwoordig wordt in de praktijk voor stikstof circa 2.5 % van de droge stof resp. voor het vochtgehalte 65 % van het totaal gewicht (doorgroeide compost) als vuistregel gehanteerd. De invloed van andere factoren, zoals de hoeveelheid en aard van organische stof in de compost, is in vergelijkend onderzoek niet vast te stellen (effecten 'verdwijnen' in de 'meet-ruis').

Compostproducenten meten het vochtgehalte, pH, N- gehalten en as gedurende de beschreven fases van het composteringsproces en sturen op basis van deze metingen het proces bij.

Naast 'chemische' zijn ook de 'biologische' aspecten van compost relevant voor het verloop van de teelt en opbrengst. Namelijk hoe volledig moet een compost doorgroeid zijn om een optimale opbrengst aan champignons te realiseren. Op basis van jarenlange onderzoekservaring is in een hele reeks van proeven geen relatie gevonden tussen de (visueel) beoordeelde mate van doorgroei en de opbrengst. Voorts zijn er in de praktijk, in de loop der tijd en wisselend per compostproducent, verschillende doorgroeitijden in zwang geweest met een spreiding van wel 7 dagen (12 - 19 dagen myceliumgroei in de tunnel) waarbij deze relatie ook niet werd gevonden.

Aansluitend is het relevant om op te merken dat (doorgroeide) composten van verschillende producenten verschillen in samenstelling. Toch zijn de opbrengsten bij de verschillende aan de compostproducenten gerelateerde groepen-telers grotendeels vergelijkbaar. Blijkbaar treedt een "leerproces" op, waarbij op compost van verschillende samenstelling, toch goede opbrengsten zijn te behalen.

3.4. Kwaliteit en verwachte opbrengst.

De compostproducent heeft te maken met natuurlijke grondstoffen resp. "seizoens"- invloeden. De te gebruiken grondstoffen verschillen van week tot week en zelfs van dag tot dag. Via aanpassing van receptuur, de reeds genoemde chemische analyses enz. tracht de compostproducent hierop in te spelen om een zo constant mogelijke fase 2,5 en/of fase 3 af te leveren. Desondanks ziet men op de champignonkwekerijen, op basis van een hele reeks praktijkwaarnemingen, opbrengstvariaties van 10%.

Tijdens het doorgroeiproces in de tunnel tot fase 3 compost, verliest de compost aan gewicht. De compost wordt droger en er wordt organische stof verbruikt. Het product fase 2,5 (in de situatie van de vraagstelling van de Rechtbank: 25 % entbare en 75 % doorgroeide compost) is in chemisch-fysische samenstelling iets anders dan fase 3 (100% doorgroeide compost). Entbare compost heeft namelijk normaal een ongeveer 4-5 % hoger vochtgehalte dan doorgroeide compost. Van het mengproduct (fase 2,5) is het vochtgehalte dan ook hoger, tenzij dit bereid wordt met een speciaal bereide fase 2 met reeds een iets lager vochtgehalte bij de start van de bereiding.

De samenstelling van compost is relevant voor de uiteindelijke opbrengst maar de eisen aan de samenstelling, voor een optimale champignonopbrengst, zijn niet eenduidig bekend.

In de belevingswereld van de grondstofproducent heeft het begrip kwaliteit dan ook betrekking op een zorgvuldig en ziektenvrij geproduceerd af te leveren product (fase 2,5 en/of fase 3). De producent kan wel garanties geven over de bereidingswijze, maar geen garanties over productiecapaciteit als kwaliteitscriterium.

3.5. Procesgang bij de compostproducent.

Niet iedere compostproducent is eenvoudig in staat en ook niet iedere compost is geschikt om fase 2,5 van te maken. Er is namelijk in de ontwikkelfase (Hermans, 2007) bewust een compostproducent geselecteerd, met goed doorgefermenteerde fase 2 resp. goed doorgroeide compost met een matige activiteit.

Als compostproducent moet je het bedrijf toch wel speciaal inrichten voor het product fase 2,5 (o.a. gelijktijdige beschikbaarheid van fase 2 en fase 3 compost, juiste vochtgehalte fase 2, goed mengsysteem). Dit is in de loop van de tijd op basis van uitvoeringservaring ook bij [gedaagden], verder aangepast en geperfectioneerd.

Niet ieder tunnelbedrijf heeft, zoals reeds aangegeven, dit bereidingsproces voor fase 2,5 in het verleden succesvol kunnen uitvoeren, o.a.'door slechte voorbereiding en planning, slechte menging, geen geschikte fase 2 en teveel activiteit etc.

Er zijn nog andere risico's denkbaar en wel de infectie met ziektenkiemen (sporen en/of myceliumfragmenten) van onkruidschimmels. Immers bij het product fase 2,5 wordt fase 2 (zonder champignonbroed) aan fase 3 (doorgroeide compost) toegevoegd. Dit mengproduct bestaat dus uit een combinatie van een minder kwetsbare component (doorgroeide compost) en een selectieve maar kwetsbare component (fase 2). Bovendien gebeurt dit mengproces niet in een "extra schone" ruimte, zoals die er wel is bij het enten aan het begin van fase 3. Kennelijk is dit risico van infecties door ziektenkiemen, op basis van een hele reeks praktijkwaarnemingen, niet erg verhoogd (Hermans 2007).

[…]

4 Teelt van champignons en kwaliteit van de compost.

4.1. Kwaliteitsaspecten.

In de belevingswereld van de champignonteler heeft kwaliteit vooral betrekking op opbrengst (gewicht), sortering en kwaliteit van de champignons. De kwaliteit van compost als zorgvuldig en ziektenvrij product is eveneens belangrijk voor de hoeveelheid en de samenstelling van het geoogste product, de champignons. Champignons onttrekken het grootste deel van hun bouwstoffen (water, organische stof, mineralen =assimilatie) uit de compost en verbruiken daarbij water en organische stof (= dissimilatie). Ondanks vele jaren onderzoek (en hele reeks van proeven) door toeleverende bedrijven en kennisinstellingen in binnen- en buitenland blijft het samenhangende geheel van compostafbraak en voeding toch nog een "black box" (Straatsma cs 2006).

4.2. Kwaliteit en verwachte opbrengst.

De (potentiële) opbrengst kan niet, zoals reeds aangegeven, nauwkeurig voorspeld worden uit de samenstellingsgegevens. Het is denkbaar dat champignonproductie afhankelijk is van de hoeveelheid droge stof die per m2 gevuld wordt.

In het product fase 2,5 is (tenzij speciaal bereid) iets meer vocht aanwezig, waardoor er bij een gelijk vulgewicht per m2 iets minder droge stof gevuld wordt dan bij doorgroeide compost. Het product fase 2,5 heeft daardoor een beperkt lagere productiecapaciteit. Wordt de fase 2 speciaal (droger) bereid dan is het mengproduct (fase 2,5) nauwelijks natter dan fase 3. De hoeveelheid droge stof tussen beide producten verschilt dan nauwelijks. De productiecapaciteit zou dan in principe op een verglijkbaar niveau kunnen liggen.

In de literatuur is slechts in een experimenteel en proeftechnisch goed opgezet onderzoek (Desrumaux; 2008) het effect beschreven van het bijmengen van fase 2 met fase 3 compost. In het onderzoek wordt de samenstelling van de ingemengde partij fase 2 niet aangegeven. Die is echter te schatten uit de gegevens in tabel 2 en heeft een lage pH, is droog (laag vochtgehalte), heeft een hoog N-totaal, een laag NH3 en een laag asgehalte. Met name het lage vochtgehalte kan een negatieve invloed hebben gehad op de opbrengst. Ook is in dit onderzoek een ras gebruikt, namelijk Sylvan 608, dat gevoeliger is voor de compostkwaliteit dan het veel geteelde ras (A 15 ). Omdat er slechts een teelt (proef) is uitgevoerd is het denkbaar dat als gevolg van nog beperkte ervaring met de menging van resp. de teelt op fase 2,5 deze niet optimaal is uitgevoerd. Verder kan het bijvoeden van de ingemengde fase 2 compost met een laag vochtgehalte resp. het CAC-en ook nog een negatief effect hebben op de opbrengst.

Desrumaux noemt in zijn inleiding dan ook dat er op praktijkbedrijven geen nadelige effecten zijn waargenomen. Uit dit onderzoek blijkt dat bij een gelijk gehouden vulgewicht per m2, de verkoopbare opbrengst t.o.v. 100% fase 3 door bijmenging van 10% fase 2, vergelijkbaar is (- 0.02 kg/m2) resp door bijmenging van 20%, 30 en 40% fase 2, de verkoopbare opbrengst betrouwbaar lager is (-2,05 kg/m2, resp. - 2,38 kg/m2 en - 3,04 kg/m2).

De opbrengsten bij bijmenging van 20 resp. 30 en 40% fase 2 zijn betrouwbaar lager dan de 1,85 kg die de statistische berekening t.o.v. 100% fase 3 aangeeft. De verschillen tussen 20, 30 resp, 40% bijmenging zijn echter onderling niet betrouwbaar verschillend. In paragraaf 3.2. is in de ontwikkelfase aangegeven dat als bijv. 33 % (vochtigere) fase 2 wordt toegevoegd aan de doorgroeide compost (fase 3) dit resulteerde in een beperkte opbrengstderving. In de actuele bedrijfssituatie, bij de deskundigen bekend, (voorjaar 2011) wordt 20(-25 %) en drogere fase 2 toegevoegd. Hierbij is een betere mengbaarheid mogelijk en heeft deze nog fase 2,5 toepassende teler t.o.v. van paralel lopende teelten met fase 3 wel een geringe opbrengstderving, die vanuit kosten-baten overwegingen blijkbaar voldoende perspectief heeft. In de bedoelde actuele bedrijfssituatie wordt de fase 2 bij de hierbij betrokken grondstofproducent in een speciale tunnel doelgericht gemaakt met een lager vochtgehalte.

4.3. Risicio's voor het teeltbedrijf.

Het product fase 2,5 bestaat uit een combinatie van een minder kwetsbare component (doorgroeide compost) en een welliswaar selectieve maar kwetsbare component (fase 2), zodat het belangrijk is dat het product in een schone (ontsmette) cel met voldoende aandacht voor hygiëne wordt gevuld. Op basis van een hele reeks praktijkervaringen is het infectierisico in praktijk in vergelijking met fase 3 (100% doorgroeid) kennelijk niet verhoogd (Hermans 2007).

Een champignonteler heeft de voorkeur voor stabiliteit (voorspelbaarheid). Compost is een natuurlijk product met z'n bijbehorende fluctuaties en dit vraagt om anticipatie en aanpassingen door de teler. Deze fluctuaties spelen zowel bij fase 2,5 alsook bij fase 3. (Kwaliteits)afwijkingen in het product fase 3 worden door het mengen met fase 2 in het product 2,5 bij de champignonteler dan ook duidelijker zichtbaar.

De champignonteler heeft mogelijkheden om op afwijkingen in de teelt te reageren. De teler kan tijdens voorbereidings- en teeltfasen de gangbare manier van watergeven, de temperatuur en de tijdsduur aanpassen aan het compostype en zijn hierbij behorende beoordeling bij de aflevering.

De eerste 3 dagen na het afdekken dient de fase 2,5 voorzichtiger op vocht gesproeid te worden. Volgens Hermans (2007) is er, uitgaande van goed doorgefermenteerde fase 2, nauwelijks verschil in composttemperatuur.

Het tijdstip van afventileren vraagt volgens praktijkervaringen ook geen aanpassingen. Fase 2,5 en fase 3 zijn op dit punt vergelijkbaar.

5 Conclusies.

1. Er blijkt geen eenduidige methode te bestaan om de samenstelling van compost zodanig te meten

dat daarmee de (potentiële) opbrengst (gewicht) van champignons precies voorspeld kan worden.

2. De compostproducent moet zijn bedrijfsvoering aanpassen voor de productie van fase 2,5 (o.a.

optimale menging resp. beschikbaarheid en gewenste kwaliteit van fase 2).

3. Voor het eindproduct fase 2,5 behoeft de compostproducent zijn procesruimte minder langdurig in te

zetten, waardoor er kortere en zodoende meer productiecycli mogelijk zijn. Bij krapte aan

(doorgroeide) compost kan via het afleveren van (goedkopere) fase 2,5 toch aan de vraag door de

champignonteeltbedrijven worden voldaan.

4. Uit een hele reeks van praktijkervaringen blijkt dat het risico voor infectie door ziekten, zowel bij de

compostproducent als ook bij de champignonteler, nauwelijks verhoogd is.

5. Bij 100% doorgroeide compost (fase 3) is er van week tot week een productievariatie (o.a. door

wisselingen in grondstoffen e.d.), op basis van praktijkwaarnemingen, van 10%.

6. (Kwaliteits)afwijkingen in het product fase 2 resp. fase 3 worden door het mengen van fase 2 en fase 3

in het product 2,5 bij de champignonteler duidelijker zichtbaar.

7. Door het mengen van twee composten (entbaar en doorgroeid) neemt de voorspelbaarheid van de

teelt in vergelijking met fase 3 (100% doorgroeide compost) af. De teler kan hierop inspelen.

8. Uit het onderzoek van Desrumaux blijkt dat bij een gelijk gehouden vulgewicht per m2, de

verkoopbare opbrengsten bij bijmenging van 20 resp. 30 en 40% fase 2 betrouwbaar lager zijn. De

verschillen tussen 20, 30 resp. 40% bijmenging zijn echter onderling niet betrouwbaar. Deze ene proef

zegt naar de overtuiging van de deskundigen onvoldoende over de relatie tussen %-bijmenging en de

champignonopbrengst.

9. In niet speciaal bereide fase 2,5 is per saldo bij een gelijkblijvend vulgewicht per m2 iets meer

vocht en dus iets minder droge stof beschikbaar dan bij doorgroeide compost. Dit niet speciaal

bereide product fase 2,5 heeft daardoor een beperkt lagere productiecapaciteit.

De champignonproductie is namelijk mede afhankelijk van de hoeveelheid droge stof die per m2

gevuld wordt.

10. Bij speciaal bereide fase 2 (droger) voor menging tot fase 2,5 liggen vochtgehalte en droge stof op een

niveau vergelijkbaar met die van fase 3. De productiecapaciteit zal bij een gelijk vulgewicht op een

vergelijkbaar niveau liggen. Teelttechnisch zijn er onder normale omstandigheden weinig

problemen te verwachten.

11. De gemiddelde productiecapaciteit met een aan het natuurlijke product gerelateerde variatie, zal bij een gelijk

vulgewicht en over een langere periode nauwelijks lager zijn op fase 2,5 dan die op fase 3. Uiteindelijk

bepaald de lagere aankoopprijs van het product fase 2,5 in combinatie met de verkoopprijs van de beperkt

lagere opbrengst of het voor de teler financieel interessant is.

[…]

2.3. Vooropgesteld wordt dat de deskundigen zich niet hebben uitgelaten over de productiecapaciteit van de door [gedaagden] aan [eiseres] geleverde fase 2,5 compost, maar zich hebben beperkt tot de vraag of de productiecapaciteit van fase 2,5 en fase 3 compost in het algemeen vergelijkbaar is.

2.4. De rechtbank stelt vast dat de deskundigen, kort samengevat, gemotiveerd als uitgangspunt hebben genomen dat – los van eventuele ziektekiemen en de gebruikelijke opbrengstvariatie van 10% door de wisselende samenstelling van de natuurlijke grondstoffen en de seizoensinvloeden – alleen het stikstof- en vochtgehalte van compost kan worden gerelateerd aan de productiecapaciteit. De deskundigen concluderen vervolgens dat in die gevallen waarin voor de bereiding van fase 2,5 compost gebruik wordt gemaakt van normale fase 2 compost, die vochtiger is dan fase 3 compost, ook de bereide fase 2,5 compost een hoger vochtgehalte dan fase 3 compost heeft, waardoor minder droge stof beschikbaar is dan bij fase 3 compost. Om die reden heeft deze fase 2,5 compost een lagere productiecapaciteit dan fase 3 compost. Indien daarentegen voor de bereiding van fase 2,5 compost gebruik wordt gemaakt van speciaal bereide drogere fase 2 compost met als gevolg dat het vochtgehalte van fase 2,5 compost bij een gelijk vulgewicht vergelijkbaar is met het vochtgehalte van fase 3 compost, dan zal volgens de deskundigen de productiecapaciteit nauwelijks verschillen, met in beide gevallen de gebruikelijke opbrengstvariatie van 10%. Daarbij concluderen de deskundigen dat fase 2,5 compost een nauwelijks verhoogde kans op ziektekiemen geeft.

2.5. De rechtbank is van oordeel dat het deskundigenbericht vrij is van innerlijke tegenstrijdigheden, logisch is opgebouwd en een sluitende redenering bevat. De door [eiseres] opgeworpen bezwaren tegen de conclusies van de deskundigen vormen voor de rechtbank geen aanleiding om daaraan te twijfelen.

Zo deelt de rechtbank niet de visie van [eiseres] dat de deskundigen geen onderscheid maken tussen de eventuele verminderde opbrengst tussen fase 2,5 compost en fase 3 compost enerzijds en de gebruikelijke opbrengstvariatie van 10% anderzijds, integendeel. Dat onderscheid wordt juist uitdrukkelijk gemaakt en ook als zodanig beschreven in de eerste zin onder punt 11 van de conclusies. Voorts hebben de deskundigen gemotiveerd aangegeven waarom zij meer waarde hechten aan praktijkervaringen dan aan het experiment van Desrumeaux c.s. uit 2008. Het feit dat de heer J. Ramon, die voorheen verbonden was aan het Proefcentrum voor de champignonteelt in België waar dit experiment is uitgevoerd, zich volgens [eiseres] op het standpunt stelt dat de bevindingen van het experiment leidend moeten zijn, is geen reden om Ramon te volgen, reeds omdat drie deskundigen op dit terrein tot dit gezamenlijke beredeneerde oordeel zijn gekomen. [eiseres] heeft voorts het oordeel van de deskundigen betwist dat niet is komen vast te staan dat er een relatie is tussen de mate van myceliumgroei en de productiecapaciteit noch dat fase 2,5 compost een verhoogde kans op infecties zou geven. Deze betwisting heeft [eiseres] echter niet concreet onderbouwd, zodat daaraan voorbij wordt gegaan. Ter ondersteuning van haar stelling dat fase 2,5 compost een lagere productiecapaciteit heeft, heeft [eiseres] er voorts op gewezen dat er momenteel geen fase 2,5 compost in de handel verkrijgbaar zou zijn. Dit is echter niet ter zake dienend omdat [eiseres] met de deskundigen van oordeel is dat marktwerking daarbij een rol speelt, zodat daaruit niet zonder meer conclusies kunnen worden getrokken aangaande de kwaliteit van de compost. Ook het feit dat [eiseres] zelf verschillen heeft geconstateerd tussen het telen met fase 2,5 compost en met fase 3 compost van [gedaagden], vormt geen aanleiding om te twijfelen aan het deskundigenoordeel over de productiecapaciteit van fase 2,5 compost in het algemeen, waarbij zij de bevindingen van meer telers hebben betrokken. Daarbij wordt betrokken dat uit het deskundigenbericht volgt dat de uiteindelijke opbrengst mede afhankelijk is van andere factoren, zoals de eventuele aanwezigheid van ziektekiemen en de teeltomstandigheden.

2.6. De rechtbank is verder van oordeel dat het deskundigenbericht op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De bezwaren die [eiseres] in dit verband naar voren heeft gebracht worden eveneens verworpen. [eiseres] stelt in dat verband allereerst dat de deskundigen ten onrechte geen bezoek hebben gebracht aan [eiseres] en haar ervaringen met fase 2,5 compost van [gedaagden] niet bij de beoordeling hebben betrokken en evenmin de ervaringen van andere telers. Uit paragraaf 3.2 van het deskundigenrapport blijkt evenwel dat de deskundigen wel degelijk praktijkwaarnemingen vanaf de ontwikkelfase hebben meegenomen in hun beoordeling. Dat zij daarbij niet concreet hebben aangegeven welke telers en composteerders het betrof, is onvoldoende aanleiding om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Nu de deskundigen zich hebben beperkt tot de vraag of in het algemeen met fase 2,5 compost een vergelijkbare opbrengst kan worden gerealiseerd, hoefden zij niet ook de bevindingen van [eiseres] daarbij te betrekken.

2.7. Voorts trekt [eiseres] de onafhankelijkheid van deskundige Hermans voornoemd in twijfel. Omdat de partijen het niet eens konden worden over de te benoemen deskundige, heeft de rechtbank drie deskundigen benoemd, te weten één van de door [eiseres] voorgedragen onderzoekers (Rutjens), één van de door [gedaagden] voorgedragen praktijkdeskundigen (Hermans) en één door deze twee deskundigen samen aangewezen derde deskundige (Straatsma). Zoals reeds is overwogen in rechtsoverweging 2.2 van het tussenvonnis van 19 januari 2011, is de rechtbank van oordeel dat de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het deskundigenbericht hiermee voldoende is gewaarborgd. Dat Hermans eerder als adviseur van [gedaagden] is opgetreden, was ten tijde van de benoeming bekend. De rechtbank zag daarin geen beletsel omdat Hermans naar eigen zeggen alle grote compostbedrijven heeft geadviseerd. Zelfs indien zou blijken dat Hermans, zoals [eiseres] stelt, Walkro Blitterswijck B.V. niet heeft geadviseerd, is dit, mede gelet op de gekozen constructie van drie deskundigen, onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het deskundigenbericht.

2.8. [eiseres] stelt in dit verband tot slot dat de deskundigen onvoldoende zijn ingegaan op haar reactie op het concept deskundigenbericht. Aan dit verwijt wordt voorbijgegaan omdat het op de weg van [eiseres] had gelegen om concreet aan te geven op welke aspecten van haar reactie zij doelt. Dit geldt temeer nu uit het deskundigenbericht blijkt dat het concept vanwege de reactie van [eiseres] is uitgebreid en aangepast.

2.9. De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat de conclusies van de deskundigen zullen worden gevolgd, zodat tussen de partijen als vaststaand dient te gelden dat: alleen in die gevallen waarin het vochtgehalte en vulgewicht van fase 2,5 compost (tot stand gekomen door menging van speciaal bereide drogere fase 2 compost met fase 3 compost) gelijk is aan het vochtgehalte en vulgewicht van fase 3 compost, de productiecapaciteit van die fase 2,5 compost nauwelijks zal verschillen van de productiecapaciteit van fase 3 compost. De rechtbank is daarbij van oordeel dat nauwelijks verschillende productiecapaciteiten als vergelijkbaar moeten worden aangemerkt.

2.10. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is daarmee evenwel nog geen antwoord gegeven op de vraag of ook de door [gedaagden] aan [eiseres] geleverde fase 2,5 compost een vergelijkbare productiecapaciteit had ten opzichte van de door haar geleverde fase 3 compost. In dat verband wordt vooropgesteld dat niet (langer) in geschil is dat [gedaagden] destijds voor de bereiding van haar fase 2,5 compost speciaal bereide fase 2 compost heeft gebruikt. Reeds ter comparitie van 10 november 2010 heeft [gedaagden] dit gesteld en ook concreet onderbouwd. [eiseres] heeft dit op dat moment weliswaar nog betwist, maar gaat er in paragraaf 3.5 van haar reactie op het deskundigenbericht (productie 4 bij de conclusie na deskundigenbericht) klaarblijkelijk eveneens vanuit dat [gedaagden] haar productieproces daarop had afgestemd. Nu derhalve vast staat dat [gedaagden] geen gebruik heeft gemaakt van gewone fase 2 compost, kan niet reeds op die grond worden geconcludeerd dat de productiecapaciteit van de door [gedaagden] geleverde fase 2,5 compost niet vergelijkbaar was met de door haar geleverde fase 3 compost. Alsdan resteert de vraag of het vochtgehalte en het vulgewicht van de door [gedaagden] geleverde fase 2,5 en fase 3 compost al dan niet gelijk was. Vastgesteld wordt dat [eiseres] in haar reactie op het deskundigenbericht zich daarover in het geheel niet heeft uitgelaten. Gelet op de stand waarin het geding zich thans bevindt, had dit wel op haar weg gelegen. De eisen van een goede procesorde brengen mee dat [eiseres] niet alsnog in de gelegenheid wordt gesteld om zich daarover uit te laten. Nu [eiseres] niet heeft gesteld dat het vochtgehalte en het vulgewicht van de door [gedaagden] geleverde fase 2,5 compost niet gelijk was aan het vochtgehalte en het vulgewicht van de geleverde fase 3 compost, kan dan ook niet worden geconcludeerd dat de productiecapaciteit van de door [gedaagden] geleverde fase 2,5 compost niet vergelijkbaar was met de door haar geleverde fase 3 compost. Daarbij betrekt de rechtbank dat reeds is geoordeeld (rechtsoverweging 2.22 van het tussenvonnis van 9 september 2009) dat niet is komen vast te staan dat [gedaagden] met ziektekiemen besmette compost heeft geleverd.

2.11. Het voorgaande brengt mee dat niet is komen vast te staan dat de door [gedaagden] aan [eiseres] geleverde gemende compost (fase 2,5) niet beantwoordde aan de overeenkomst tussen partijen. Daarmee is de grondslag aan de vorderingen van [eiseres] onder I tot en met III komen te ontvallen en dienen deze te worden afgewezen.

2.12. Zoals in rechtsoverweging 2.25 van het tussenvonnis van 9 september 2009 is overwogen, zal de gewijzigde vordering IV van [eiseres] wel worden toegewezen, met dien verstande dat de rechtbank zal bepalen dat boven € 50.000,00 geen dwangsommen meer worden verbeurd.

2.13. [eiseres] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op €12.900,00 aan salaris advocaat (5,0 punten × tarief € 2.580,00).

in reconventie

2.14. Zoals in rechtsoverweging 4.21 van het tussenvonnis van 22 april 2009 is bepaald, zullen de proceskosten in reconventie worden gecompenseerd.

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1. gebiedt [gedaagden] om pas na afloop van iedere week te declararen en [eiseres] een betalingstermijn van vijf dagen te gunnen tot betaling daarvan onder verbeurte van een dwangsom aan [eiseres] van € 5.000,00 voor iedere dag dat [gedaagden] wegens een andere facturatiedatum en een kortere betalingstermijn de levering opschort, tot een maximum van € 50.000,00,

3.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 12.900,00,

3.3. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.4. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

3.5. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.P. Heijmans en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2012.