Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BV0073

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
05-01-2012
Datum publicatie
05-01-2012
Zaaknummer
AWB 11/3710 en 11/3766
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan eisers is een aanslag successierecht opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat uit de feiten volgt dat verweerder voor eisers één aanslagbiljet heeft opgemaakt waarop voor eisers gezamenlijk ook één belastingaanslag is vermeld. Dit is niet toegestaan omdat eisers ieder afzonderlijk als verkrijger moeten worden aangemerkt (zie ook Hoge Raad 19 februari 2010, nr. 08/02696, LJN: BL4316). De rechtbank vernietigt de aanslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/77
Belastingadvies 2012/4.10
V-N 2012/15.29.4
NTFR 2012/493 met annotatie van Mr. drs. R. Steenman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

registratienummers: AWB 11/3710 en 11/3766

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 5 januari 2012

inzake

[X] en [Y], wonende te [Z], eisers,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Rijnmond, kantoor Rotterdam, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eisers op 28 september 2010 een aanslag (aanslagnummer [000]) recht van successie opgelegd.

Verweerder heeft deze bij uitspraak op bezwaar van 29 maart 2011 gehandhaafd.

Eisers hebben daartegen bij brief van 27 april 2011, ontvangen door de rechtbank Haarlem op 28 april 2011, beroep ingesteld. Omdat rechtbank Arnhem competent is, heeft rechtbank Haarlem het dossier op 7 september 2011 aan de rechtbank Arnhem doorgestuurd, alwaar het op 9 september 2011 is ontvangen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 december 2011 te Arnhem.

Namens eisers zijn daar verschenen [X] en [B].

Namens verweerder is verschenen [gemachtigde].

2. Feiten

Op 23 oktober 2009 is mevrouw [A] (hierna: erflaatster) overleden. Erflaatster heeft bij testament over haar nalatenschap beschikt. Zij heeft daarbij onder meer eisers tot haar erfgenamen benoemd, ieder voor één/zesde gedeelte.

Op 23 juni 2010 is de aangifte voor het recht van successie ingediend. Op 28 september 2010 is de aanslag recht van successie opgelegd. Het aanslagbiljet is gericht aan ‘[X] en echtgenote’ op hun adres in [Z] en het bedrag van de aanslag is € 174.462. In de bijlage die onderdeel uitmaakt van dit aanslagbiljet is onder meer het volgende vermeld:

‘ (…) Ingevolge artikel 25 SW worden verkrijgingen door met elkaar gehuwde personen, die niet van tafel en bed gescheiden zijn, voor de berekening van het recht van successie, aangemerkt als verkrijgingen door één van de echtgenoten. (…) Dit heeft tot gevolg dat voor de berekening van het recht van successie verkrijgingen door ieder der echtgenoten (…) bij elkaar worden geteld.

Voor het recht van schenking geldt een soortelijke bepaling. De Hoge Raad (HR) heeft in zijn arrest van 19 februari 2010, nr 08/02696, bepaald dat voor het recht van schenking ieder van hen afzonderlijk als verkrijger dient te worden aangemerkt van hetgeen door hem verkregen wordt. Het is niet is toegestaan de verkrijgingen voor deze personen de betrekken in één aanslag die aan hen gezamenlijk wordt opgelegd. Aangenomen mag worden dat hetzelfde heeft te gelden voor het recht van successie.

Technisch is het thans niet mogelijk geheel aan het door de HR bepaalde te voldoen. In aanvulling c.q. verbetering van het vermelde in het aanslagbiljet deel ik u mede dat de verkrijging van het echtpaar [X]-[Y] en het door hen verschuldigde successierecht dient te worden ge-lezen als:

dhr. [X] verkrijging € 162.339,= recht € 87.231,=

mw. [Y] verkrijging € 162.339,= recht € 87.231,=

Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt, welk bezwaarschrift door verweerder op 15 oktober 2010 is ontvangen.

Eisers hebben op 10 januari 2011 bij het Ministerie van Financiën verzocht om toepassing van de hardheidsclausule. Het Ministerie van Financiën heeft bij brief van 23 maart 2011 laten weten aan dit verzoek niet tegemoet te komen.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 29 maart 2011 het bezwaar afgewezen, waarna eisers beroep hebben ingesteld bij de rechtbank.

3. Geschil

In geschil is:

a. of het aanslagbiljet voldoet aan de daaraan te stellen eisen; en zo ja,

b. de hoogte van de aanslag.

4. Beoordeling van het geschil

In artikel 5 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is bepaald dat het vaststellen van een belastingaanslag geschiedt door het ter zake daarvan opmaken van een aanslagbiljet door de inspecteur. De rechtbank is van oordeel dat uit hetgeen hiervoor onder 2. is vermeld volgt dat verweerder voor eisers één aanslagbiljet heeft opgemaakt waarop voor eisers gezamenlijk ook één belastingaanslag is vermeld ten bedrage van € 174.462. Dit is niet toegestaan omdat eisers ieder afzonderlijk als verkrijger moeten worden aangemerkt (zie ook Hoge Raad 19 februari 2010, nr. 08/02696, LJN: BL4316).

Deze fout kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden hersteld in de toelichting die onderdeel uitmaakt van het aanslagbiljet. Ook met deze toelichting is nog steeds sprake van één belastingaanslag voor twee verkrijgers omdat een toelichting er niet toe kan leiden dat nieuwe belastingaanslagen ontstaan.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard. De overige geschilpunten behoeven geen bespreking meer.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling omdat de rechtbank niet is gebleken dat eisers kosten hebben gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de belastingaanslag;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- gelast dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 41 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.G.J. van Well, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Gudden, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 5 januari 2012

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.