Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BU9931

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-01-2012
Datum publicatie
03-01-2012
Zaaknummer
05/700174-11 en 05/021907-11
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2012:BX0854, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft, in overeenstemming met de eis van de officier van justitie, TBS met dwangverpleging opgelegd, voor een zesvoudige poging tot moord in Arnhem Zuid. Dit in tegenstelling tot het advies voor TBS met voorwaarden van de deskundigen .

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/700174-11 en 05/021907-11

Datum zitting : 26 april 2011, 08 juni 2011, 05 juli 2011, 27 september 2011 en 20 december 2011

Datum uitspraak : 03 januari 2012

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

thans gedetineerd in Amsterdam PPC, H.J.E. Wenckenbachweg 48

Amsterdam.

Raadsman : mr. B.P.J. van Riel, advocaat te Arnhem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Ten aanzien van 05/700174-11:

1.

hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks 24 januari 2011 te Arnhem,

(telkens) ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om (telkens)

opzettelijk en met voorbedachten rade één of meer personen, te weten M.[slachtoffer1]

en/of C.E.J.A. [slachtoffer2] en/of B. [slachtoffer3] en/of I. [slachtoffer4] en/of A.D. [slachtoffer5] en/of

J.H.L. [slachtoffer6], van het leven te beroven, (telkens) opzettelijk na kalm

beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit,

- een persoon genaamd M. [slachtoffer1] (met kracht) met een mes in zijn rug heeft

gestoken en/of

- een persoon genaamd C.E.J.A. [slachtoffer2], meermalen, althans eenmaal met een

slagershakbijl, althans met een scherp en/of zwaar en/of hard voorwerp op

en/of tegen zijn hoofd heeft geslagen en/of een of meer slaande bewegingen in

de richting van het hoofd, althans in de richting van het lichaam van die

[slachtoffer2] heeft gemaakt en/of

- terwijl hij, verdachte zich op korte afstand van een persoon genaamd B.

[slachtoffer3] bevond, een of meer stekende bewegingen met een mes in de richting van

het (boven)lichaam van die [slachtoffer3] heeft gemaakt en/of

- een persoon genaamd I. [slachtoffer4] (met kracht) met een slagershakbijl, althans

met een scherp en/of zwaar en/of hard voorwerp op en/of tegen zijn hoofd heeft

geslagen en/of

- een persoon genaamd A.D. [slachtoffer5] met een slagershakbijl, althans met een

scherp en/of zwaar en/of hard voorwerp, op tegen zijn rug heeft geslagen,

- een of meer slaande bewegingen met een slagershakbijl, althans met een

scherp en/of zwaar en/of hard voorwerp, in de richting van het hoofd en/of

het lichaam van een persoon genaamd J.H.L. [slachtoffer6] heeft gemaakt en/of

(vervolgens) één of meer stekende bewegingen met een mes in de richting van

het lichaam van die [slachtoffer6] heeft gemaakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks 24 januari 2011 te Arnhem,

(telkens) ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan een of meer

personen genaamd M.[slachtoffer1] en/of C.E.J.A. [slachtoffer2] en/of B. [slachtoffer3] en/of I. [slachtoffer4]

en/of A.D. [slachtoffer5] en/of J.H.L. [slachtoffer6] (telkens) opzettelijk en met

voorbedachten rade, althans opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen, opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk

- een persoon genaamd M. [slachtoffer1] met een mes in zijn rug heeft gestoken en/of

- een persoon genaamd C.E.J.A. [slachtoffer2], meermalen, althans eenmaal met een

slagershakbijl, althans met een scherp en/of zwaar en/of hard voorwerp op

en/of tegen zijn hoofd heeft geslagen en/of een of meer slaande bewegingen in

de richting van het hoofd, althans in de richting van het lichaam van die

[slachtoffer2] heeft gemaakt en/of

- terwijl hij, verdachte zich op korte afstand van een persoon genaamd B.

[slachtoffer3] bevond, een of meer stekende bewegingen met een mes in de richting van

het (boven)lichaam van die [slachtoffer3] heeft gemaakt en/of

- een persoon genaamd I. [slachtoffer4] (met kracht) met een slagershakbijl, althans

met een scherp en/of zwaar en/of hard voorwerp op en/of tegen zijn hoofd heeft

geslagen en/of

- een persoon genaamd A.D. [slachtoffer5] met een slagershakbijl, althans met een

scherp en/of zwaar en/of hard voorwerp, op tegen zijn rug heeft geslagen,

- een of meer slaande bewegingen met een slagershakbijl, althans met een

scherp en/of zwaar en/of hard voorwerp, in de richting van het hoofd en/of

het lichaam van een persoon genaamd J.H.L. [slachtoffer6] heeft gemaakt en/of

(vervolgens) één of meer stekende bewegingen met een mes in de richting van

het lichaam van die [slachtoffer6] heeft gemaakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij op of omstreeks 24 januari 2011 te Arnhem B.[slachtoffer3] heeft bedreigd met enig

misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, door

opzettelijk dreigend op korte afstand van die [slachtoffer3] te gaan staan en/of

(daarbij) een mes (duidelijk) zichtbaar voor die [slachtoffer3] vast te houden en/of

(vervolgens) dat mes boven zijn, verdachtes hoofd te houden en/of (vervolgens)

een stekende beweging met dat mes in de richting van het lichaam van die [slachtoffer3]

te maken;

2.

hij op of omstreeks 24 januari 2011 te Arnhem,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk en met

voorbedachten rade een persoon genaamd J.R. [slachtoffer7], althans een

medewerker/ster van kinderdagverblijf De Bakermat en/of één of meer aan haar

zorg, althans aan de zorg van dat kinderverblijf toevertrouwde kinderen, van

het leven te beroven, opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na

een (kort) tevoren genomen besluit, (in zijn, verdachtes woning) één of meer

messen heeft gepakt en/of (vervolgens) (met die messen) naar kinderdagverblijf

De Bakermat is gelopen en/of (aldaar) meermalen, althans eenmaal, langs het

hek van voormeld kinderdagverblijf is gelopen en/of (daarbij) aan dat hek

heeft gerukt en/of getrokken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 24 januari 2011 te Arnhem ter voorbereiding van een te

plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf

van acht jaren of meer is gesteld, te weten het opzettelijk en met

voorbedachte rade van het leven beroven van een persoon genaamd J.R. [slachtoffer7],

althans een medewerkster van kinderdagverblijf De Bakermat en/of één of meer

aan haar zorg, althans aan de zorg van dat kinderdagverblijf toevertrouwde

kinderen, opzettelijk voorwerpen voorhanden heeft gehad, immers heeft hij

verdachte toen en daar opzettelijk (in zijn, verdachtes, woning) één of meer

messen gepakt en/of is hij (vervoglens) met die messen) kinderdagverblijf De

Bakermat gelopen en/of heeft hij (aldaar) meermalen, althans eenmaal, langs

het hek van voormeld kinderdagverblijf gelopen en/of (daarbij) aan dat hek

gerukt en/of getrokken;

ten aanzien van 05/021907-11:

1.

hij op of omstreeks 22 januari 2011 te Arnhem met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een konijn, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan Petsplace Dierenzaak gevestigd aan

de Kronenburgpassage, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.

hij op of omstreeks 22 januari 2011 te Arnhem, toen een aldaar in uniform

geklede dienstdoende politieambtenaar verdachte, als verdacht van het gepleegd

hebben van één of meer op heterdaad ontdekt(e) strafba(a)r(e) feit(en), had

aangehouden en had vastgegrepen, althans vast had, teneinde verdachte ter

geleiding voor een hulpofficier van justitie over te brengen naar een

politiebureau, zich met geweld tegen eerstgenoemde opsporingsambtenaar,

werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn of haar bediening, heeft verzet

door te rukken en/of te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin die

ambtenaar verdachte trachtte te geleiden;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 20 december 2011 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. B.P.J. van Riel, advocaat te Arnhem.

Ter terechtzitting van 08 juni 2011 is de zaak onder parketnummer 05/021907-11 door de politierechter te Arnhem verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank te Arnhem. Ter terechtzitting van 27 september 2011 zijn de zaken van de officier van justitie in het arrondissement Arnhem, onder bovenstaande parketnummers bij afzonderlijke dagvaardingen aanhangig gemaakt, gevoegd.

Als benadeelde partijen hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd:

• [slachtoffer3] (tevens ter terechtzitting verschenen)

• [slachtoffer2] (tevens ter terechtzitting verschenen)

• [slachtoffer4] (ter terechtzitting vertegenwoordigd door mevr. Been van Slachtofferhulp Nederland)

• [slachtoffer1]

• [slachtoffer5] (tevens ter terechtzitting verschenen).

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder parketnummer 05/700174-11 feit 1 en feit 2 tenlastegelegde zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging en dat de rechtbank terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege zal gelasten. De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake het onder parketnummer 05/021907-11 feit 1 en feit 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Ten aanzien van 05/700174-11, feit 1:

De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt, voor dit feit, volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

de verklaringen van aangevers:

- het proces-verbaal van aangifte van M. [slachtoffer1], p. 76-79;

- het proces-verbaal van aangifte van B. [slachtoffer3], p. 111-114;

- het proces-verbaal van aangifte van C. [slachtoffer2], p. 136-139;

- het proces-verbaal van aangifte van I. [slachtoffer4], p. 160-162;

- het proces-verbaal van aangifte van A. [slachtoffer5], p. 167-170;

- het proces-verbaal van aangifte van J. [slachtoffer6], p. 173-176 en

de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 27 september 2011.

De nadere beoordeling door de rechtbank

Wat betreft de opzet en de voorbedachte rade is de rechtbank van oordeel dat deze gezien de verklaringen van verdachte en het overige bewijs bewezen kan worden. Dat uit psychologisch en psychiatrisch onderzoek is gebleken dat de handelingen van verdachte onder invloed van een psychische stoornis plaatsvonden, staat aan opzet niet in de weg nu naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken is dat verdachte van elk inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan is verstoken. Verdachte is van huis gegaan en heeft steekwapens –messen en een hakbijl- meegenomen en heeft daadwerkelijk op mensen ingestoken met de bedoeling hen te doden. Wie iemand met een mes steekt heeft de opzet op het steken gehad. Voor bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad is vereist dat komt vast te staan dat het handelen van de verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door hem genomen besluit en dat de verdachte tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Dat die gelegenheid in de onderhavige zaak heeft bestaan, kan uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid.

Voor wat betreft de opzet op de zware mishandeling is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van opzet op zware mishandeling in voorwaardelijke zin, immers heeft verdachte door met messen of een hakbijl naar personen te steken of te slaan, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat er zwaar lichamelijk letsel zou optreden.

Ten aanzien van 05/700174-11, feit 2:

De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt, voor dit feit, volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal verhoor getuige J.R. [slachtoffer7], p. 72-74 en

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 27 september 2011.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een voltooide poging tot moord, nu de handelingen van verdachte die gericht waren op de veronderstelde poging tot moord op de medewerkster van het kinderdagverblijf en de aanwezige kinderen, enkel bestonden uit het op en neer lopen in de buurt van het kinderdagverblijf en het rammelen aan het hek van het kinderdagverblijf. Niet kan worden gesproken van het voor poging noodzakelijke ‘begin van uitvoering’, nu deze gedragingen niet in een zo rechtstreeks verband stonden met en van zo beslissende betekenis waren voor het beoogde misdrijf, dat zij moeten worden aangemerkt als te zijn verricht ter uitvoering van verdachtes voornemen en van het misdrijf. Dat verdachte een mes bij zich droeg en zelf verklaarde dat als het hek was opengegaan hij die aanwezige personen iets zou hebben aangedaan maakt dit niet anders. Wel is er sprake van voorbereidingshandelingen.

ten aanzien van 05/021907-11 feit 1&2:

De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt, voor dit feit, volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

? het in de wettelijke vorm door verbalisant D.R. [verbalisant1] van de politie Gelderland-Midden, Unit Arnhem Noord, opgemaakte proces-verbaal met registratienummer PL0780 2011008893-1, gesloten op 29 januari 2011 onder meer inhoudende:

- het proces-verbaal van aangifte van A. [verbalisant2], p. 7-10;

- het proces-verbaal van aanhouding door verbalisanten H. [verbalisant3] en A.P. [verbalisant4], p. 4-6;

? de verklaringen van verdachte ter terechtzitting d.d. 27 september 2011.

Conclusie ten aanzien van de bewijsvraag

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

Ten aanzien van 05/700174-11:

1.

hij op meer tijdstippen op 24 januari 2011 te Arnhem,

(telkens) ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om (telkens)

opzettelijk en met voorbedachten rade personen, te weten M.[slachtoffer1]

en C.E.J.A. [slachtoffer2] en B. [slachtoffer3] en I. [slachtoffer4] en A.D. [slachtoffer5] en

J.H.L. [slachtoffer6], van het leven te beroven, (telkens) opzettelijk na kalm

beraad en rustig overleg,

- een persoon genaamd M. [slachtoffer1] (met kracht) met een mes in zijn rug heeft

gestoken en

- een persoon genaamd C.E.J.A. [slachtoffer2], meermalen, met een

slagershakbijl, op

en/of tegen zijn hoofd heeft geslagen en/of een of meer slaande bewegingen in

de richting van het hoofd van die [slachtoffer2] heeft gemaakt en

- terwijl hij, verdachte zich op korte afstand van een persoon genaamd B.

[slachtoffer3] bevond, een of meer stekende bewegingen met een mes in de richting van

het (boven)lichaam van die [slachtoffer3] heeft gemaakt en

- een persoon genaamd I. [slachtoffer4] (met kracht) met een slagershakbijl, op en/of tegen zijn hoofd heeft geslagen en

- een persoon genaamd A.D. [slachtoffer5] met een slagershakbijl, tegen zijn rug heeft geslagen,

- een of meer slaande bewegingen met een slagershakbijl, in de richting van het hoofd en

het lichaam van een persoon genaamd J.H.L. [slachtoffer6] heeft gemaakt en

(vervolgens) één of meer stekende bewegingen met een mes in de richting van

het lichaam van die [slachtoffer6] heeft gemaakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en

hij op één of meer tijdstippen op 24 januari 2011 te Arnhem,

(telkens) ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan een of meer

personen genaamd M. [slachtoffer1] en C.E.J.A. [slachtoffer2] en B. [slachtoffer3] en I. [slachtoffer4]

en A.D. [slachtoffer5] en J.H.L. [slachtoffer6] (telkens) opzettelijk en met

voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg,

- een persoon genaamd M. [slachtoffer1] met een mes in zijn rug heeft gestoken en

- een persoon genaamd C.E.J.A. [slachtoffer2], meermalen, met een slagershakbijl, op

en/of tegen zijn hoofd heeft geslagen en een of meer slaande bewegingen in

de richting van het hoofd, althans in de richting van het lichaam van die

[slachtoffer2] heeft gemaakt en

- terwijl hij, verdachte zich op korte afstand van een persoon genaamd B.

[slachtoffer3] bevond, een of meer stekende bewegingen met een mes in de richting van

het (boven)lichaam van die [slachtoffer3] heeft gemaakt en

- een persoon genaamd I. [slachtoffer4] (met kracht) met een slagershakbijl op en tegen zijn hoofd heeft

geslagen en

- een persoon genaamd A.D. [slachtoffer5] met een slagershakbijl, op tegen zijn rug heeft geslagen,

- een of meer slaande bewegingen met een slagershakbijl, in de richting van het hoofd en

het lichaam van een persoon genaamd J.H.L. [slachtoffer6] heeft gemaakt en

(vervolgens) één of meer stekende bewegingen met een mes in de richting van

het lichaam van die [slachtoffer6] heeft gemaakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij op 24 januari 2011 te Arnhem B. [slachtoffer3] heeft bedreigd met enig

misdrijf tegen het leven gericht, door opzettelijk dreigend op korte afstand van die [slachtoffer3] te gaan staan en (daarbij) een mes (duidelijk) zichtbaar voor die [slachtoffer3] vast te houden en

(vervolgens) dat mes boven zijn, verdachtes hoofd te houden en (vervolgens)

een stekende beweging met dat mes in de richting van het lichaam van die [slachtoffer3]

te maken;

2. subsidiair

hij op 24 januari 2011 te Arnhem ter voorbereiding van een te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het opzettelijk en met voorbedachte rade van het leven beroven van een persoon genaamd J.R. [slachtoffer7], en één of meer aan haar zorg, althans aan de zorg van dat kinderdagverblijf toevertrouwde kinderen, opzettelijk voorwerpen voorhanden heeft gehad, immers heeft hij

verdachte toen en daar opzettelijk (in zijn, verdachtes, woning) één of meer messen gepakt en is hij (vervolgens) met die messen kinderdagverblijf De Bakermat gelopen en heeft hij (aldaar) meermalen, langs het hek van voormeld kinderdagverblijf gelopen en (daarbij) aan dat hek

gerukt en getrokken;

ten aanzien van 05/021907-11:

1.

hij op 22 januari 2011 te Arnhem met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een konijn, geheel of ten dele toebehorende aan Petsplace Dierenzaak gevestigd aan de Kronenburgpassage,

2.

hij op 22 januari 2011 te Arnhem, toen een aldaar in uniform

geklede dienstdoende politieambtenaar verdachte, als verdacht van het gepleegd

hebben van één op heterdaad ontdekt strafbaar feit, had aangehouden en had vastgegrepen, althans vast had, teneinde verdachte ter geleiding voor een hulpofficier van justitie over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen eerstgenoemde opsporingsambtenaar,

werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft verzet door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin die ambtenaar verdachte trachtte te geleiden;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van 05/700174-11:

feit 1: er is sprake van eendaadse samenloop waarbij de rechtbank kiest voor enkelvoudige kwalificatie, hetgeen oplevert:

Poging moord, meermalen gepleegd

feit 2:

het opzettelijk voorhanden hebben van voorwerpen ter voorbereiding van moord

ten aanzien van 05/021907-11:

feit 1:

diefstal

feit 2:

wederspannigheid

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

T.a.v. 05/700174-11:

Over verdachte zijn een psychologische en een psychiatrische rapportage opgemaakt respectievelijk door Prof. dr. J.J. Baneke, forensisch psycholoog, d.d. 15 juli 2011, en drs. P.A. de Mon, psychiater, d.d. 20 augustus 2011, waarin beide concluderen dat bij verdachte ten tijde van het plegen van de onder parketnummer 05/700174-11 ten laste gelegde feiten sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestesvermogens waaronder schizofrenie van het gedesorganiseerde type. Daarnaast is er sprake van cannabis- en cocaïnemisbruik en een alcoholafhankelijkheid. Hierdoor was verdachte niet, althans in zeer beperkte mate, in staat zijn wil te bepalen. Beide rapporteurs zijn van mening dat verdachte, met betrekking tot het tenlastegelegde, als ontoerekeningsvatbaar beschouwd dient te worden.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat mede naar aanleiding van bovenvermelde rapporten geconcludeerd moet worden dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde volledig ontoerekeningsvatbaar was. De verdediging heeft geen verweer gevoerd.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het bewezenverklaarde aan verdachte wegens een ziekelijke stoornis van de geestesvermogens niet kan worden toegerekend. Verdachte is dus niet strafbaar en dient dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ta.v. 05/021907-11:

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. De motivering van de maatregel

Verdachte was al enige tijd voordat de tenlastegelegde feiten zijn begaan gestopt met antipsychotische medicatie en had amper of geen contact meer met zijn hulpverleners. Hij lijdt aan een chronische psychose en gebruikt verdovende middelen in combinatie met een alcoholverslaving. Zijn gedachten, handelen en gedrag werden ten tijde van het tenlastegelegde grotendeels gekleurd door psychotische belevingen en overtuigingen. Verdachte hoorde stemmen die hem de opdracht gaven: hij moest alles in zijn huis kapot maken en hij moest zijn mannelijkheid bewijzen door iemand te vermoorden. Buiten zag hij eerst een mevrouw bij een kinderdagverblijf. Omdat de poort gesloten was liep hij verder tot hij een man zag lopen. Die man stak hij in zijn rug. Nadat hij zijn eerste slachtoffer had gemaakt ging verdachte terug naar huis, waar de stem weer tot hem sprak. Hij dronk zich nog wat moed in, pakte wat messen en ging weer op pad. Nadat hij enkele mensen had verwond, werd verdachte bij een nabij gelegen winkelcentrum overmeesterd en aangehouden.

Zolang verdachte niet adequaat behandeld wordt voor de aanwezige psychopathologie, wordt de kans op recidive, zeker als daar verdovende middelen dan wel alcohol bij genuttigd wordt, als hoog ingeschat. Aangezien verdachte zelf inziet dat hij behandeling nodig heeft, zijn de deskundigen van mening dat, vanuit behandelingsoogpunt, de behandeling het beste kan plaatsvinden binnen het juridisch kader van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden.

De verdediging pleit ook voor oplegging van deze maatregel omdat de kans op een succesvolle behandeling, zoals ook de deskundigen stellen, het grootst is.

De officier van justitie heeft geëist dat de rechtbank terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege zal gelasten nu de veiligheid van de maatschappij dit vereist.

De rechtbank is van oordeel dat gezien de ernst van de gepleegde feiten en de kans op herhaling, die mede afhankelijk is van de mate van medewerking van verdachte aan zijn behandeling, het op de juiste wijze gebruiken van zijn medicatie en het gebruik van verdovende middelen en alcohol, er sprake is van een apert onaanvaardbaar gevaar voor ernstige recidive. De genoemde gedragsdeskundigen hebben ter zitting verklaard dat de combinatie van schizofrenie en verslaving moeilijk te behandelen is en dat verdachte voortdurende en intensieve zorg nodig zal hebben. Medicatie is een belangrijk onderdeel van de behandeling en de medicatie die verdachte nodig heeft moet stipt en zorgvuldig worden ingenomen. Verdachte is in het verleden al eerder onder behandeling geweest voor dezelfde aandoening. Gebleken is dat verdachte weliswaar aanvankelijk meewerkt aan behandeling, met name tijdens het verblijf in de kliniek, waar de vaste structuur en de constante medicatie hem goed doen. Echter, na verloop van tijd neemt die medewerking af, met name in het nazorg traject als verdachte zelfstandig woont, waar hij in het verleden dan weer is teruggevallen in drugs- en alcoholgebruik (zoals ook het geval was ten tijde van het onderhavige voorval). Juist dan, zo benadrukken de deskundigen ter zitting, tijdens de resocialisatiefase is een goede begeleiding en controle van zeer groot belang. De rechtbank acht het zeer gewenst dat die nazorg in handen ligt van de behandelaars van een tbs-kliniek.

Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de ernst van de feiten, de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege eist. De maatregel wordt gegrond op de door verdachte begane misdrijven, die behoren tot een der misdrijven genoemd in artikel 37a, eerste lid onder 1? van het Wetboek van Strafrecht. Het bewezenverklaarde delict betreft misdrijven die een gevaar opleveren voor of een krenking zijn van de lichamelijke integriteit van een of meer personen.

Nu voldaan is aan de wettelijke voorwaarden en zij zulks noodzakelijk acht, zal de rechtbank de ter beschikkingstelling gelasten en bevelen dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

De rechtbank ziet geen toegevoegde waarde om daarnaast nog de door de officier van jusitie geëiste gevangenisstraf op te leggen voor de feiten zoals tenlastegelegd onder parketnummer 05/021907-11.

De in beslag genomen steekwapens zullen worden onttrokken aan het verkeer nu het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang. De in beslag genomen kleding kan worden teruggegeven aan verdachte.

6a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 51g van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

[slachtoffer6]

De benadeelde partij [slachtoffer6] vordert een bedrag van € 1000,- aan immateriële schade.

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer6] tot een bedrag van € 1000,- toe te wijzen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van € 1000,-. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

[slachtoffer1]

De benadeelde partij [slachtoffer1] vordert een bedrag van € 1160,- aan materiële en immateriële schade.

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1] tot een bedrag van € 1160,- toe te wijzen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 21 dagen hechtenis.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van €1160,-. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

[slachtoffer2]

De benadeelde partij [slachtoffer2] vordert een bedrag van € 1083,52 aan materiële en immateriële schade.

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer2] tot een bedrag van € 1083,52 toe te wijzen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van € 1083,52. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

[slachtoffer3]

De benadeelde partij [slachtoffer3] vordert een bedrag van € 626,62 aan materiële en immateriële schade.

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer3] tot een bedrag van € 626,62 toe te wijzen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 13 dagen hechtenis.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van € 626,62. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

[slachtoffer4]

De benadeelde partij [slachtoffer4] vordert een bedrag van € 5.229,90 aan materiële en immateriële schade.

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer4] tot een bedrag van € 5.229,90 toe te wijzen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 61 dagen hechtenis.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden waarbij de rechtbank de immateriële schade naar redelijkheid zal stellen op € 1000,=. Verdachte is tot vergoeding van de schade ten bedrage van € 1.229,50 gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Voor het overige wordt de vordering niet ontvankelijk verklaard.

[slachtoffer5]

De benadeelde partij [slachtoffer5] vordert een bedrag van € 40,- aan materiële schade.

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer5] tot een bedrag van € 40,- toe te wijzen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 dag hechtenis.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 40,-. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36b, 36c, 36f, 37, 45, 46, 55, 57, 180, 285, 289, 310 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

T.a.v. 05/700174-11:

Verklaart verdachte hiervoor niet strafbaar.

Ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.

Gelast dat veroordeelde ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 mes, nfi nr: aabb2235nl;

- 1 mes, nfi nr: aabb2234nl;

- 1 mes, nfi nr: aabb2233nl;

- 1 mes, nfi nr: aabb2236nl en

- 1 hakmes, nfi nr: aabb2240nl.

Beveelt de teruggave van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- schoeisel, nfi nr: aabb2237nl;

- kleding (broek), nfi nr: aabb2231nl en

- kleding (trui), nfi nr: aabb2232nl,

aan de veroordeelde.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer6].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer6], te betalen €1000,- (zegge duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2011.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad €1000,-, subsidiair 20 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer6], te betalen €1000,-, (zegge duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2011, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer1], te betalen €1160,- (zegge duizendhonderdzestig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2011.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad €1160,-, subsidiair 21 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer1] te betalen €1160,-, (zegge duizendhonderdzestig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2011, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 21 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer2].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer2] te betalen €1083,52 (zegge duizenddrieëntachtig euro en tweeënvijftig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2011.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad €1083,52, subsidiair 20 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer2] te betalen €1083,52, (zegge duizenddrieëntachtig euro en tweeënvijftig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2011, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer3].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer3] te betalen €626,62 (zegge zeshonderdzesentwintig euro en tweeënzestig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2011.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad €626,62, subsidiair 13 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer3] te betalen €626,62, (zegge zeshonderdzesentwintig euro en tweeënzestig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2011, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 13 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer4].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer4] te betalen €1229,50 (zegge duizendtweehonderdnegenentwintig euro en vijftig cent).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Veklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk.

Maatregel van schadevergoeding ad €1229,50, subsidiair 22 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer4] te betalen € 1229,50, (zegge duizendtweehonderdnegenentwintig euro en vijftig cent), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 22 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer5]

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer5][slachtoffer2], te betalen €40,- (zegge veertig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2011.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad €40,-, subsidiair 1 dag hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer5], te betalen €40,-, (zegge veertig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2011, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door mrs. M.F. Gielissen (voorzitter), F.J.H. Hovens en A.J.H. Steenweg, in tegenwoordigheid van mr. M.A.J.H. Muurmans, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 januari 2012.