Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:3824

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
02-01-2012
Datum publicatie
22-11-2013
Zaaknummer
216488
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Letselschade. Toedracht verkeersongeval in geschil. Samenloop met een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor. Geen toepassing artikel 1019z Rv, maar aanhouding in afwachting van sluiting van het voorlopig getuigenverhoor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 216488 / HA RK 11-167

Beschikking van 2 januari 2012

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

advocaat mr. E.J. de Koning-Witte te Boxtel,

tegen

1 [verweerder],

wonende te [woonplaats],

2. de naamloze vennootschap

UNIGARANT N.V.,

gevestigd te Hoogeveen,

verweerders,

advocaat mr. J.F. Koorevaar te Amsterdam.

De partijen worden verder [verzoekster], [verweerder] en Unigarant genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de beschikking van 10 augustus 2011

  • -

    het proces-verbaal van voorlopig getuigenverhoor gehouden op 17 november 2011 in de zaak tussen partijen met zaaknummer / rekestnummer: 218941 / HA RK 11-241, waarbij de termijn voor de uitlating bepaald in de hiervoor bedoelde beschikking, eventueel aangevuld met een nadere uitlating ter zake van de kosten, is verkort tot veertien dagen na de sluiting van het voorlopig getuigenverhoor, en waarbij dat getuigenverhoor tevens is gesloten

  • -

    de brief met bijlagen van de zijde van [verweerder] en Unigarant van 29 november 2011

  • -

    de brief en het faxbericht met bijlagen van de zijde van [verzoekster] van 1 december 2011

  • -

    de brief en het faxbericht met bijlagen van de zijde van [verweerder] en Unigarant van 1 december 2011, gedateerd op 23 augustus 2011

  • -

    het faxbericht van de zijde van [verzoekster] van 5 december 2011

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank is thans voldoende voorgelicht om tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek te komen en zal daartoe overgaan.

2.2.

Het volgende staat in deze procedure tussen partijen vast.

2.3.

Op 3 juli 2010 omstreeks het middaguur fietste [verzoekster] op het Plantsoen te [woonplaats] in de richting van de Costerweg en ter hoogte van de HEMA. Het Plantsoen is een binnen de bebouwde kom gelegen weg voor verkeer in twee richtingen, zonder middenlijn. Aan weerszijden heeft de weg roodgekleurde fietsstroken die met een onderbroken witte lijn zijn afgebakend van de hoofdrijbaan. Er geldt een maximumsnelheid van 50 km/u. [verweerder] reed met zijn auto achter [verzoekster] in dezelfde richting en wilde haar passeren. Vervolgens zijn de auto van [verweerder] en [verzoekster] op haar fiets met elkaar in aanraking gekomen, en is [verzoekster] op de straat gevallen. [verzoekster] heeft hierbij letselschade opgelopen.

[verzoekster] weet zich van de toedracht niets te herinneren.

2.4.

In een proces-verbaal van de Politie Gelderland-Midden staat dat D. [getuige] op 3 juli 2010 om 12.15 uur tegenover de politie het volgende heeft verklaard:

“Mijn naam is […] [getuige] en vandaag, zaterdag 3 juli 2010, omstreeks 12.05 uur, was ik getuige van een aanrijding met letsel op het Plantsoen te [woonplaats].

Ik fietste op het plantsoen in de richting van de Costerweg. Ik zag toen dat er een vrouw ongeveer tien meter voor mij fietste. Ik werd toen ingehaald door een grijze Fiat. Ik zag dat hij ook de vrouw voor mij wilde inhalen. Ik zag dat de auto niet zo hard reed. Die auto reed hetzelfde tempo als de andere auto’s hier, tussen de 40 en de 50 kilometer per uur.

Ik zag dat de vrouw af wilde slaan richting HEMA, achter de parkeerplaats aan de linkerkant. Ik weet niet of zij haar hand uitstak. Ik heb haar niet om zien kijken op het moment dat de vrouw naar links ging. ik zag dat de vrouw omviel toen de auto al voorbij was. Ik denk dat ze tegen de zijkant van de auto aantikte.”

2.5.

In een proces-verbaal van de Politie Gelderland-Midden staat dat [verweerder] op 3 juli 2010 om 12.15 uur tegenover de politie het volgende heeft verklaard:

“Ik was zojuist betrokken bij een ongeval op het plantsoen te [woonplaats].

Ik reed met mijn auto een Fiat Cinquecento voorzien van het kenteken HLXX72 op het Plantsoen, gaande in de richting van het Emmapark en komende uit de richting van de Stationsstraat.

Ter hoogte van de winkel ‘Action’ zag ik een vrouw op de fiets voor mij aan de rechterzijde van de weg rijden. Ik zag dat de vrouw op een gegeven moment naar de linkerzijde van de weg, in de richting van mijn auto, reed. Ik dacht dat de vrouw linksaf wilde slaan, ze deed dat zonder te kijken.

Ik zag en hoorde dat zij met haar stuur tegen het raam van mijn rechterportier kwam. Ik remde Volgens mij heb ik de vrouw niet geraakt. Ik zag dat de vrouw voor mijn auto op de grond viel. Ik ben een paar meter achteruit gereden om de vrouw ruimte te geven. Ik zag dat zij aan haar hoofd bloedde.

Ik reed ongeveer 35 km/u. (…)”

2.6.

Van het ongeval heeft de politie geen registratieset opgemaakt. De politie heeft wel genoteerd: “Schade auto: kras over rechterportierglas.”

2.7.

[verweerder] heeft op 4 juli 2010 bij het filiaal van Carglass te Ede de rechter portierruit van zijn auto laten vervangen voor een bedrag van € 175,44.

2.8.

In de brief van Unigarant aan de gemachtigde van [verzoekster] van 26 oktober 2010 staat onder meer:

“In bijlage stelt ik u in het bezit van de schademelding van mijn verzekerde. Uit die melding kan ik opmaken dat uw relatie plotseling en zonder richting aangeven naar links van richting veranderde zonder daarbij vrije doorgang te verlenen aan het bij ons verzekerde motorrijtuig. Nu de oorzaak van de botsing is gelegen in de plotselinge linksaf manoeuvre van uw relatie, waarmee mijn verzekerde gelet op de omstandigheden van het geval geen rekening behoefde te houden, is er sprake van eigen schuld. Dienovereenkomstig zullen wij de zaak van uw relatie behandelen.”

2.9.

Bij brief van 3 november 2010 heeft de gemachtigde van [verzoekster] onder meer het volgende aan Unigarant bericht:

“Dank voor uw brief van 26 oktober 2010. Met deze brief reageer ik hierop.

Aansprakelijkheid:

Artikel 185 WVW is van toepassing in deze en houdt een bijzondere aansprakelijkheid voor de bezitter van een motorrijtuig in. Kort gezegd is de automobilist verplicht de schade te vergoeden, tenzij hij overmacht aannemelijk maakt. Ik concludeer uit uw brief van 26 oktober dat u de overmachtsvraag negatief heeft beantwoord.

Nu overmacht niet aannemelijk is, moet vervolgens de causale verdeling vastgesteld worden.”

2.10.

Bij brief van 11 november 2010 heeft Unigarant de gemachtigde van [verzoekster] onder meer het volgende laten weten:

“Uw brief van 3 november had mijn aandacht.

Onder uw aandacht breng ik dat mijn verzekerde met een snelheid van 30 km per uur reed. Uw cliënte sloeg op een punt waar dit niet te verwachten viel linksaf zonder richtingverandering kenbaar te maken. U cliënte kan deze lezing van mijn verzekerde niet weerspreken omdat zij geen herinnering aan de omstandigheden rond de toedracht heeft.

Het in twijfel trekken van de lezing van mijn verzekerde heeft mijns inziens geen pas. Nu u dit meent te kunnen doen is het aan u op dit punt bewijs te leveren.

Vooralsnog wordt dan ook volstaan met erkenning van een vergoedingsplicht van 50%. Mogelijk dat vanwege de (blijvende) ernst van het letsel van uw cliënte op basis van de billijkheidscorrectie tot een herwaardering dient te worden gekomen.”

Bij brief van 13 januari 2011:

“Intussen heb ik het politierapport opgevraagd. Na ontvangst zal ik nagaan of ik de erkende mate van vergoedingsplicht dien bij te stellen.”

Bij brief van 4 februari 2011:

“Op dit moment heb ik dan ook geen reden af te wijken van de erkende vergoedingsplicht. Mogelijk dient er bij onverhoopt ernstiger blijvende gevolgen in het kader van een billijkheidscorrectie te zijner tijd een aanpassing plaats te vinden.”

En bij brief van 16 maart 2011:

“Als dit niet tot een geslaagd beroep op overmacht zou leiden dan geldt in ieder geval een maximaal eigen schuld percentage. In dit licht bezien is er dan ook geen ruimte voor een billijkheidscorrectie.”

2.11.

De rechtbank overweegt als volgt, waarbij zo veel als nodig zal worden ingegaan op de stellingen van partijen.

2.12.

[verzoekster] heeft de rechtbank primair verzocht voor recht te verklaren dat [verweerder] aansprakelijk is voor het ongeval van 3 juli 2010 en dat Unigarant gehouden is tot volledige vergoeding van de schade die [verzoekster] als gevolg hiervan heeft geleden; en subsidiair, voor het geval dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [verzoekster], op grond van de billijkheidscorrectie de schadevergoedingsverplichting van Unigarant vast te stellen op 100%.

2.13.

Op grond van artikel 185 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW), dat door [verzoekster] aan haar verzoek ten grondslag is gelegd, is [verweerder] verplicht om de schade die [verzoekster] als gevolg van het ongeval lijdt te vergoeden, tenzij aannemelijk is dat het ongeval is te wijten aan overmacht. [verweerder] en Unigarant beroepen zich op overmacht. [verzoekster] stelt zich in dit verband primair op het standpunt dat zij dit verweer reeds hebben prijsgegeven. Zij heeft daartoe gewezen op de hierboven geciteerde correspondentie. In dit verband geldt het volgende.

2.14.

In haar brief van 26 oktober 2010 geeft Unigarant aan dat zij gelet op haar lezing van de toedracht eigen schuld aan de zijde van [verzoekster] aanneemt en dat zij bij de behandeling van de zaak daarvan zal uitgaan. In de brief van 3 november 2010 heeft [verzoekster] laten weten dat zij deze verklaring van Unigarant aldus heeft opgevat dat volgens Unigarant van overmacht geen sprake is. Unigarant spreekt dit in haar brieven van 11 november 2010, 13 januari 2011 en 4 februari 2011 niet tegen en maakt in dit verband ook geen voorbehoud, maar laat daarin weten dat op basis van de billijkheidscorrectie, dus in het kader van het eigen schuldverweer, afhankelijk van de ernst van het blijvende letsel van [verzoekster] mogelijk meer dan de helft van de schade zal worden vergoed. [verzoekster] mocht uit deze correspondentie in redelijkheid afleiden dat [verweerder] en Unigarant geen beroep op overmacht wilden doen, en mocht er op vertrouwen dat zij hierop niet zouden terugkomen. Artikel 3:35 BW staat er aan in de weg dat zij dat alsnog zouden kunnen doen, zoals zij in deze procedure hebben gedaan en wellicht hebben willen doen in de brief van Unigarant van 16 maart 2011. Het overmachtverweer dient dan ook geheel te worden gepasseerd. Daarmee is de aansprakelijkheid van [verweerder] gegeven en in beginsel ook de schadeplichtigheid van Unigarant als WAM-verzekeraar van [verweerder]. In zoverre zou het primaire verzoek kunnen worden toegewezen.

2.15.

Ter zake van het eigen schuldverweer (artikel 6:101 BW) geldt het volgende.

Gelet op het resterende primaire verzoek voor recht te verklaren dat Unigarant gehouden is tot volledige schadevergoeding is in de eerste plaats de vraag of vermindering van de vergoedingsplicht aan de orde is omdat de schade mede het gevolg is van een omstandigheid die aan [verzoekster] kan worden toegerekend, zoals [verweerder] en Unigarant stellen en [verzoekster] betwist.

2.16.

[verweerder] en Unigarant werpen in dit verband op dat de schade, gelet op de toedracht van het ongeval, (uitsluitend) kan worden toegerekend aan de gedragingen van [verzoekster]. De precieze toedracht van het ongeval is echter tussen partijen in geschil. In dat verband is het volgende van belang.

2.17.

[getuige] heeft tegenover de politie verklaard dat [verzoekster] zonder dat hij waarnam dat zij omkeek naar links ging en omviel toen [verweerder] voorbij was, en dat hij denkt dat [verzoekster] tegen de auto van [verweerder] aantikte. Tegenover de rechtbank heeft [getuige] verklaard dat dit destijds zijn eigen verklaring over zijn eigen waarneming is geweest. Aan deze verklaring van getuige [getuige], direct na het ongeval tegenover de politie afgelegd, komt dan aanzienlijke overtuigingskracht toe. [getuige] heeft verder bevestigd dat [verzoekster] in aanraking is gekomen met de zijkant van de auto van [verweerder] en daarna is gevallen. [verzoekster] is volgens [getuige] in ieder geval niet door [verweerder] van achteren aangereden.

De verklaringen van [getuige] ondersteunen de lezing van [verweerder] dat [verzoekster] plotseling tegen zijn auto is aangefietst op het moment dat hij al naast haar reed om haar te passeren, en vervolgens op straat is gevallen. In deze toedracht past bovendien dat de ruit van het rechterportier van de auto van [verweerder] bij het ongeval is beschadigd, zoals ook in het politie proces-verbaal is vermeld, dat de stand van de rechter zijspiegel van zijn auto bij het ongeval is gewijzigd en dat de auto van [verweerder] bij het ongeval verder geen schade heeft opgelopen. Dat [getuige] en [verweerder] verschillend hebben verklaard over de positie van [verzoekster] ten opzichte van de auto van [verweerder] na het ongeval, doet aan het voorgaande niet af.

2.18.

De veronderstelling van [verzoekster] dat [verweerder] zo dicht langs [verzoekster] is gereden dat hij haar met de spiegel van zijn auto heeft geraakt waardoor zij tegen de autoruit is gereden en op straat is gevallen, kan niet worden gevolgd. Daargelaten dat [verweerder] nog heeft gesteld dat zijn zijspiegel bij het ongeval niet gewoon was dichtgeklapt maar juist tegen de rijrichting in was omgeklapt, moet immers worden vastgesteld dat [getuige] (net als [verweerder]) heeft verklaard dat [verzoekster] naar links ging, daarmee [getuige] de indruk gevend dat zij af wilde slaan richting de HEMA. Bovendien zijn er geen concrete aanwijzingen dat het ongeval is veroorzaakt doordat [verweerder] [verzoekster] op een te korte afstand heeft willen passeren. Integendeel. [getuige] heeft verklaard dat [verweerder] op het zwarte deel van het asfalt reed met een voor [getuige] onopvallende afstand tot de rode fietsstrook, en dat hij zich niet kan herinneren dat de auto van koers veranderde. Daarmee is aannemelijk dat [verweerder] [verzoekster] normaal de ruimte heeft gegeven, zoals [verweerder] ook zelf heeft verklaard. [verzoekster] heeft uit de verklaringen van [verweerder] over zijn rijgedrag en de positie van zijn auto bij stilstand afgeleid dat [verweerder] [verzoekster] op minder dan een halve meter moet hebben gepasseerd. Daarbij heeft zij echter geen aandacht geschonken aan haar eigen positie op de fietsstrook. Mede bezien in het licht van de getuigenis van [getuige] is de uiteenzetting van [verzoekster] daarom onvoldoende overtuigend voor een ander oordeel over de toedracht. Daarbij is ook van belang dat er geen aanwijzingen zijn dat [verweerder] vanwege een tegenligger niet de gelegenheid had om [verzoekster] met voldoende tussenruimte te passeren.

2.19.

Gelet op het voorgaande, en met name op de verklaring van [getuige] tegenover de politie, is de rechtbank van oordeel dat [verweerder] en Unigarant hebben bewezen dat [verzoekster] het ongeval heeft veroorzaakt door plotseling naar links te gaan terwijl [verweerder] al naast haar reed. De schade is derhalve in ieder geval mede het gevolg van een omstandigheid die aan [verzoekster] kan worden toegerekend. Het primaire verzoek, dat mede ziet op een verklaring voor recht dat Unigarant vanwege het ontbreken van eigen schuld volledig schadeplichtig is, is dan ook niet toewijsbaar.

2.20.

Voor de beoordeling van het subsidiaire verzoek is het volgende van belang.

Niet in geschil is dat de billijkheid bij de verdeling van de schade over de betrokkenen eist dat tenminste 50% van de schade ten laste van het motorrijtuig wordt gebracht wegens de verwezenlijking van het aan dat motorrijtuig verbonden gevaar (zoals is beslist in HR 28 februari 1992, NJ 1993, 566). Dit brengt mee dat [verweerder] in ieder geval aansprakelijk is voor de helft van de schade van [verzoekster]. Gelet op HR 24 december 1993, NJ 1995, 236 is dan vervolgens de vraag of [verweerder] meer dan de helft van de schade moet vergoeden, omdat de schade mede het gevolg is van een omstandigheid die aan [verzoekster] kan worden toegerekend en de aan [verweerder] toe te rekenen omstandigheden voor meer dan 50% tot de schade hebben bijgedragen (de causale verdeling) of omdat de billijkheid dit eist vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of vanwege andere omstandigheden van het geval (de billijkheidscorrectie).

2.21.

Omdat [verzoekster] plotseling naar links is gegaan terwijl [verweerder] al naast haar reed dient het ontstaan van de schade in ieder geval voor een groot deel aan [verzoekster] te worden toegerekend. In het midden kan blijven waarom [verzoekster] naar links is gegaan nu gesteld noch gebleken is dat daarin een omstandigheid is gelegen die aan [verweerder] moet worden toegerekend. Ter zake van de bijdrage tot de schade van aan [verweerder] toe te rekenen omstandigheden is nog wel van belang de, volgens [verzoekster] te hoge snelheid waarmee [verweerder] zou hebben gereden.

2.22.

[verweerder] heeft tegenover de politie verklaard dat hij ongeveer 35 km/u reed. [getuige] heeft daar verklaard dat de snelheid tussen de 40 en 50 km/u lag. [verweerder] heeft tegenover de rechtbank verklaard dat hij 30 à 32 km/u reed. Niet kan derhalve worden vastgesteld met welke snelheid [verweerder] precies heeft gereden. Wel is duidelijk dat hij ten minste 30 km/u reed en ook dat hij de maximumsnelheid niet heeft overschreden. Gegeven de toedracht van het ongeval, is voor de veroorzaking van de schade niet, althans van ondergeschikt belang geweest of [verweerder] 30 of 50 km/u heeft gereden. In beide gevallen had [verweerder] immers hoogstwaarschijnlijk niet de tijd op de plotselinge manoeuvre van [verzoekster] te anticiperen. Uit de toedracht volgt bovendien dat voor zover de snelheid wel enige invloed op de veroorzaking van de schade zou hebben gehad, de bijdrage tot de schade in ieder geval niet groter is geweest dan 50%. De (hoofd)oorzaak van het ongeval is immers de plotselinge richtingverandering van [verzoekster] geweest.

2.23.

Andere aan [verweerder] toe te rekenen omstandigheden die tot de schade kunnen hebben bijgedragen heeft [verzoekster] niet gesteld. Op grond van de causale verdeling kan derhalve niet meer dan de helft van de schade voor rekening van [verweerder] worden gebracht. Het is dan de vraag of dat wel moet gebeuren op grond van de billijkheidscorrectie.

2.24.

[verzoekster] heeft in dit verband gewezen op de ernst van het letsel, het feit dat de schade van [verzoekster] niet is gedekt door de verzekeraar van [verzoekster], het feit dat [verweerder] voor de schade verplicht is verzekerd en het feit dat [verweerder] niet gewond is geraakt bij het ongeval. [verweerder] en Unigarant betwisten dat op grond van deze omstandigheden een billijkheidscorrectie aan de orde kan zijn.

2.25.

Voorop staat dat niet is gesteld dat het vanwege de uiteenlopende ernst van de over een weer gemaakte fouten billijk zou zijn om de vergoedingsplicht van [verweerder] en Unigarant te vergroten. Dat is ook niet gebleken. Een fout aan de zijde van [verweerder] is niet vastgesteld. Ter zake van de snelheid geldt in dit verband nog het volgende. [getuige] heeft tegenover de politie verklaard dat hij zag dat de auto van [verweerder] niet zo hard en met hetzelfde tempo als de andere auto’s reed en tegenover de rechtbank dat de auto met normale snelheid reed. Hoewel niet kan worden vastgesteld met welke snelheid [verweerder] precies heeft gereden is hiermee naar het oordeel van de rechtbank wel aannemelijk dat [verweerder] van de snelheid waarmee hij reed geen verwijt kan worden gemaakt.

2.26.

Ter zake van de andere omstandigheden van het geval, zoals bedoeld in artikel 6:101 lid 1 BW, is het volgende van belang. Blijkens het hiervoor aangehaalde arrest van 28 februari 1992 is de jurisprudentiële regel dat de helft van de schade ten laste van het motorrijtuig wordt gebracht vanwege de verwezenlijking van het daaraan verbonden gevaar, er onder meer op gebaseerd dat een volwassen fietser of voetganger kwetsbaar is, dat hun schade ingrijpend kan zijn en dat daarvoor een verplichting van het gemotoriseerde verkeer tot verzekering bestaat (punt 3.7 van het arrest) omdat de fietser of voetganger de schade anders grotendeels persoonlijk zou moeten dragen (punt 3.8. van het arrest). De omstandigheden waarop [verzoekster] heeft gewezen zijn derhalve reeds voor een belangrijk deel verdisconteerd in de billijkheidscorrectie die ertoe heeft geleid dat ten minste de helft van de schade ten laste komt van [verweerder] en Unigarant. De gestelde omstandigheden zijn onvoldoende bijzonder om de schade geheel voor rekening van [verweerder] en Unigarant te laten komen. Dat [verweerder] bij het ongeval niet gewond is geraakt is eerder regel dan uitzondering bij een ongeluk tussen een auto en een fietser zoals in dit geval aan de orde is. Het letsel van [verzoekster] bestaat erin dat haar reukvermogen is verdwenen en dat zij minder energie heeft en zich minder goed kan concentreren, aldus [verzoekster]. Aangenomen moet worden dat [verzoekster] erin is geslaagd na een periode van volledige en gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid weer volledig werkzaam te zijn, hoewel zij in haar vrije tijd daarvan moet herstellen. Deze gevolgen zijn ingrijpend. Maar zeker niet zo ernstig dat de billijkheid eist dat [verweerder] en Unigarant 100% van de schade zouden moeten vergoeden.

2.27.

Voor zover in het subsidiaire verzoek besloten kan worden geacht dat - als het mindere - tevens wordt verzocht om een oordeel over de vraag tot welk percentage eigen schuld toepassing van de billijkheidscorrectie wel aanleiding geeft, is nog van belang of de ernst van het letsel wel grond vormt voor het aannemen van een grotere vergoedingsplicht dan de helft van de schade, waarin dus al de ingrijpendheid van de potentiële schade is verdisconteerd. Die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. Daarvoor is het letsel onvoldoende ernstig. Het subsidiaire verzoek, dat ziet op een verklaring voor recht dat Unigarant op grond van de billijkheidscorrectie volledig (althans voor meer dan de helft) schadeplichtig is, is derhalve evenmin toewijsbaar.

2.28.

De verzoeken zullen dan ook worden afgewezen.

2.29.

Ter zake van de kosten geldt het volgende.

Begroot dienen te worden de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van [verzoekster] (artikel 1019aa Rv). Het getuigenverhoor heeft niet plaatsgevonden in de onderhavige procedure, maar in de door [verweerder] en Unigarant geëntameerde procedure strekkende tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor. De kosten van [verzoekster] bij de behandeling van deze laatste procedure komen daarom niet op de voet van artikel 1019aa Rv voor begroting in aanmerking. Dit oordeel ligt ook in de rede nu de noodzaak van instructie, zoals door de rechtbank in deze zaak aangenomen, in de deelgeschilprocedure zelf in het algemeen leidt tot afwijzing van het verzoek op de voet van artikel 1019z Rv.

Uit de door [verzoekster] overgelegde gespecificeerde facturen leidt de rechtbank af dat in totaal ten minste 6 gedeclareerde uren niet aan de behandeling van het deelgeschilverzoek zijn besteed. (0:20 “Processtuk voorlopig getuigenverhoor”, 0:30 uur “Processtuk pleitnota aanpassen + verweer”, 0:20 “Processtuk voorlopig getuigenverhoor”, 0:15 Inkomende brieven/e-mails beschikking Rb Arnhem voorl. getuigenverhoor”, 4:10 “Zitting zitting + voorbereiding + reistijd, en 0:25 “Uitgaande brieven / e-mails getuigenverklaring + DAS”.)

2.30.

De overige door [verzoekster] opgevoerde kosten zullen worden onderworpen aan de toets van artikel 6:96 lid 2 BW. Of en zo ja in welke mate en onder welke voorwaarden zij de kosten krachtens een verzekeringsovereenkomst kan verhalen op een derde is daarvoor niet van belang.

2.31.

Hangende de procedure is belangrijke aanvullende informatie over de toedracht van het ongeval boven water gekomen. Reeds daarom kan niet worden gezegd dat het niet redelijk was om het deelgeschilverzoek in te dienen en daarvoor kosten te maken.

Het door de advocaat van [verzoekster] gehanteerde uurtarief van € 215,00 exclusief 6% kantoorkosten en 19% BTW is op zichzelf niet betwist en komt de rechtbank niet onredelijk voor. [verzoekster] heeft aangegeven dat in totaal 47:25 uren aan de zaak zijn besteed. (9:40 + 3:30 + 7:00 (waarvan 0:10 tegen een tarief van € 155,00 per uur) + 1:30 + 14:35 + 11:10.) Daarop moeten gelet op het voorgaande in ieder geval 6 uren in mindering worden gebracht. Dan resteren 41:25 uur. Deze investering in tijd komt de rechtbank met [verweerder] en Unigarant onredelijk voor. Rekening ermee houdend dat de uitlating naar aanleiding van de getuigenverhoren meerwerk heeft meegebracht en gelet op andere vergelijkbare gevallen acht de rechtbank redelijk dat 26 uren aan deze zaak zijn besteed, waarvan 10 minuten tegen een tarief van € 155,00. Vermeerderd met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 258,00 komen de redelijke kosten dan uit op een bedrag van € 7.296,84.

[verweerder] en Unigarant zullen tot betaling van de helft van deze kosten worden veroordeeld. [verweerder] is weliswaar aansprakelijk, maar de vergoedingsplicht van [verweerder] en Unigarant is op de voet van artikel 6:101 BW vastgesteld op 50% (vergelijk HR 21 september 2007, NJ 2008, 241).

3 De beslissing

De rechtbank

wijst het primaire en subsidiaire verzoek af,

begroot de kosten van de behandeling van het verzoek aan de zijde van [verzoekster] op € 7.296,84,

veroordeelt [verweerder] en Unigarant hoofdelijk, des dat indien en voor zover de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan [verzoekster] van een bedrag van € 3.648,42 binnen veertien dat na heden.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.M.E. Lagarde en in het openbaar uitgesproken op 2 januari 2012.