Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:2734

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
09-08-2013
Zaaknummer
AWB-12_2142
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet WIA, loonsanctie voor twee werkgevers vanwege niet tijdige re-integratie in het tweede spoor. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard en intensiteit van de taalcursus de (late) start van de taalcursus in januari 2011 niet onredelijk en begrijpelijk was, zodat niet geoordeeld kan worden dat er onnodig veel tijd verloren is gegaan.

Beroep gegrond, herroepen loonsanctie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummers: AWB 12/2142 en 12/2827

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
van

inzake

[eiseres 1], eiseres 1,

gevestigd te [vestigingsplaats], vertegenwoordigd door A.M. van den Heuvel,

[eiseres 2], eiseres 2,

gevestigd te [vestigingsplaats], vertegenwoordigd door mr. E.D. Breugelmans-Tanis

tezamen eisers

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

1 Aanduiding bestreden besluit

Besluiten van verweerder van 28 februari 2012, uitgereikt door het UWV te Utrecht.

2 Procesverloop

Bij besluiten van 11 augustus 2011 heeft verweerder het tijdvak waarin [werkneemster], werkneemster van eisers (hierna: werkneemster), recht heeft op loon tijdens ziekte verlengd tot 20 september 2012.

Bij de in rubriek 1 aangeduide besluiten heeft verweerder de door eisers gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en de eerder genoemde besluiten gehandhaafd.

Tegen deze besluiten hebben eisers beroep ingesteld. Het beroep van eiseres 1 (hierna: [eiseres 1]) is geregistreerd onder nummer 12/2142 en het beroep van eiseres 2 (hierna: [eiseres 2]) onder nummer 12/2827. Verweerder heeft verweerschriften ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 12 november 2012. Namens [eiseres 1] is verschenen [personeelsfunctionaris], personeelsfunctionaris, bijgestaan door A.M. van den Heuvel, werkzaam bij L-Expert, juridisch adviesbureau sociale zekerheid te Heemstede. [eiseres 2] is vertegenwoordigd door Van den Heuvel voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk, werkzaam bij het UWV te Utrecht.

3 Overwegingen

3.1

Op 23 september 2009 is werkneemster, voordien werkzaam bij [eiseres 2] als schoonmaakster voor 20 uren per week, uitgevallen vanwege fysieke klachten. Op 18 december 2009 heeft werkneemster om deze reden haar werkzaamheden bij [eiseres 1] voor 12,5 uren per week als schoonmaakster gestaakt.

Werkneemster heeft op 23 mei 2011 een aanvraag voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend.

Op 10 augustus 2011 heeft de arbeidsdeskundige van verweerder, A. van Efferen, ter zake gerapporteerd en geconcludeerd dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende zijn geweest omdat de werkgevers te laat en niet adequaat re-integratie in het tweede spoor hebben ingezet.

Bij besluiten van 11 augustus 2011 heeft verweerder daarom beide eisers een loonsanctie opgelegd. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (adbb) V. Franscoise van 13 februari 2012, de loonsancties gehandhaafd.

3.2

Eisers kunnen zich niet verenigen met de opgelegde loonsanctie en hebben de bestreden besluiten gemotiveerd aangevochten.

3.3

Artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, voor zover hier van belang, luidt als volgt: “Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond (…) onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het UWV het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (…), opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen kan herstellen. Het tijdvak bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken.”

Ingevolge artikel 65 van de Wet WIA, voor zover hier van belang, beoordeelt het UWV of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen, die zijn verricht.

3.4

Bevredigend resultaat?

De adbb heeft in haar rapport van 13 februari 2012 aangegeven dat het afronden van een adequaat traject naar ander werk bij een andere werkgever, indien tevens is voldaan aan de andere door haar vermelde voorwaarden, als een bevredigend resultaat wordt aangemerkt.

Indien sprake is van een bevredigend resultaat is toetsing van de re-integratie-inspanningen niet aan de orde.

Eisers hebben aangevoerd dat zij het tweede spoortraject vóór het bereiken van de zogeheten einde wachttijd hebben afgerond en dat er dus geen grond is voor een loonsanctie.

Dit betoog treft geen doel. De adbb heeft in haar rapport van 18 april 2012 gewezen op het feit dat het taaltraject van werkneemster pas in december 2011 is afgerond en niet al in juni 2011. De rechtbank ziet geen reden om aan de juistheid hiervan te twijfelen en is van oordeel dat reeds daarom – daargelaten of aan de andere door de adbb genoemde voorwaarden is voldaan – op einde wachttijd geen sprake was van een bevredigend resultaat.

3.5

Voldoende re-integratie-inspanningen?

Op 18 april 2012 en 14 mei 2012 heeft de adbb gereageerd op hetgeen eisers in beroep ter zake hebben aangevoerd.

De rechtbank leidt hieruit af dat de adbb thans niet alleen het haalbaarheidsonderzoek van CS Works inhoudelijk adequaat heeft geacht, maar ook de verrichte re-integratieactiviteiten. De adbb kan zich ook vinden in de vaststelling van eisers dat een taaltraject een basisvoorwaarde is om ander regulier werk (het tweede spoor) te kunnen verwerven.

De loonsanctie wordt evenwel gehandhaafd vanwege de vaststelling dat sprake is van niet tijdige re-integratie in het tweede spoor. Daarbij heeft verweerder gewezen op het feit dat de de taaltraining van werkneemster te laat is aangevangen.

De adbb schrijft hierover in haar rapport van 18 april 2012 dat werkneemster al in september 2010 werd aangemeld voor een taaltraining, maar dat deze, in combinatie met een inburgeringstraject, feitelijk pas medio januari 2011 van start is gegaan. Dit houdt, aldus de adbb, een onnodige stagnatie van vier maanden in. Hoewel beide werkgevers dit traject niet zelf uitvoeren maar uitbesteden, wordt een stagnatie in de uitvoering door derden op grond van wetgeving beide werkgevers aangerekend.

3.6

Namens eisers is met betrekking tot de taalcursus ter zitting het volgende aangevoerd. Werkneemster had een forse taalachterstand en beide eisers hebben tezamen bewust ingezet op een kwalitatief goede cursus Nederlands. Aangezien er binnen de organisatie van [eiseres 1] meer werknemers zijn met een taalachterstand, is in samenwerking met de gemeente gekozen voor het houden van intensief en uitgebreid leertraject dat moet leiden tot een adequaat taalniveau (en tot inburgering). Er is gekozen voor de taaltraining die het beste en het meest effectief was. De uitgekozen training is namelijk veel effectiever dan bijvoorbeeld die bij de LOI. Eén van de voordelen van de cursus was dat die op het kantoor van één van de werkgevers, [eiseres 1], plaatsvond en dat de vorderingen daarom goed in de gaten gehouden konden houden. Er is directe controle mogelijk en er kan direct feedback over de cursus en de vorderingen plaatsvinden. Dit was de ideale mogelijkheid om de taalachterstand van werkneemster te verminderen. Doordat is ingezet op deze intensieve taalcursus, directe controle en begeleiding, kon, vanwege het aantal bij de cursus betrokken personen en instanties, de cursus niet eerder plaatsvinden dan in januari 2011.

De bij de cursus horende schoonmaakopleiding was niet specifiek voor werkneemster bedoeld, zij heeft er wel wat van opgestoken.

Gelet op het vorenstaande is niet gekozen voor een andere instantie die taaltrainingen verzorgt. Daarbij wisten eisers in oktober al dat de taaltraining in januari van start zou gaan.

3.7

De rechtbank acht, anders dan verweerder ter zitting heeft betoogd, voldoende aannemelijk dat de taalcursus een re-integratieactiviteit was ten aanzien van werkneemster en niet slechts een algemene periodieke cursus.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft onderkend dat gelet op de aard en intensiteit van de taalcursus de (late) start van de taalcursus in januari 2011 niet onredelijk en begrijpelijk was, zodat niet geoordeeld kan worden dat er onnodig veel tijd verloren is gegaan. Dat een andere taalcursus wellicht eerder plaats had kunnen vinden, laat onverlet dat eisers ervan mochten uitgaan dat een andere cursus niet hetzelfde resultaat tot gevolg zou hebben. Verweerder heeft niet – ook niet ter zitting - duidelijk gemaakt waarom de door eisers uitgekozen specifieke taalcursus niet paste binnen de re-integratie dan wel waar eiseres op kortere termijn terecht kon voor een (gelijkwaardige) taalcursus. Het enkel verstrijken van de tijd van september/oktober 2010 tot januari 2011 is dan ook onvoldoende om aan te nemen dat de re-integratie-activiteiten onvoldoende zijn geweest.

3.8

Het vorenstaande leidt er toe dat de beroepen gegrond worden verklaard en dat de bestreden besluiten worden vernietigd. De rechtbank zal tevens de primaire besluiten herroepen en bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten.

3.9

De rechtbank acht voorts termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door [eiseres 1] en [eiseres 2] gemaakte proceskosten in beroep, welke zijn begroot op € 874 per eiseres, in totaal € 1748, zijnde de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt beroepschrift, 1 punt zitting). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

3.10

Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten in bezwaar van eisers is niet gebleken. Zowel [eiseres 1] als [eiseres 2] hebben zich in bezwaar niet doen vertegenwoordigen door een professioneel rechtsbijstandsverlener.

3.11

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4 Beslissing

De rechtbank

verklaart de beroepen gegrond;

vernietigt de bestreden besluiten;

herroept de besluiten van 11 augustus 2011;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

veroordeelt verweerder in de door [eiseres 1] gemaakte proceskosten ten bedrage van € 874 en in de door [eiseres 2] gemaakte proceskosten ten bedrage van € 874 ;

bepaalt dat verweerder het door [eiseres 1] betaalde griffierecht, ten bedrage van € 310, en het door [eiseres 2] betaalde griffierecht, ten bedrage van € 310, aan hen vergoedt;

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, voorzitter, en mr. S.W. van Osch - Leysma en mr. L. van den Berg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op .

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: