Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:2291

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-09-2012
Datum publicatie
09-08-2013
Zaaknummer
AWB-12_2793
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Verrekening dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb met bijstand. Middelen. Geen inkomen maar vermogen. Zelf in de zaak voorzien. Mondelinge uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 12/2793

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak ingevolge artikel 8:67, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 4 september 2012

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder.

1 Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 16 mei 2012.

2 Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

herroept de uitkeringsspecificatie over de maand maart 2012;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 42 aan hem vergoedt.

3 Gronden van de beslissing

Eiser ontvangt bijstand krachtens de Wet werk en bijstand (Wwb) naar de norm van een alleenstaande. Verweerder heeft op 7 februari 2012 € 1.260 aan eiser betaald als verbeurde dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb. Verweerder heeft dit bedrag vervolgens als inkomen in aanmerking genomen en de bijstandsuitkering over de maand maart 2012 verrekend met dit inkomen. Hij heeft deze verrekening aangemerkt als een uitvoeringshandeling die op grond van artikel 79 van de Wwb moet worden gelijkgesteld met een besluit. Verweerder heeft in het bestreden besluit eisers bezwaar ongegrond verklaard.

Naar het oordeel van de rechtbank is de ongedateerde, door eiser op 29 maart 2012 ontvangen uitkeringsspecificatie een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb (zie de uitspraak van de Centrale Raad van beroep van 14 december 2010, LJN: BO7296). Verweerder heeft dit besluit ten onrechte aangemerkt als een met een besluit gelijk te stellen uitvoeringshandeling. Deze onjuiste kwalificatie heeft geen consequenties voor de beoordeling van deze zaak.

De rechtbank volgt verweerder in zoverre dat het uitgekeerde bedrag moet worden bestempeld als middelen waarover eiser beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Wwb. Een dwangsom behoort niet tot de uitgezonderde middelen die zijn opgesomd in artikel 31, tweede lid, van de Wwb. Een daartoe strekkend wijzigingsvoorstel van wetsvoorstel 31 844 (Wijziging van enkele bijzondere wetten in verband met de Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen) is door de regering vóór de stemming in de Tweede Kamer ingetrokken. Anders dan eiser stelt kan uit de indiening van het wijzigingsvoorstel gevolgd door de intrekking ervan en de manier waarop dit een en ander tot stand is gekomen, niet worden afgeleid dat een uitgekeerde dwangsom niettemin tot de uitgezonderde middelen behoort.

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn kwalificatie van de dwangsom als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb. De toekenning van een dwangsom kan naar zijn aard niet worden beschouwd als inkomsten bedoeld in artikel 32 van de Wwb. Dit brengt mee dat de ontvangen dwangsom ingevolge artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wwb moet worden aangemerkt als vermogen.

Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit wegen strijd met de artikelen 31, 32 en 34 van de Wwb niet in stand kan blijven en dat het dient te worden vernietigd.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat het besluit waarbij de dwangsom als inkomen in aanmerking is genomen over de maand maart 2012 wordt herroepen.

Nu niet gebleken is van door eiser gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, acht de rechtbank geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

De rechtbank bepaalt, onder toepassing van artikel 8:74, van de Awb, dat het griffierecht wordt vergoed.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De uitspraak is ter openbare zitting van 4 september 2012 gegeven door mr. F.J. de Vries, voorzitter, en mrs. H.J. Klein Egelink en J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P. van der Stroom, griffier.

Waarvan proces-verbaal,

De griffier, De voorzitter,

Afschrift verzonden op: