Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:2255

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-10-2012
Datum publicatie
09-08-2013
Zaaknummer
AWB-12_2967
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:2557, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Wet wapens en munitie. Intrekking individueel verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie wegens het ontbreken van een redelijk belang bij het verlof, als bedoeld in artikel 28 Wwm. In dit geval is de verlofhouder geen lid van een bij de KNSA aangesloten schietvereniging en heeft deze geen geldige KNSA-licentie meer, zodat niet wordt voldaan aan de vereisten die zijn neergelegd in de Circulaire Wapens en Munitie 2012.

Het in de circulaire vastgelegde beleid valt volgens de rechtbank binnen de grenzen van een redelijke wetstoepassing. De inmenging in de verenigingsvrijheid is naar het oordeel van de rechtbank gerechtvaardigd, zodat het beroep op artikel 11, eerste lid, van het EVRM wordt verworpen, alsmede het beroep op artikel 8 van de Grondwet, artikel 22 van het IVBPR en artikel 12, eerste lid, van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 12/2967

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
van

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. R.J.F. van den Wijngaard,

tegen

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.

1 Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 14 mei 2012.

2 Procesverloop

Bij besluit van 22 augustus 2011 heeft de Korpschef van de regiopolitie Gelderland-Midden (hierna: de Korpschef) besloten het aan eiser verleende verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens met daarbij behorende munitie, geregistreerd onder nummer 20060178428 (hierna: het verlof), in te trekken.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het daartegen door eiser ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard en het besluit van 22 augustus 2011 gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld.

Naar de door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 25 september 2012. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R.J.F. van den Wijngaard. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.C. van der Linden, werkzaam bij verweerders ministerie.

3 Overwegingen

Ingevolge artikel 28, eerste en tweede lid, aanhef en onder a en b, van de Wet wapens en munitie (Wwm) verleent de korpschef in de woon- of verblijfplaats van de aanvrager een verlof tot het voorhanden hebben van een wapen en munitie, uitsluitend behorend tot categorie III, indien een redelijk belang de verlening van het verlof vordert en de aanvrager geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid kan vormen.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwm kan een verlof worden ingetrokken, indien niet meer wordt voldaan aan de vereisten voor verlening daarvan.

Ingevolge § B.2.4.1, aanhef en onder c, van de Circulaire Wapens en Munitie 2012 (in werking getreden op 11 januari 2012, hierna: de Circulaire) geldt, onverminderd de bij of krachtens de wet gestelde vereisten, bij alle verlofaanvragen de voorwaarde dat de aanvrager lid dient te zijn van een in Nederland gevestigde, bij de KNSA (Koninklijke Nederlandse Schutters Associatie) aangesloten, schietvereniging en in het bezit te zijn van een geldige, op zijn naam gestelde, KNSA-licentie.

Eiser was lid van schietvereniging [naam] (hierna: de schietvereniging). De schietvereniging is per 1 december 2010 geroyeerd als lid van de KNSA. Eiser is daardoor geen lid meer van een bij de KNSA aangesloten schietvereniging en niet meer in het bezit van een geldige KNSA-licentie. De Korpschef heeft op grond van § B.2.4.1, aanhef en onder c, van de Circulaire en artikel 7, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwm het verlof bij besluit van 22 augustus 2011 ingetrokken. Dit besluit is bij het thans bestreden besluit gehandhaafd.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen en stelt zich onder meer op het standpunt dat voor de in de Circulaire opgenomen voorwaarde dat de aanvrager lid moet zijn van een bij de KNSA aangesloten schietvereniging en in het bezit is van een geldige KNSA-licentie geen grondslag bestaat in de Wwm en de Regeling wapens en munitie (Rwm). Door het stellen van deze voorwaarde is de uitvoering van het beleid in feite overgelaten aan de privaatrechtelijke organisatie KNSA, in plaats van aan de korpschef, die daarmee bevoegdheden krijgt als van een zelfstandig bestuursorgaan, aldus eiser.

De rechtbank overweegt dat het verlof op grond van artikel 28 van de Wwm een uitzondering vormt op het algemene verbod op het voorhanden hebben van vuurwapens. Het verlof wordt voor zover hier van belang verleend, als aan twee open normen is voldaan: (a) het ‘redelijk-belangcriterium’ en (b) het ‘geen-vrees-voor-misbruikcriterium’ (met de laatste term wordt in de Circulaire de norm dat de aanvrager geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid kan vormen verkort aangeduid). Ter invulling van beide open normen heeft verweerder in de Circulaire beleidsregels geformuleerd. Het ‘redelijk-belangcriterium’, voor zover het de schietsport betreft, is uitgewerkt in § B.2 van de Circulaire. De KNSA speelt bij de toepassing van het ‘redelijk-belangcriterium’ een rol. Voor de Korpschef vormen de regels in de Circulaire op grond van artikel 38, tweede lid, van de Wwm aanwijzingen die hij gehouden is op te volgen.

Uit de toelichting op artikel 28 van de Wwm blijkt dat de serieuze beoefening van de schietsport een redelijk belang kan opleveren (Bijl. TK (1976-1977) nr. 3, MvT, p. 35). Verweerder voert met de Circulaire het beleid dat alleen dan van een redelijk belang voor het verlenen van een verlof sprake is, als de aanvrager lid is van een bij de KNSA aangesloten schietvereniging en in het bezit is van een geldige licentie. Daarmee beoogt verweerder in essentie te bereiken dat het gebruik van de vuurwapens wordt gereguleerd aan de hand van de reglementen die de KNSA heeft vastgesteld. Deze reglementen betreffen allerlei onderwerpen, zoals de manier van bewaren van vuurwapens, het toezicht op de schietoefeningen en de regels voor het beoefenen van de verschillende soorten schietsporten. Ter toelichting op deze keuze heeft verweerder aangevoerd dat bij de KNSA de kennis aanwezig is voor het organiseren en reguleren van de verschillende soorten schietsporten.

§ B.2 van de Circulaire bevat daarnaast een groot aantal voorschriften over het gebruik van wapens en over de inrichting van schietcentra, waaraan de houders van een verlof moeten voldoen. Met handhaving van die laatste groep regels is de Korpschef belast.

De Korpschef trekt het verlof in als de verlofhouder geen lid is van een bij de KNSA aangesloten schietvereniging en niet meer in het bezit is van een geldige licentie. Volgens verweerders beleid is er in dat geval niet langer sprake van een redelijk belang bij het verlenen van het verlof.

De aldus geschetste uitgangspunten van het beleid van verweerder acht de rechtbank vallend binnen de grenzen van een redelijke wetstoepassing. Uitgaande van het gegeven dat de serieuze beoefening van de schietsport een redelijk belang kan opleveren voor een verlof, is de keuze van verweerder aanvaardbaar dat hij enerzijds het antecedentenonderzoek door de Korpschef laat uitvoeren en het gebruik van wapens in verenigingsverband aan regels bindt, maar anderzijds de meer praktische organisatie van de verschillende vormen van schietsporten overlaat aan de KNSA en tevens eist dat een verlofhouder lid is een bij de KNSA aangesloten vereniging. Vooral door deze laatste eis wordt voorkomen dat er ongecontroleerd gebruik wordt gemaakt van vuurwapens. De stelling van eiser dat verweerder op deze manier een extra eis stelt die niet is terug te voeren op de Wwm en de Rwm, wordt verworpen. Verweerder heeft de open norm in zijn beleidsregels aldus uitgewerkt, dat wil van een redelijk belang sprake zijn, de aanvrager lid moet zijn van een bij de KNSA aangesloten vereniging. Dat is een nadere invulling van de open norm (‘redelijk belang’) en niet het stellen van een buitenwettelijke voorwaarde. Dat de open norm niet is ingevuld in de Regeling wapens en munitie, doet aan het vorenstaande niet af.

De stelling van eiser dat de KNSA, door het invullen van de open norm ‘redelijk belang’ feitelijk de positie krijgt van een zelfstandig bestuursorgaan volgt de rechtbank niet. De bevoegdheid tot intrekking van het verlof blijft immers voorbehouden aan de Korpschef en niet aan de KNSA. Tegen het besluit van de Korpschef staat beroep open, zodat in de rechtsbescherming van de burger is voorzien.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder het belang bij intrekking van het verlof zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eiser, dat, naar gesteld, is gelegen in een belangrijke sociale functie binnen het verenigingsleven. Niet is gebleken dat eiser en zijn kameraden zich niet zouden kunnen aansluiten bij een KNSA-aangesloten schietvereniging.

Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder door het verplicht stellen van lidmaatschap van de KNSA haar grondrecht op vrije vereniging heeft geschonden (artikel 11 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, hierna: EVRM). Dit recht houdt volgens hem in het recht om zich niet tegen zijn zin te hoeven verenigen.

De in artikel 11, eerste lid, van het EVRM gewaarborgde vrijheid van vereniging omvat het recht zich niet te verenigen (Europese Hof voor de rechten van de Mens 27 april 2010, LJN: BN0888, EHRC 2010, 73, Ólafsson/IJsland). Van een inmenging in deze vrijheid is sprake in dit geval waarin een sportschutter alleen dan een wapenverlof krijgt als hij lid wordt van een schietvereniging die is aangesloten bij de KNSA (een vereniging) of waarin een schietvereniging alleen dan een verenigingsverlof krijgt als zij is aangesloten bij de KNSA. De vraag is of deze inmenging in de verenigingsvrijheid gerechtvaardigd is. Dat is het geval als zij is voorzien bij wet en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van onder meer de openbare veiligheid (artikel 11, tweede lid, van het EVRM).

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de beperking van de verenigingsvrijheid aan het vereiste dat zij is voorzien bij wet. De beperking volgt immers uit de voorwaarde in artikel 28, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wwm dat een redelijk belang de verlening van het verlof vordert, welke voorwaarde is uitgewerkt in de door verweerder in § B.2 van de Circulaire vastgelegde beleidsregels. Verder blijkt uit hetgeen hierboven is overwogen dat de openbare veiligheid sterk betrokken is bij het reguleren van het legale wapenbezit en dat deze openbare veiligheid ernstig wordt bedreigd als het legale wapenbezit niet aan strikte regels wordt gebonden. De hiervoor beschreven kenmerken van het raamwerk tot regulering van het legale wapenbezit acht de rechtbank aanvaardbaar. Voor zover deze meebrengen dat een sportschutter via zijn schietvereniging verplicht aangesloten moet zijn bij de KNSA, oordeelt zij dat de daaraan ten grondslag liggende redenen overtuigend en dwingend zijn. Dit betekent dat het beroep op artikel 11 van het EVRM wordt verworpen. Daarmee wordt ook het beroep op artikel 8 van de Grondwet, artikel 22 van het Internationaal Verdrag inzake de burgerrechten en politieke rechten en artikel 12, eerste lid, van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie verworpen, nu deze artikelen materieel hetzelfde onderwerp regelen.

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het intrekken van het verlof gebruik heeft gemaakt.

De stelling van eiser dat de melding door de Korpschef aan de KNSA van de weigering of intrekking van een verlof in strijd is met de Wet bescherming persoonsgegevens valt buiten de omvang van dit geding, nu de rechtbank slechts de rechtmatigheid van de intrekking van het verlof heeft te beoordelen.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

Reeds daarom is er geen grond voor toekenning van schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Awb.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4 Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.N. Crol, voorzitter, mr. D.J. Post en

mr. S.W. van Osch – Leysma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Bolzoni, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op:

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: