Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:2142

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
02-10-2012
Datum publicatie
22-04-2014
Zaaknummer
AWB-11_269
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:56, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Planschadebeoordeling. De rechtbank heeft de Stab benoemt als deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/269

uitspraak van de enkelvoudige kamer vanin de zaak tussen

[eisers], eisers, te [woonplaats],

(gemachtigde: mr. J.H.M. van Iersel),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld, verweerder.

Procesverloop

Bij besluiten van 15 en 16 juni 2010 heeft verweerder de aanvragen tot tegemoetkoming in de planschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) van [eisers A],[eiser B],[eisers C], [eisers D] en [eisers E] toegewezen tot een bedrag van € 6.000, € 4.000, € 4.000, € 2.000 respectievelijk € 2.000, exclusief wettelijke rente. Verweerder heeft de aanvragen van [eisers F], [eisers G],[eisers H], [eisers I], [eisers J],[eisers K], [eisers L], [eisers M], [eisers N], [eisers O], [eisers P], [eisers Q] afgewezen.

Bij besluit van 8 december 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen door eisers gezamenlijk gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de eerder genoemde besluiten van 15 en 16 juni 2010 gehandhaafd.

Tegen het bestreden besluit hebben eisers gezamenlijk beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2011. Eiser [naam] is verschenen, bijgestaan door mr. Van Iersel, voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.P. Berg, werkzaam bij de gemeente Barneveld.

De rechtbank heeft het onderzoek heropend en de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) als deskundige benoemd.

Op 24 mei 2012 heeft de StAB verslag uitgebracht waarop partijen hebben gereageerd.

Bij brief van 4 juli 2012 heeft eiser Van den Top nadere stukken overgelegd.

Nadat partijen toestemming hebben verleend om een nadere zitting achterwege te laten, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a en c, van de Wro, voor zover thans van belang, is een oorzaak, als bedoeld in het eerste lid, een bepaling van een bestemmingsplan en een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

2.Bij de beoordeling van een verzoek om zodanige tegemoetkoming dient te worden onderzocht of de verzoeker door wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de planologische maatregel, waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kon, onderscheidenlijk kan worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden, tenzij zodanige invulling met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten.

3.Eisers stellen dat de onroerende zaken die in hun eigendom zijn in waarde zijn gedaald als gevolg van de opeenvolgende planologische besluiten die de bouw van woonwijk Veller I, aangrenzend aan de woonpercelen van eisers, mogelijk hebben gemaakt. De ligging van de percelen aan de rand van de kern Barneveld grenzend aan een agrarisch gebied is gewijzigd in een ligging grenzend aan een woonwijk. Eisers stellen dat de nieuwe planologische maatregelen hun privacy aantasten en dat zij extra licht-, geluid- en geurhinder zullen ervaren als gevolg van de woon-, verblijfs- en verkeersfunctie. Daarnaast is de open, groene en landschappelijke ligging van woningen aangetast, is het vrije uitzicht verloren gegaan en is sprake van een verstening van de omgeving en wordt schaduwwerking ondervonden. Voor de percelen [percelen] stellen de betrokken eisers dat eveneens schade wordt geleden als gevolg van twee vrijstellingsbesluiten ex artikel 19, eerste lid, van de WRO van 8 maart 2007 en 14 december 2006 ten behoeve van de bouw van twee kerkgebouwen. Eisers stellen dat als gevolg van de bouw van de kerken sprake is van een hinderlijke schittering van het dak en van geluidsoverlast als gevolg van het parkeren bij de kerken op zondag.

4.Medio juli 2009 hebben eisers ieder afzonderlijk een planschadeverzoek ingediend. Verweerder heeft ter beoordeling van deze verzoeken advies gevraagd aan het bureau Langhout & Wiarda te Oranjewoud (hierna: L&W). Bij de primaire besluiten van 15 en 16 juni 2010 heeft verweerder overeenkomstig de (definitieve) adviezen van L&W van 10 mei 2010 per aanvrager besloten de aanvraag af te wijzen of een tegemoetkoming in de planschade toe te kennen. Tegen deze besluiten hebben eisers bezwaar gemaakt, zowel wat betreft de afwijzing als de toekenning om een tegemoetkoming in de schade. De gemachtigde van eisers heeft aan Gloudemans te Rosmalen een second opinion over het advies van L&W gevraagd voor twee door hem als representatief aangegeven aanvragers. Dit betreft de percelen [perceel 1] en [perceel 2].

In september 2010 heeft Gloudemans geconcludeerd dat de schade van de familie [perceel 2] en [perceel 1] € 17.000 respectievelijk € 27.300 bedraagt. Op verzoek van verweerder heeft L&W daarop bij schrijven van 5 oktober 2010 gereageerd. Daaruit blijkt dat de contra-expertise geen aanleiding vormt om op de eerder uitgebrachte adviezen terug te komen. Verweerder heeft zich hieraan geconformeerd en de primaire besluiten van 15 en 16 juni 2010 in bezwaar gehandhaafd.

5.Kern van het beroep is dat eisers zich niet kunnen verenigen met de wijze van beoordelen van de voornoemde aanvragen door verweerder, onder andere wat betreft de maximale invulling van de planologische regimes en de wijze waarop de planologische voor- en nadelen zijn gesaldeerd.

6.De rechtbank heeft de StAB opdracht gegeven een onderzoek in te stellen naar de (planschade-)aspecten die relevant zijn voor de beoordeling van het bestreden besluit. De StAB heeft, kort samengevat, geconcludeerd dat als gevolg van de vrijstellingsbesluiten van 22 oktober 2007 en 10 maart 2008 en het bestemmingsplan “Veller I” sprake is van een planologisch nadeliger situatie. Als gevolg van de vrijstellingsbesluiten van 14 december 2006 en 8 maart 2007 voor de bouw van de kerkgebouwen “De Hoeksteen” en “Abdullamkerk” is geen sprake van planologisch nadeel. Vervolgens heeft de StAB de heer A. van den Bor van Makelaardij Aart van den Bor te Hoevelaken ingeschakeld om de omvang van de planschade te bepalen. Door de taxateur zijn de waarden van de woningen in de oude en in de nieuwe planologische situatie bepaald op drie relevante peildata. De eerste waarden zijn bepaald per peildatum 26 oktober 2007, de dag waarop het vrijstellingsbesluit voor de groenstrook en het bouwrijp maken rechtskracht heeft verkregen. De tweede waarden zijn bepaald per peildatum 17 maart 2008, de dag waarop het vrijstellingsbesluit voor de bouw van de woningen in de clusters A, B en D rechtskracht heeft verkregen. Tot slot zijn de waarden bepaald per peildatum 12 juni 2009, de dag waarop het bestemmingsplan “Veller I” rechtskracht heeft verkregen. Vanaf de hiervoor genoemde peildata gold het nieuwe planologische regime. Direct daarvoor golden nog de oude planologische regimes. Bij de taxaties heeft de taxateur zich gebaseerd op de planvergelijking uit het advies van de StAB.

7.Ten aanzien van de vergoedbaarheid van de schade in verband met het normaal maatschappelijk risico heeft de StAB geconcludeerd dat, voor zover de schade het gevolg is van de vrijstelling van 22 oktober 2007 tot de aanleg van de groenstrook en het bouwrijp maken en de vrijstellingen van 10 maart 2008 voor de bouw van de woningen in cluster A, B en D de Wro van toepassing is met uitzondering van het bepaalde in artikel 6.2, lid 2. Voor zover de schade het gevolg is van het bestemmingsplan “De Veller I” is de Wro onverkort van toepassing. Artikel 6.2, eerste lid, van de Wro bepaalt dat binnen het normaal maatschappelijk risico vallende schade voor rekening van de aanvrager blijft. In lid 2 wordt vervolgens, voor zover hier van belang, gesteld dat in ieder geval voor rekening van de aanvrager blijft een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade (de minimum-forfaitregel). Het voorgaande heeft geresulteerd in de tabellen op blz. 48-50 van het StAB-verslag waarin de waardedaling als gevolg van de hiervoor genoemde planologische wijzigingen per eiser en per peildatum inzichtelijk is gemaakt. Daaruit blijkt dat eisers[eisers A tot en met N en Q] zijn geconfronteerd met een waardedaling van respectievelijk € 15.000, € 12.000, € 16.500, € 10.440, € 12.500, € 12.500, € 10.670, € 7.500, € 17.500, € 17.500, € 17.500, € 17.500, € 17.500, € 17.500 en € 17.500. Voor eisers [eisers O en P] komt het geconstateerde geringe planologische nadeel niet tot uitdrukking in een daling van de waarde van de onroerende zaak.

8.Voorop gesteld moet worden dat de StAB is te beschouwen als een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade en dat de rechtbank in beginsel op het uitgebrachte deskundigenbericht mag afgaan. Dat is slechts anders indien het deskundigenbericht onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd. Daarvan is in dit geval geen sprake. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

9.Ten aanzien van de objecten [percelen] hebben betrokken eisers gesteld dat de StAB de hinderlijke lichtschittering van het kerkdak en torenspits ten onrechte niet bij de planvergelijking heeft betrokken. Voorts kunnen deze eisers de conclusie van de StAB dat de licht-, geur en geluidhinder die zij ondervinden van het meest nabij gelegen parkeerterrein in belangrijke mate teniet wordt gedaan door de tussengelegen aanwezigheid van een vrijstaand woonhuis, niet volgen. Dit geldt ook voor de conclusie van de StAB dat de toename van één woning naar drie woningen geen wezenlijke planologische verzwaring betekent, omdat bij de oorspronkelijke woning kennelijk bijgebouwen konden worden opgericht. Eisers wijzen erop dat het toestaan van twee extra woningen tot gevolg heeft dat de gebruiksintensiteit (inclusief de verkeersbewegingen) is verdrievoudigd.

9.1.Ten aanzien van de stelling van eisers dat zij hinder ondervinden van de schittering van de zon op het dak van de kerk en de torenspits is de rechtbank met de StAB van oordeel dat dit een uitvoeringsaspect van de planologische maatregel betreft en niet van de planologische maatregel op zich, zodat hiermee in de planvergelijking geen rekening hoeft te worden gehouden. Bij de beoordeling van een planschadeverzoek dienen de maximale bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van het oude en nieuwe planologische regime met elkaar te worden vergeleken. Daarbij zijn uitvoerings- c.q. welstandsaspecten niet relevant.

Niet in geschil is dat het bij de kerk behorende parkeerterrein is gesitueerd op een afstand van ongeveer 125 meter van de woningen van eisers. Op de tussengelegen gronden is de bestemming “Woning” van toepassing. Volgens de StAB is de mogelijke hinder van het parkeerterrein bij een maximale invulling van het planologische regime op de tussengelegen gronden beperkt. Hoewel, aldus de StAB, de gebruiksintensiteit van de gronden door de vrijstelling toeneemt, is er, vanwege de grote afstand, van het parkeerterrein tot de woningen van eisers en de bebouwingsmogelijkheden op de tussengelegen gronden, geen sprake van planologisch nadeel. De door eisers gestelde licht-, geur en geluidhinder acht de rechtbank, gelet hierop, niet zodanig ernstig dat wel van een dergelijk nadeel moet worden gesproken. Ook de mogelijkheid van de bouw van drie woningen op een afstand van ongeveer 45 meter van de percelen van eisers, levert geen planologisch nadeel op. Met de StAB stelt de rechtbank vast dat in het oude planologische regime de gronden eveneens waren bestemd voor “Woning”, voor de bouw van één woning met bijgebouwen. Hoewel het aantal woningen in het nieuwe planologische regime is toegenomen is er van vanwege de afstand van de nieuw te bouwen woningen tot de percelen van eisers en de reeds bestaande bouwmogelijkheden onder het oude planologische regime, geen sprake van planologisch nadeel voor eisers. Daaraan voegt de rechtbank toe dat de gronden direct grenzend aan de woningen van eisers een agrarische bestemming hadden (en hebben) waarvan ook intensief gebruik kon en kan worden gemaakt met de daarbij behorende verkeersbewegingen.

10.Verweerder is het niet eens met de door de StAB aan de oude situatie gegeven kwalificatie van “open agrarisch gebied”. Daarbij is volgens hem ten onrechte geen rekening gehouden met de voorheen bestaande mogelijkheid van agrarische bedrijfsvoering en de daarbij behorende geur-, geluid- en stofhinder. In dit verband stelt verweerder dat, anders dan de StAB, onder het oude planologische regime niet-grondgebonden agrarisch gebruik (intensieve veehouderijbedrijven) wel was toegestaan. Verder betoogt verweerder dat bij een vergelijking van WRO-bestemmingsplannen ook de niet-gerealiseerde binnenplanse vrijstellingen moet worden betrokken. Voor zover de toepassing van het normaal maatschappelijk risico niet is betwist, acht verweerder het juist relevant om nader in te gaan op de effecten daarvan op de beoordeling van de aanvragen en op de bedragen die worden toegekend. Daarnaast erkent verweerder dat het door hem ingebrachte onderzoek van Roest Advies van januari 2011 niet is gebaseerd op een planvergelijking, maar volgens hem geeft dit onderzoek wel antwoord op de vraag of het verdwijnen van het (vrije) uitzicht op agrarisch gebied effect heeft gehad op de waarde van de woningen. Tot slot stelt verweerder dat zowel de taxaties als het StAB-verslag een duidelijke omschrijving ontbeert van de schadeoverwegingen, zoals omgevingsfactoren/situeringswaarde, hinder en overlast, uitzicht, bezonning, privacy en dergelijke.

10.1.Vastgesteld wordt dat de StAB bij de planologische vergelijking van de opeenvolgende planologische regimes, die gezamenlijk de nieuwe woonwijk mogelijk hebben gemaakt, per planologisch besluit (en dus per peildatum) een planologische vergelijking heeft gemaakt tussen de planologische situaties zoals deze golden onmiddellijk voor en na inwerkingtreding van het desbetreffende gesteld schadeveroorzakende planologische besluit. De rechtbank begrijpt de door de StAB gekozen kwalificatie “open agrarisch gebied” aldus dat deze veeleer is bedoeld om het onderscheid tussen de oude situatie (agrarisch gebied) en de nieuwe situatie (woonwijk) duidelijk aan te geven. Deze kwalificatie is niet gebaseerd op de planvergelijking. Beter was het wellicht geweest om te spreken over “agrarisch gebied”. Onder verwijzing naar de Afdelingsuitspraak van 1 augustus 2012 in zaak nr. 201108638/1, is de rechtbank van oordeel dat het betoog van verweerder dat bij een vergelijking van WRO-bestemmingsplannen ook de niet-gerealiseerde binnenplanse ontheffingen moet worden betrokken, faalt. Ook in hetgeen verweerder voor het overige heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het verslag van de StAB onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd.

11.Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb te worden vernietigd. Ten aanzien van eisers [eisers O en P] ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten. Daartoe overweegt de rechtbank dat verweerder het verzoek om tegemoetkoming in de planschade van deze eisers, zij het op basis van een andere motivering, terecht heeft afgewezen. Voorts ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb ten aanzien van de overige eisers zelf in de zaak te voorzien door de primaire besluiten van 15 en 16 juni 2010 te herroepen en te bepalen dat aan deze eisers een tegemoetkoming in de schade wordt toegekend tot een bedrag zoals hierna in het dictum is opgenomen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag waarop de aanvraag is ontvangen tot aan de dag van algehele voldoening.

12.Nu eisers (in bezwaar) hun verzoek om vergoeding van gemaakte deskundigenkosten (Gloudemans) niet met een factuur hebben onderbouwd, is de rechtbank niet in staat om op de voet van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht de hoogte van het te vergoeden bedrag vast te stellen. De rechtbank acht wel termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 1.092,50 aan kosten van verleende rechtsbijstand in beroep (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting en 0,5 punt voor de zienswijze naar aanleiding van het StAB-verslag). Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

13.Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 8 december 2010 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit ten aanzien van eisers [eisers O en P] geheel in stand blijven;

bepaalt dat aan eisers [eisers A] een tegemoetkoming in de schade wordt toegekend van € 15.000;

bepaalt dat aan eiser [eiser B] een tegemoetkoming in de schade wordt toegekend van € 12.000;

bepaalt dat aan eisers [eisers C] een tegemoetkoming in de schade wordt toegekend van € 16.500;

bepaalt dat aan eisers [eisers D] een tegemoetkoming in de schade wordt toegekend van € 10.440;

bepaalt dat aan eisers [eisers E] een tegemoetkoming in de schade wordt toegekend van € 12.500;

bepaalt dat aan eisers [eisers F] een tegemoetkoming in de schade wordt toegekend van € 12.500;

bepaalt dat aan eisers [eisers G] een tegemoetkoming in de schade wordt toegekend van € 10.670;

bepaalt dat aan eisers [eisers Q] een tegemoetkoming in de schade wordt toegekend van € 7.500;

bepaalt dat aan eisers [eisers N] een tegemoetkoming in de schade wordt toegekend van € 17.500;

bepaalt dat aan eisers [eisers L] een tegemoetkoming in de schade wordt toegekend van € 17.500;

bepaalt dat aan eisers [eisers H] een tegemoetkoming in de schade wordt toegekend van € 17.500;

bepaalt dat aan eisers [eisers I] een tegemoetkoming in de schade wordt toegekend van € 17.500;

bepaalt dat aan eisers [eisers M] een tegemoetkoming in de schade wordt toegekend van € 17.500;

bepaalt dat aan eiser[eisers J] een tegemoetkoming in de schade wordt toegekend van € 17.500;

bepaalt dat aan eisers [eisers K] een tegemoetkoming in de schade wordt toegekend van € 17.500;

bepaalt dat ieder hiervoor genoemd bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag waarop de aanvraag is ontvangen tot aan de dag van algehele voldoening;

herroept de primaire besluiten van 15 en 16 juni 2010 ten aanzien van [eisers A tot en met N en Q];

veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten tot een bedrag van

€ 1.092,50;

bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht ten bedrage van € 150 aan hen vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.A. Nijmeijer, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. P. van der Stroom, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op .

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: