Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:1826

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
09-08-2012
Datum publicatie
05-06-2014
Zaaknummer
AWB-12_1578
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op verzoek gepubliceerd, geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

registratienummers: AWB 12/1578, 12/1687 en 12/1688

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 9 augustus 2012

inzake

[X], wonende te [Z], eiser,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Randmeren, kantoor Almere, verweerder.

1 Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser de volgende navorderingsaanslagen en beschikkingen heffingsrente opgelegd:

  • -

    een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2005 (aanslagnummer [000].H.57), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.411. Tevens is bij beschikking € 2.603 aan heffingsrente in rekening gebracht;

  • -

    een navorderingsaanslag IB/PVV 2006 (aanslagnummer [000].H.67), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 48.506. Tevens is bij beschikking € 2.730 aan heffingsrente in rekening gebracht;

  • -

    een navorderingsaanslag IB/PVV 2007 (aanslagnummer [000].H.77), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.774. Tevens is bij beschikking € 1.549 aan heffingsrente in rekening gebracht;

  • -

    een navorderingsaanslag Premie Ziekenfondswet 2005 (aanslagnummer [000].S.57), berekend naar een premie-inkomen van € 21.050. Tevens is bij beschikking € 349 aan heffingsrente in rekening gebracht;

  • -

    een navorderingsaanslag Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2007 (aanslagnummer [000].W.77), berekend naar een bijdrage-inkomen van € 30.623. Tevens is bij beschikking € 85 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 5 maart 2012:

  • -

    de navorderingsaanslag IB/PVV 2005 verminderd en berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.442;

  • -

    de navorderingsaanslag IB/PVV 2006 verminderd en berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.519.

De beschikkingen heffingsrente zijn dienovereenkomstig verminderd. Tevens is aan eiser een proceskostenvergoeding van € 654 toegekend. De overige navorderingsaanslagen en daarbij opgelegde beschikkingen heffingsrente zijn gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brieven van 3 april 2012 en 16 april 2012 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2012 te Arnhem. Namens eiser zijn daar verschenen [gemachtigde] en [A], beiden verbonden aan [B] te [Q]. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] en [C].

Eiser heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan de rechtbank en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. Eiser heeft ter zitting een aanvullende pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

Het beroep is ter zitting gelijktijdig behandeld met het beroep van [D] (registratienummer: AWB 12/1536).

2 Feiten

Eiser en [D] dreven in de in geding zijnde jaren een onderneming in de vorm van een vennootschap onder firma onder de naam ‘[E] V.O.F.’ (hierna: de vof). In deze vof werd een cafetaria dan wel snackbar geëxploiteerd.

Op 12 mei 2009 is bij de vof aangekondigd dat er een boekenonderzoek zou plaatsvinden. Dit onderzoek is gestart op 29 juni 2009 en afgerond op 30 november 2010. In het hiervan opgemaakte rapport is onder meer het volgende vermeld:

‘ (…)

4 Winstberekening

4.1

Bedrijfsopbrengsten

4.1.1

Beoordeling kassa

In de onderneming van belastingplichtige staat een kasregister, merk [F].

Door belastingplichtige wordt dagelijks een Z-afslag gemaakt vanuit het kasregister. Deze Z-afslag wordt als basis gebruikt voor de omzetverantwoording.

De Z-afslag is een verdichte weergave van de aangeslagen bedragen. Het betreft een electronische kassa.

Van elke aanslag worden detailgegevens op het kasregister opgeslagen. Deze detailgegevens zijn onderdeel van de administratie en dienen dientengevolge digitaal 7 jaar bewaard te blijven. Het bewaren van kassarapporten is in deze niet voldoende. Deze zijn niet binnen redelijke termijn te controleren.

Betreffende de controleperiode zijn geen kassagegevens bewaard gebleven. Tijdens de controle is een rapport met de nog in de kassa aanwezige gegevens geprint. Deze gaf slechts de gegevens van de laatste weken weer.

Door belastingplichtige is aangegeven dat hij niet op de hoogte was van de werking en instellingen van het kasregister. (…)

Voor wat betreft de transactiegegevens vanuit het kasregister is niet voldaan aan de administratie- en bewaarplicht.

4.1.1.1 Beoordeling kas 2005

In het jaar 2005 is de kas niet juist bijgehouden. Gedurende het jaar zijn maar op 42 data 58 bedragen in het kasboek geboekt. De omschrijving van elke boeking geeft aan Cjp-boeking. In het kasboek zijn 1.701 boekingen aangetroffen. Dit impliceert dat vanuit de kasboek de boekingen verdicht in het grootboek worden weergegeven. (…) Door het boeken op slechts enkele data en het verdichten van diverse grootboekrekeningen zijn rechtstreekse aansluitingen lastig te maken. (…) Voor wat betreft de wijze van boeken en verdichten wordt voor het jaar 2005 niet aan de administratieplicht voldaan.

4.1.1.2 Beoordeling kas 2006

Ook in dit jaar treffen we een ongeveer gelijke boekingsgang als in 2005 aan. In 2006 wordt echter in het veld omschrijving ook de juiste datum niet weergegeven zodat in dat jaar een volledige analyse, zelfs als je daar onevenredig veel tijd in wilt steken, niet mogelijk is.

In 2006 loopt het kassaldo op van € 200 op 1 januari tot € 23.431 op 31 december. Door belastingplichtige is tijdens het inleidend gesprek verklaard dat dagelijks met een saldo van € 200 wordt gestart en dat wekelijks het overtollige kassaldo wordt afgestort bij de bank.

Een kassaldo van € 23.431 op 31 december is dan ook niet aannemelijk. In de jaarstukken bij de aangifte inkomstenbelasting wordt aangegeven dat het kassaldo op 31 december 2006 € 200 bedraagt. (…)

Voor wat betreft de wijze van boeken en verdichten wordt voor het jaar 2005 niet aan de administratieplicht voldaan.

4.1.1.3 Beoordeling kas 2007

In 2007 is de administratie bijgehouden door de vorige adviseur van belastingplichtige. De overgelegde digitale administratie sluit voor wat betreft de kas niet aan op de administratie over 2007 en op de aangifte inkomstenbelasting over 2007. Door de nieuwe adviseur wordt gestart met een beginsaldo van € 34.882. Dit saldo is niet realistisch. (…) Door belastingplichtige is aangegeven dat een beginsaldo van € 15.000 ongeveer zou kloppen. (…)

Gedurende het jaar zijn door de boekhouder diverse kasverschillen weggeboekt. Het hoogste verschil

bedraagt € 34.601. Dit was volgens de heer [G] een aansluitingsverschil met de bank. Deels wordt

met deze boekingen het te hoge beginsaldo rechtgetrokken. Daarnaast is aan het eind van het jaar een

kasverschil van € 6.488 als privé-storting rechtgetrokken. Er is dus meer geld ontvangen als administratief

verantwoord. Deze meerontvangsten zijn door de boekhouder verantwoord als privé-stortingen.

Gezien het vorenstaande geeft de bijgehouden kasadministratie over 2007 geen getrouw beeld. Er is op dit

punt niet voldaan aan de administratieplicht.

(…)

4.1.3

Vergelijking bruto winst met branchegegevens.

Bij de onderstaande brutowinstcijfers is uitgegaan van de brutowinst ten opzichte van de inkoopprjs.

De door belastingplichtige aangegeven bruto winst is vergeleken met de branchegegevens van onder andere het Bedrijfschap Horeca. Hierbij is uitgegaan van cijfers van vergelijkbare ondernemingen met een

vergelijkbare omzet.

Belastingplichtige staat bij de Kamer van Koophandel ingeschreven als een cafetaria. Daarnaast adverteert

belastingplichtige met de naam Cafetaria “[E]”. Ook de website van belastingplichtige en de

prijsfolders gaan uit van een cafetaria. Een cafetaria onderscheidt zich van een snackbar door onder

andere een hogere omzet, de mogelijkheid om diverse broodjes en hele maaltijden te bestellen en de

mogelijkheid tot het ter plaatse nuttigen van maaltijden. Belastingplichtige heeft in de zaak een aantal tafels

en stoelen staan en daarnaast is er sprake van een terras met een aantal tafels en stoelen. Gezien de

prijslijsten, folders en internet is het mogelijk bij belastingplichtige uit een redelijk assortiment van belegde broodjes te kiezen, maaltijden te bestellen en deze in de zaak te nuttigen. Ook worden er broodjes bezorgd

aan bedrijven.

(…)

Een snackbar is een eetgelegenheid waar men voornamelijk snacks (frites, kroket, fricandel ed) kan kopen en nuttigen. Als er wat zitplaatsen zijn en de menukaart wat uitgebreider is, men er koffie, belegde broodjes, eenvoudige maaltijden ed kan kopen is er sprake van een cafetaria. Als je naar de branchegegevens kijkt zie je dat een snackbar in een lagere omzetcategorie valt dan een cafetaria. In het trendrapport 2006 van het Bedrijfschap Horeca wordt bij een snackbar uitgegaan van een gemiddelde omzet van € 95.000 en bij een cafetaria van € 300.000. Het CBS en Bedrijfschap Horeca gaan bij hun cijfers over het jaar 2004 uit van een gemiddelde omzet van een snackbar van € 80.000 en van een cafetaria van € 315.000. Belastingplichtige zit met zijn omzet voor correctie in 2006 op € 363.000.

Uitgaande van de cijfers van het CBS en het bedrijfschap horeca is de gemiddelde vloeroppervlakte van

een cafetaria 48 m2. Hoewel we het niet nagemeten hebben is door ons visueel geconstateerd dat het

cafetaria van belastingplichtige een vloeroppervlakte heeft dat daar niet veel van afwijkt, daarnaast is er

buiten nog een terras met tafels en stoeltjes.

(…) Ons inziens is er sprake van een cafetaria.

Uitgaande van de branchegegevens van een cafetaria zou de brutowinst over het totale assortiment tussen

de 163% en 233% moeten uitkomen.

Brutowinstpercentages

van de inkoop

van de omzet

Bron

Minimaal

maximaal

minimaal

maximaal

Rabobank cijfers en trends 2005

184,9%

184,9%

64,90%

64,90%

Bedrijfschap horeca / CBS 2003

170,3%

203,0%

63%

67%

Bedrijfschap Horeca / CBS 2005

163,2%

203,0%

62%

67%

Kenniscentrum Horeca 2005

185,7%

233,3%

65%

70%

Kenniscentrum horeca 2009

163,2%

203,0%

62%

67%

(…)

Door belastingplichtige is, middels zijn voormalige adviseur, aangegeven dat er sprake is van een snackbar en dat op basis van de branchegegevens voor een snackbar de brutowinst 166% bedraagt.

Door de huidige adviseur is aangegeven dat er sprake is van een snackbar en dat de brutowinstpercentages inzake snackbars volgens de branchegegevens tussen de 150% en 178% zouden moeten liggen (60% - 64% als dit wordt berekend ten opzichte van de omzet).

Uitgaande van de cijfers uit de administratie van belastingplichtige bedraagt de aangegeven brutowinstmarge over de jaren 2005 tot en met 2007 respectievelijk 126,9%, 132,9% en 145,7%.

Gegevens administratie belastingplichtige

 

j 2005

j 2006

j 2007

Omzet 6%

€ 287.171

€ 313.267

€ 373.081

Omzet 19%

€ 25.977

€ 18.052

€ 16.862

Omzet 0%

€ 26.998

€ 31.810

€ 31.123

Totale omzet

€ 340.145

€ 363.128

€ 421.066

2

Inkopen

€ 106.759

€ 114.739

€ 128.206

Inkopen verpakkingsmateriaal

€ 7.884

€ 8.976

€ 9.999

Inkopen 19%

€ 10.007

€ 10.995

€ 12.455

Inkopen 0%

€ 33.152

€ 30.184

€ 30.713

Inkopen excl verp materiaal

€ 149.919

€ 155.918

€ 171.374

BW laag

€ 180.412

€ 198.527

€ 244.875

BW hoog

€ 15.696

€ 7.057

€ 4.407

BW 0%

€ 6.154-

€ 1.626

€ 410

BW totaal excl verp

€ 190.227

€ 207.210

€ 249.692

BW% laag

169,0%

173,0%

191,0%

BW% hoog

159,6%

78,6%

44,1%

BW% 0%

-18,6%

14,8%

3,3%

BW% totaal

126,89%

132,90%

145,70%

Deze behaalde brutowinst is zowel ten opzichte van de branchegegevens van een cafetaria als ten opzichte van de door belastingplichtige aangegeven branchegegevens van een snackbar veel te laag.

Kijkend naar de behaalde brutowinst over de verschillende soorten omzet valt ook op dat dit niet juist bijgehouden kan zijn.

(…)

4.1.5

Goederenbeweging

Door ons is bij de leverancier een digitaal bestand van de geleverde producten opgehaald. Uitgaande van

dit bestand, cijfers inzake hoeveelheden porties frites, ijs en milkshakes volgens Misset Horeca en de door

belastingplichtige gehanteerde prijzen is voor een groot aantal producten een goederenbeweging gemaakt.

Deze goederenbeweging is in december 2009 digitaal aan de huidige adviseur verstrekt. Deze had

aangegeven de goederenbeweging te gaan beoordelen. Nadien heeft de adviseur tijdens diverse

gesprekken aangegeven de goederenbeweging door te nemen.

Tijdens de laatste bespreking, op 9 november 2010, bleek dat er door de adviseur nog niet naar was

gekeken. Hij had alleen een berekening gemaakt inzake een omzetderving op foodbuckets, deze in

mindering gebracht op de berekening inzake de behaalde brutowinst door belastingplichtige en dat

vergeleken met de brutowinstcijfers welke voor een snackbar zouden gelden.

Na 9 november is de goederenbeweging nogmaals doorgenomen en ten opzichte van de digitaal verstrekte

goederenbeweging op een paar punten aangepast. Zo is bij de verkoop van frites rekening gehouden met

een verlies van 10% en bij de verkoop van schaafijs en softijs is rekening gehouden met een verlies van

20%. Verder zijn extreme BW% als gevolg van samengestelde producten buiten de goederenbeweging

gehouden.

Onderstaand staat de uitwerking van de berekening van het brutowinstcijfer uitgaande van de goederenbeweging

 

j 2005

j 2006

j 2007

Inkopen in goederenbeweging

€ 78.009

€ 78.792

€ 89.583

Omzet volgens goederenbeweging

€ 317.083

€ 364.314

€ 386.930

BW volgens goederenbeweging

€ 239.074

€ 285.522

€ 297.346

BW% van de inkoop

306,47%

362,37%

331,92%

BW% van de omzet

75,40%

78,37%

76,85%

Volgens de adviseur wordt dit brutowinstcijfer verstoord door de verkoop van foodbuckets tegen een veel te

lage prijs.

In een foodbucket DFM 130 gaan volgens hem 10 normale patatjes en 4 kroketten of frikadellen. De

verkoopprijs van zo’n bucket bedraagt € 6.50.

In een foodbucket DFM 85 gaan volgens hem 7 normale patatjes. De verkoopprijs van zo’n bucket met

patat bedraagt € 4,25.

Door ons zijn de inhoudsmaten van een foodbucket nagegaan bij de leverancier. De DFM 130 heeft een

inhoudsmaat van 3 liter en de DFM 85 van 2 liter.

Een plastic bakje A7 waar frites ingaan heeft een afmeting van 12,5 cm x 10,0 cm x 3,5 cm. Dit is een

inhoud, zonder kop erop, van 437,5 cm^3 ofwel 0,43 liter. Hierbij is nog geen rekening gehouden met het

deel voor de saus. Volgens de leverancier gaat er in zo’n bakje 250 gram afgebakken patat. Patat heeft een

gemiddeld inbakverlies van 25% (bron Misset Horeca), dus aan ongebakken patat is dat 333,33 gram. Dit is omgerekend 3 patatjes uit een kilo. Een kilozak ongebakken patat is ongeveer 1,5 liter (zelf nagemeten).

Gebakken zal dit ongeveer 1,3 liter zijn (geschat). In de foodbucket DFM 85 gaan theoretisch 4,7 normale

patatjes en in DFM 130 gaan theoretisch 6,9 normale patatjes.

Op 16 november is ter controle een bezoek gebracht aan het cafetaria. Mevrouw [D], één van de

vennoten, verklaarde dat er in een foodbucket DFM 85 ongeveer 5 bakjes patat gaan en in een foodbucket

DFM 130 ongeveer 7. Om dit aan te tonen heeft ze laten zien dat in een bakje patat 1 schep ging. In de foodbucket DFM 130 gingen 7 scheppen en in de DFM 85 gingen 5 scheppen. Ze verklaarde verder dat de kroketten of fricandellen in een afzonderlijke zak worden meegegeven.

De theoretische benadering en het daadwerkelijk volscheppen van de foodbuckets geven een ander beeld dan ons door de huidige adviseur, zowel mondeling als op papier, is voorgehouden. De omzetderving is een stuk lager.

Om een goede vergelijking vanuit de goederenbeweging naar de behaalde brutowinst en branchegegevens te maken moet echter wel met deze omzetderving rekening gehouden worden. Verder is in de brutowinst ook verkoop rookwaren verdisconteerd. De brutowinst op rookwaren ligt tussen de 8% en 10% van de inkoopwaarde. Dit heeft een negatieve invloed op de brutowinst.

Vanuit de goederenbeweging is een theoretische benadering gemaakt waarbij met het bovenstaande rekening is gehouden.

 

j 2005

j 2006

j 2007

Inkopen in GB

€ 78.009

€ 78.192

€ 89.583

Inkopen rookwaar

€ 33.152

€ 30.184

€ 30.713

Inkoop in GB + rookwaar

€ 111.161

€ 108.976

€ 120.297

Omzet in GB

€ 317.083

€ 364.314

€ 386.930

Omzetderving foodbuckets

€ 21.360-

€ 25.234-

€ 25.479-

Omzet rookwaar (BW 8%)

€ 35.804

€ 32.599

€ 33.170

Theoretische omzet in GB

€ 331.526

€ 371.679

€ 394.621

BW

€ 220.365

€ 262.703

€ 274.324

BW% van inkoop

198,2%

241,1%

228,0%

BW% van verkoop

66,5%

70,7%

69,5%

Uitgaande van de cijfers uit de administratie van belastingplichtige bedraagt de aangegeven brutowinst over de jaren 2005 tot en met 2007 respectievelijk 126,9%, 132,9% en 145,7% van de inkoopwaarde.

Het brutowinstpercentage vanuit de goederenbeweging is een stuk hoger dan volgens de administratie van belastingplichtige en jaarstukken behaalde percentages.

Niet alle inkopen zijn meegenomen in de goederenbeweging. Onderstaand staat het bedrag aangegeven van de inkoop welke niet is meegenomen in de goederenbeweging en de omzet welke volgens de jaarstukken zou resteren na aftrek van de theoretische omzet volgens de goederenbeweging.

j 2005

j 2006

j 2007

Inkopen volgens jaarstukken

€ 149.919

€ 155.918

€ 171.374

Inkopen meegenomen in berekening

€ 111.161

€ 108.976

€ 120.297

Nog niet meegenomen inkopen

€ 38.757

€ 46.942

€ 51.078

Omzet volgens jaarstukken

€ 340.145

€ 363.128

€ 421.066

Theoretische omzet goederenbeweging

€ 331.526

€ 371.679

€ 394.621

Rest omzet

€ 8.619

€ 8.551-

€ 26.445

De inkopen van de disposals en verpakkingsmaterialen zijn uit bovenstaande bedragen geëlimineerd.

Het komt zeer onwaarschijnlijk voor dat met de inkopen welke niet zijn meegenomen in de theoretische benadering vanuit de goederenbeweging een zo lage omzet wordt behaald als hier boven is aangegeven.

(…)

4.1.7

Conclusie opbrengstverantwoording

Kijkend naar de voorstaande punten heeft belastingplichtige niet volledig voldaan aan de verplichtingen

ingevolge artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. (…)

Dit impliceert dat bij een eventuele procedure deze tekortkomingen omkering van de bewijslast tot gevolg

heeft op grond van artikel 25 of 27 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Gezien het vorenstaande kan geen vertrouwen worden ontleend aan de omzetverantwoording. Deze zal

dan ook theoretisch vastgesteld worden.

Om tot een theoretische omzet te komen is gekeken naar en rekening gehouden met;

  • -

    het feit dat er sprake is van een cafetaria;

  • -

    de brutowinstpercentages zoals deze gelden binnen de branche;

  • -

    de prijzen die belastingplichtige hanteert;

  • -

    de goederenbeweging;

  • -

    de omzetderving van de foodbuckets;

  • -

    eigen gebruik en verlies boven op hetgeen is meegenomen in de goederenbeweging;.

Het brutowinstpercentage is, rekening houdend met vorenstaande gesteld, op 170% van de inkoopwaarde.

(…)

Dit leidt tot de volgende berekening van de correctie.

 

j 2005

j 2006

j 2007

Inkoop totaal

€ 149.919

€ 155.918

€ 171.374

Bruto winst 170%

€ 254.862

€ 265.061

€ 291.336

Theoretische omzet

€ 404.780

€ 420.979

€ 462.711

Aangegeven omzet

€ 340.145

€ 363.128

€ 421.066

Correctie meer omzet

€ 64.635

€ 57.851

€ 41.645

(…)

Correctie winst

€ 64.635

€ 57.851

€ 41.645

(…)

Bij het opleggen van de in geding zijnde navorderingsaanslagen is van deze winstcorrectie, overeenkomstig de tussen de vennoten overeengekomen winstverdeling, 50% aan eiser toegedeeld.

3 Geschil

In geschil is of eiser zijn administratieplicht en bewaarplicht heeft geschonden en of de winstcorrecties terecht en tot de juiste bedragen zijn aangebracht.

4 Beoordeling van het geschil

De eerste vraag die moet worden beantwoord is of eiser heeft voldaan aan de administratieplicht en bewaarplicht van artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). De rechtbank is van oordeel dat eiser hieraan niet heeft voldaan en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat in de onderneming van eiser (vrijwel) alle verkooptransacties per kas worden verricht. Als gevolg daarvan vormt de kasadministratie een belangrijk onderdeel van de administratie.

Eiser beschikt over een kasregister en maakt dagelijks vanuit dit kasregister een zogenoemde Z-afslag. Deze Z-afslagen worden door eiser gebruikt als basis voor de omzetverantwoording. De detailgegevens die in het kasregister kunnen worden opgeslagen zijn echter niet bewaard. Hiermee heeft eiser niet voldaan aan zijn bewaarplicht. Dat later is gebleken dat niet alle detailgegevens bewaard hadden kunnen worden als gevolg van een defect in het kasregister, komt voor zijn risico. Dat eiser in de jaren in geding nog niet volledig op de hoogte was van de mogelijkheden van het in de onderneming aanwezige kasregister, komt eveneens voor zijn risico.

De rechtbank twijfelt niet aan de juistheid van de stelling van eiser dat de administratie geordend in mappen was opgeborgen. Tijdens het boekenonderzoek is over de wijze waarop de administratie is geordend ook geen opmerking gemaakt. Een geordende administratie is echter op zichzelf beschouwd niet voldoende om aan de administratieplicht van artikel 52 van de AWR te voldoen.

De rechtbank overweegt verder dat voor alle in geding zijnde jaren geldt dat de ontvangsten en uitgaven weliswaar dagelijks in het kasboek worden geregistreerd maar dat de boekingen in het kasboek verdicht worden weergegeven in het grootboek. Een controle op de volledigheid van de ontvangsten door verweerder binnen een redelijke termijn is daardoor niet mogelijk. Voor het jaar 2006 komt daar nog bij dat het kassaldo gedurende dat jaar oploopt tot € 23.431, terwijl dit kassaldo volgens verklaring van eiser en de aangifte IB/PVV 2006 € 200 zou moeten zijn. Ook is de datum waarop de boeking is gedaan niet meer in het kasboek vermeld. Voor 2007 geldt dat de digitale administratie voor wat betreft de kas niet aansluit bij de administratie over 2007. Het beginsaldo van 2007 (€ 34.882) komt eveneens niet overeen met de verklaring van eiser en de aangifte IB/PVV 2007. Ook zijn gedurende het jaar 2007 verschillende kasverschillen weggeboekt.

Daarnaast is van belang dat de door verweerder uitgevoerde berekening op grond van de goederenbeweging aanleiding geeft te twijfelen aan de volledigheid van de omzetverantwoording door eiser. Uit de hiervoor onder de feiten opgenomen gegevens blijkt dat eiser in de jaren 2005 tot en met 2007 in zijn jaarrekeningen een brutowinst op de inkoopwaarde van respectievelijk 126,89%, 132,90% en 145,7% heeft verantwoord. Die percentages wijken aanzienlijk af van de brutowinstpercentages die zijn berekend vanuit de goederenbeweging. Bij het opzetten van deze goederenbeweging is gebruik gemaakt van een digitaal bestand van de leverancier waarvan eiser ongeveer 90% van zijn producten betrekt. Tevens is hierbij gebruik gemaakt van cijfers van Misset Horeca over de hoeveelheden porties frites, ijs en milkshakes en van de door eiser gehanteerde prijzen voor een groot aantal producten. De brutowinst op de inkoopwaarde bedraagt dan 306,46% voor 2005, 362,37% voor 2006 en 331,92% voor 2007. Hierbij is rekening gehouden met een verlies van 10% bij de verkoop van frites, een verlies van 20% bij de verkoop van schaafijs en softijs en zijn extreme brutowinstpercentages als gevolg van samengestelde producten buiten de goederenbeweging gehouden. Rekening houdend met verlies aan omzet door de verkoop van foodbuckets en een brutowinst van 8% op rookwaren bedraagt de brutowinst op de inkoopwaarde 198,2% voor 2005, 241,1% voor 2006 en 228% voor 2007. Dit is nog steeds veel hoger dan de in de jaarrekening verantwoorde brutowinst op de inkoopwaarde.

Voor het verschil tussen de verantwoorde brutowinst en de op basis van de in- en verkoopprijzen te verwachten brutowinst heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank geen aannemelijke verklaring gegeven.

Eiser heeft in dit verband in de eerste plaats aangevoerd dat verweerder te snel is overgegaan tot een theoretische omzetberekening, omdat de jaaromzet op basis van de Z-afslagen eenvoudig was te bepalen, zoals ook de adviseur heeft gedaan. Zoals hiervoor reeds overwogen heeft verweerder de omzet uitgaande van de cijfers van eiser (gebaseerd op de

Z-afslagen) vergeleken met de cijfers vanuit de goederenbeweging. Hieruit kwamen grote verschillen naar voren. Door nogmaals te wijzen op de omzet op basis van deze Z-afslagen heeft eiser dan ook geen aannemelijke verklaring voor deze verschillen gegeven.

Zoals hiervoor reeds overwogen heeft verweerder bij het opstellen van de goederenbeweging rekening gehouden met een verlies aan omzet door de verkoop van foodbuckets. Verweerder heeft daaraan informatie van de leverancier over de inhoudsmaten van foodbuckets en over de hoeveelheid afgebakken frites die daarin kan, ten grondslag gelegd. Ook is een bezoek gebracht aan de onderneming om ter plaatse te bekijken hoeveel frites er in een foodbucket gaat. Met de stelling van eiser dat in de jaren in geding van een merk frites gebruik werd gemaakt dat heeft geleid tot een hoger omzetverlies, heeft eiser het verschil tussen de verantwoorde en te verwachten brutowinst niet verklaard. Ook wanneer in de goederenbeweging rekening wordt gehouden met het door eiser berekende omzetverlies voor 2005 van € 41.242, is de brutowinst nog steeds veel hoger dan de brutowinst die volgt uit de cijfers van eiser (zie berekening in de uitspraak op bezwaar). Verder heeft eiser het door hem berekende bedrag aan omzetverlies niet met objectieve gegevens onderbouwd.

De rechtbank overweegt verder dat wanneer gekeken wordt naar de branchegegevens de onderneming van eiser aangemerkt moet worden als een cafetaria en niet als een snackbar. Dit gelet op de in de onderneming van eiser aangeboden maaltijden en broodjes en de daarin behaalde omzet, zowel op basis van de cijfers van eiser als op basis van de door verweerder berekende omzet. Hiervan uitgaande zou de brutowinst op het totale assortiment op minimaal 163% en maximaal 233,3% van de inkoopwaarde uit moeten komen. De brutowinst op basis van de cijfers uit de administratie van eiser is veel lager en bedraagt 126,89% voor het jaar 2005, 132,90% voor het jaar 2006 en 145,70% voor het jaar 2007. In de branchegegevens kan dan ook geen verklaring worden gevonden voor het verschil tussen de verantwoorde brutowinst en de door verweerder op basis van de goederenbeweging berekende brutowinst.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de administratie van eiser zodanige gebreken vertoont dat niet kan worden gesproken van een deugdelijke en betrouwbare grondslag voor de winstberekening. Eiser heeft de administratieplicht zoals neergelegd in artikel 52 van de AWR geschonden. Tevens heeft eiser de bewaarplicht geschonden. Deze schendingen zijn zodanig dat op grond daarvan plaats is voor toepassing van de bewijsregel van artikel 27e van de AWR (omkering en verzwaring van de bewijslast).

Dit betekent dat het aan eiser is om overtuigend de onjuistheid van de omzetcorrecties aan te tonen. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd. Dat de omzetcorrecties lager moeten worden vastgesteld dan waarop deze door verweerder zijn vastgesteld heeft eiser niet met verifieerbare gegevens onderbouwd.

De zogenoemde omkering van de bewijslast ontslaat verweerder evenwel niet van zijn verplichting de door hem aangebrachte correcties niet naar willekeur vast te stellen. De navorderingsaanslagen dienen te berusten op een redelijke schatting.

Naar het oordeel van de rechtbank berusten de belastingaanslagen op een redelijke schatting. Verweerder is bij het berekenen van de theoretische omzet terecht uitgegaan van een cafetaria. Verder is rekening gehouden met de brutowinstpercentages zoals deze gelden binnen de branche, de prijzen die eiser in zijn onderneming heeft gehanteerd en de resultaten van de door verweerder opgestelde goederenbeweging. Vervolgens is het brutowinstpercentage gesteld op 170% van de inkoopwaarde. Dit is volgens de verschillende branchegegevens het minimale brutowinstpercentage.

Nu eiser geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente heeft aangevoerd, dient ook het beroep inzake de beschikking heffingsrente ongegrond te worden verklaard.

Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.G.J. van Well, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Sadi, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 9 augustus 2012

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.