Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:CA3078

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
01-07-2011
Datum publicatie
13-06-2013
Zaaknummer
10/1408
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag studiefinanciering omdat eiseres niet aan de nationaliteitseis zou voldoen.

Dde moeder van eiseres, heeft gelet op het feit dat zij per 2 januari 2008 met de Letse nationaliteit op basis van een arbeidsovereenkomst in Nederland werkzaamheden is gaan verrichten, de status van migrerend werknemer verkregen als bedoeld in artikel 45, eerste en tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Zij geniet daardoor, evenals haar gezinsleden, de rechten en voorrechten voorzien door die bepalingen en door (met name de artikelen 7 en 12 van) de Verordening nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap. De moeder heeft de status van migrerend werknemer niet verloren door het feit dat zij op 7 oktober 2008 de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, noch door het feit dat zij daaropvolgend in maart 2010 afstand heeft gedaan van de Letse nationaliteit. De situatie van de moeder verschilt niet met de situatie van een Nederlander die, na gebruik te hebben gemaakt van de aan hem/haar toekomende Unie-rechten, terugkeert naar het land van herkomst. Eiseres heeft de status van een kind van een migrerend werknemer als gevolg hiervan niet verloren. Derhalve is het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank onverenigbaar met bepalingen van gemeenschapsrecht die voorrang hebben boven het nationale recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: 10/1408

Uitspraak in het geding tussen:

[eiseres]

te [woonplaats],

eiseres,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2010 (Bericht Studiefinanciering 2010, nr. 1) heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat zij vanaf 1 april 2010 geen recht heeft op een toelage omdat zij niet aan de nationaliteitseis voldoet.

Bij besluit van 20 juli 2010 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

[naam] heeft namens eiseres beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 14 april 2011, waar mr. L.S. Karst en [naam] namens eiseres zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Hummel.

2. Overwegingen

2.1 De rechtbank gaat uit van de navolgende wet- en regelgeving.

Ingevolge artikel 45, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (voorheen artikel 39 van het Verdrag tot oprichting van de Europese

Gemeenschap) is het verkeer van werknemers binnen de Unie vrij. Ingevolge het tweede lid van dit Verdrag houdt dit de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (hierna: de Verordening) mag een werknemer die onderdaan is van een Lid-Staat op het grondgebied van andere Lid-Staten niet op grond van zijn nationaliteit anders worden behandeld dan de nationale werknemers wat betreft alle voorwaarden voor tewerkstelling en arbeid, met name op het gebied van beloning, ontslag, en, indien hij werkloos is geworden, wederinschakeling in het beroep of wedertewerkstelling. Ingevolge het bepaalde in het tweede lid van dit artikel geniet hij er dezelfde sociale en fiscale voordelen als de nationale werknemers.

Ingevolge het bepaalde in artikel 12 van de Verordening worden de kinderen van een onderdaan van een Lid-Staat, die op het grondgebied van een andere Lid-Staat arbeid verricht of heeft verricht, indien zij aldaar woonachtig zijn, onder dezelfde voorwaarden als de eigen onderdanen van deze Staat toegelaten tot het algemene onderwijs, het leerlingstelsel en de beroepsopleiding. De Lid-Staten moedigen de initiatieven aan, waardoor deze kinderen dit onderwijs in zo gunstig mogelijke omstandigheden kunnen volgen.

2.2 Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de aanvraag om studiefinanciering gehandhaafd, omdat eiseres (kort gezegd) niet aan de nationaliteitseis voldoet en evenmin met een Nederlander kan worden gelijkgesteld (zoals bedoeld in het Besluit studiefinanciering 2000). Verweerder heeft daartoe overwogen dat eiseres niet als migrerend werknemer te beschouwen is. Nu haar moeder de Nederlandse nationaliteit bezit doet zich evenmin de situatie voor dat één van de ouders van de studerende EU/EER-onderdaan, geen Nederlander, maar wel migrerend werknemer is.

2.3 In beroep is namens eiseres - kort samengevat - aangevoerd dat haar moeder, voordat zij de Nederlandse nationaliteit verkreeg, EU-onderdaan en migrerend werknemer was waardoor eiseres destijds wel voldeed aan de eisen om in aanmerking te komen voor studiefinanciering. Voorts beroept eiseres zich op de hardheidsclausule. Hierbij heeft eiseres aangevoerd dat de door verweerder voorgestane strikte uitleg van de wettelijke bepalingen niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest.

2.4 De rechtbank gaat bij de onderhavige beoordeling, gelet op de gedingstukken en het

verhandelde ter zitting, uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres, geboren op [geboortedatum] en van Letse nationaliteit, heeft op 31 maart 2010 studiefinanciering aangevraagd in de vorm van een basisbeurs en OV-studentenkaart voor een masterstudie linguistics aan de Radboud universiteit van Nijmegen. Haar moeder is in Letland geboren en verblijft sinds eind juni 2005 in Nederland. Vanaf 2 januari 2008 werkt haar moeder in Nederland, aanvankelijk op basis van een tijdelijk contract van 20 tot 32 uur per week en sinds 1 april 2010 op basis van een vast contract van 24 uur per week. Op 7 oktober 2008 heeft haar moeder tevens de Nederlandse nationaliteit verkregen. In maart 2010 heeft haar moeder afstand gedaan van de Letse nationaliteit en haar Letse paspoort ingeleverd.

De rechtbank is van oordeel dat de moeder van eiseres, gelet op het feit dat zij per 2 januari 2008 met de Letse nationaliteit op basis van een arbeidsovereenkomst in Nederland werkzaamheden is gaan verrichten, de status van migrerend werknemer heeft verkregen als bedoeld in artikel 45, eerste en tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Zij geniet daardoor, evenals haar gezinsleden, de rechten en voorrechten voorzien door die bepalingen en door (met name de artikelen 7 en 12 van) de Verordening nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de moeder de status van migrerend werknemer niet verloren door het feit dat zij op 7 oktober 2008 de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, noch door het feit dat zij daaropvolgend in maart 2010 afstand heeft gedaan van de Letse nationaliteit. Hierbij acht de rechtbank mede van belang dat de situatie van de moeder niet verschilt met de situatie van een Nederlander die, na gebruik te hebben gemaakt van de aan hem/haar toekomende Unie-rechten, terugkeert naar het land van herkomst.

In het verlengde van het vorenoverwogene kan evenmin worden gesteld dat eiseres de status van een kind van een migrerend werknemer als gevolg hiervan heeft verloren.

Derhalve is het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank onverenigbaar met bepalingen van gemeenschapsrecht die voorrang hebben boven het nationale recht.

Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Verweerder zal nader op het bezwaar dienen te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak.

De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ter zake van reis-en verblijfkosten kent de rechtbank een bedrag van € 20,20 toe. Voorts wordt een bedrag van

€ 212,36 aan verletkosten toegekend.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder nader op het bezwaar beslist, met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 41,00 aan eiseres vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 232,56.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J.J.M. Weyers, voorzitter, en mrs. D.S. de Vries en A.L.M. Steinebach- de Wit, leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2011.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschrift verzonden op: