Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BV8215

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-01-2011
Datum publicatie
08-03-2012
Zaaknummer
AWB 09/3792
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 11, lid 1, letter g, van de Wet OB 1968. Besluit Staatssecretaris van Financiën 28 februari 2008, CPP2008/78M, VN 2008/15.22 (hierna: het besluit).

BTW-vrijstelling voor medische beroepen. De rechtbank is van oordeel dat eiseres terecht aan het besluit het vertrouwen heeft ontleend dat de door haar verrichte diensten als speltherapeut vallen onder de BTW-vrijstelling voor medische beroepen. De opleiding van eiseres en de aard van de door haar binnen de praktijk verrichte werkzaamheden, beide gericht op de opvoeding en de ontwikkeling en daarmede de algehele gezondheid van het kind, maken dat de diensten van eiseres zijn aan te merken als diensten die ‘door pedagogen als zodanig worden verricht’ in de zin van het besluit. Het standpunt van verweerder dat de staatssecretaris bij de publicatie van het besluit bedoeld heeft om alleen pedagogen met een universitaire graad van omzetbelasting vrij te stellen, doet hieraan niet af. Uit de tekst van het besluit volgt niet dat de staatssecretaris een dergelijke beperkte interpretatie voor ogen heeft gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2012-0705
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 09/3792

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 25 januari 2011

inzake

[X], wonende te [Z], eiseres,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost, kantoor Winterswijk, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Eiseres heeft over het tijdvak 1 juli 2008 tot en met 30 september 2008 op aangifte een bedrag van € 660 aan omzetbelasting voldaan.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 5 oktober 2009 het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 13 september 2009, ontvangen door de rechtbank op 15 september 2009, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2010 te Arnhem.

Eiseres is daar in persoon verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot [echtgenoot]. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde van verweerder].

Verweerder heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eiseres heeft op 25 juni 1980 de Hogere Beroepsopleiding Kinderverzorging en Opvoeding (thans Hogere Beroepsopleiding Jeugdwelzijnswerk) bij de [A] te [Q] afgerond.

Op 13 november 2001 heeft eiseres het diploma Psychologisch-pedagogisch assistent bij de [B] te [R] behaald.

Voorts heeft eiseres op 8 december 2005 de Post-Hogere Beroepsopleiding Speltherapie bij de [C] te [S] afgerond.

Eiseres is op 1 januari 2006 in de vorm van een eenmanszaak een praktijk voor speltherapie “’[D]” gestart te [Z]. De praktijk van eiseres bestaat eruit dat zij kinderen met ontwikkelings- en/of gedragsproblemen door middel van spel diagnosticeert en aan de hand van spel verder behandelt, in welk proces de ouders en zo nodig de leerkracht van het kind door eiseres worden begeleid. De ouders melden hun kind zelf bij eiseres aan. Eiseres stelt na een intakegesprek met haar cliënt een behandelplan op, waarbij doelstelling en effectiviteit van de speltherapie door haar worden bepaald. Indien nodig, verwijst zij ouders en kind door naar een kinderpsycholoog. Eiseres werkt op regelmatige basis samen met een psycholoog en scholen uit de omgeving.

Eiseres is voor de omzetbelasting een kwartaalaangeefster.

Op 10 april 2008 heeft eiseres per brief verzocht om de diensten die zij in haar praktijk verricht aan te merken als vrijgestelde prestaties voor de heffing van de omzetbelasting als bedoeld in artikel 11, lid 1, letter g, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB 1968).

Op 28 juli 2008 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat de door haar verrichte diensten niet onder deze vrijstelling vallen.

Het door eiseres op aangifte voldane bedrag aan omzetbelasting van € 660 over het derde kwartaal van 2008 is door de Belastingdienst ontvangen op 8 oktober 2008.

De echtgenoot van eiseres heeft op 12 mei 2009 twee brieven bij de receptie van de Belastingdienst Oost, kantoor Doetinchem, afgegeven, waaronder een bezwaarschrift met als datum van dagtekening 6 oktober 2008.

Bij brief van 24 augustus 2009 heeft verweerder aan eiseres een motivering gestuurd van de voorgenomen uitspraak op bezwaar. Daarbij is eiseres uitgenodigd voor een hoorgesprek. In deze brief is door de heer [E] namens verweerder opgemerkt dat het bezwaarschrift op 7 oktober 2008 is ontvangen.

Bij brief van 5 oktober 2009 heeft verweerder aan eiseres de definitieve uitspraak op bezwaar toegestuurd. Ook in die brief is door de heer [E] namens verweerder opgemerkt dat het bezwaarschrift op 7 oktober 2008 is ontvangen. Het bezwaar is ontvankelijk verklaard, maar het is afgewezen, omdat verweerder van mening bleef dat de vrijstelling niet van toepassing is in het geval van eiseres.

In het verweerschrift heeft verweerder het standpunt ingenomen dat het bezwaarschrift niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard, omdat het pas op 12 mei 2009 is ontvangen, hetgeen ruim na afloop van de bezwaartermijn is.

3. Geschil

In geschil is of het bezwaar van eiseres ontvankelijk is. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, is in geschil of eiseres recht heeft op de BTW-vrijstelling voor medische beroepen zoals neergelegd in artikel 11, lid 1, letter g, van de Wet OB 1968.

4. Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid beroep

Voordat de rechtbank toekomt aan een beoordeling van de ontvankelijkheid van het bezwaar, moet worden beoordeeld of eiseres ontvankelijk is in haar beroep. De uitspraak op bezwaar dateert van 5 oktober 2009. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Eiseres heeft vóór aanvang van die termijn een beroepschrift bij de rechtbank ingediend, te weten op 15 september 2009. Het beroep is dus voortijdig ingediend en zou om die reden niet-ontvankelijk kunnen zijn. Uit het beroepschrift blijkt echter dat eiseres de hiervoor onder de feiten vermelde brief van 24 augustus 2009 heeft opgevat als de definitieve uitspraak op bezwaar. Verweerder heeft aangegeven met die opvatting van eiseres te kunnen instemmen. De rechtbank kan daar in het licht van artikel 6:10, eerste lid, onder b, van de Awb in meegaan, omdat eiseres redelijkerwijs kon menen dat het besluit al tot stand was gekomen. Gelet hierop kan niet-ontvankelijkverklaring van het beroep achterwege blijven.

Ontvankelijkheid bezwaar

Vervolgens moet worden beoordeeld of het bezwaar van eiseres ontvankelijk is. Na vragen van de rechtbank ter zitting in dit verband heeft de gemachtigde van verweerder het in het verweerschrift ingenomen standpunt verlaten en verklaard dat zij het eerdere standpunt van haar ambtscollega de heer [E], namelijk dat het bezwaarschrift op 7 oktober 2008 door de Belastingdienst is ontvangen, alsnog wil volgen en dat zij de tijdigheid van de indiening van het bezwaarschrift dus niet langer betwist. Nu hierdoor vast staat dat het bezwaarschrift op 7 oktober 2008 door verweerder is ontvangen, staat ook vast dat het bezwaarschrift voor het einde van de bezwaartermijn is ingediend.

Voorts heeft eiseres na een door de rechtbank ter zake gestelde vraag ter zitting verklaard dat zij op 6 oktober 2008, dat wil zeggen vóór het moment van indiening van het bezwaarschrift, opdracht heeft gegeven tot betaling van de onderhavige omzetbelasting. Verweerder heeft die verklaring niet betwist. Dit brengt mee dat het bezwaarschrift niet te vroeg is ingediend.

Gelet op het vorenstaande is ook het bezwaar ontvankelijk. De rechtbank zal daarom overgaan tot de behandeling van de vraag of eiseres recht heeft op de medische vrijstelling.

BTW-vrijstelling voor medische beroepen

Eiseres is van mening dat op de diensten die zij in haar praktijk voor speltherapie verricht de BTW-vrijstelling voor medische beroepen zoals neergelegd in artikel 11, lid 1, letter g, van de Wet OB 1968 van toepassing is. Ter ondersteuning van haar standpunt beroept eiseres zich op het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 23 maart 2007, CPP2007/374M, VN2007/18.24, welk besluit inmiddels is vervangen door het besluit van 28 februari 2008, CPP2008/78M, VN 2008/15.22 (hierna: het besluit) en dat op het onderhavige geval op gelijke wijze van toepassing is. In dit besluit is onder meer het volgende bepaald:

“Op grond van een uitspraak van het Gerechtshof 's-Gravenhage (Gerechtshof 's-Gravenhage, 1 februari 2007, nr. 06/00036) ben ik verder van oordeel, dat de vrijstellingsbepaling ook van toepassing is op diensten die door pedagogen als zodanig worden verricht. Ik verbind hieraan de voorwaarden dat de pedagoog een opleiding in de pedagogie met goed gevolg heeft afgerond en de diensten kunnen worden aangemerkt als gezondheidskundige verzorging van de mens.”

De rechtbank is van oordeel dat eiseres terecht aan het besluit het vertrouwen heeft ontleend dat de door haar verrichte diensten als speltherapeut voor vrijstelling van omzetbelasting in aanmerking komen. Eiseres meent terecht dat haar diensten vallen onder het in het besluit gehanteerde begrip ‘diensten die door pedagogen als zodanig worden verricht’. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

Eiseres heeft, gelijk het besluit als eerste voorwaarde stelt, een opleiding in de pedagogie met goed gevolg afgerond, namelijk de Hogere Beroepsopleiding Jeugdwelzijnswerk en nadien aanvullende pedagogische opleidingen waaronder de post-HBO opleiding speltherapie. Uit hetgeen eiseres hierover ter zitting heeft verklaard, leidt de rechtbank af dat de HBO-opleiding van eiseres, met name in de beginjaren, een sterk pedagogisch karakter droeg en ten gevolge daarvan onder de algemene noemer ‘opleiding in de pedagogie’, zoals bedoeld in het besluit moet worden gebracht. Hierbij weegt mee dat verweerder de stelling dat de opleiding van eiseres niet hoofdzakelijk ziet op de opvoeding van kinderen en vanuit dat oogpunt niet kan worden aangemerkt als een opleiding in de pedagogie, onvoldoende heeft onderbouwd. Het door verweerder ter zitting ingenomen standpunt dat de staatssecretaris bij publicatie van het besluit bedoeld heeft om alleen pedagogen met een universitaire graad van omzetbelasting vrij te stellen, doet aan het vooroverwogene niet af. Uit de tekst van het besluit volgt namelijk niet dat de staatssecretaris een dergelijke beperkte interpretatie voor ogen heeft had. Voor de uitleg van het besluit kan deze bedoeling daarom niet worden meegewogen. Voorts kan de niet uit het besluit kenbare bedoeling van de staatsecretaris niet aan eiseres worden tegengeworpen in het licht van het vertrouwen dat zij kennelijk aan de tekst van het besluit heeft ontleend en heeft mogen ontlenen.

Ook aan de andere voorwaarde die in het besluit is gesteld, namelijk dat de diensten kunnen worden aangemerkt als gezondheidskundige verzorging van de mens, is voldaan. Dit volgt uit de overtuigende verklaringen van eiseres hieromtrent ter zitting, welke door verweerder niet dan wel onvoldoende zijn betwist. Eiseres heeft ter zitting samengevat verklaard dat zij kinderen met gedrags- en ontwikkelingsproblemen behandelt, dat zij werkt volgens een vooropgezet behandelplan en dat zij zo nodig kan doorverwijzen naar een kinderpsycholoog met wie zij een vast contact heeft. Kinderen worden door middel van spel gediagnosticeerd en hun problemen worden aan de hand van het spel opgelost. Het is dit spelelement dat de therapie tot een specialiteit binnen de pedagogie maakt, aldus eiseres. Gelet op dit geheel aan omstandigheden staan de opvoeding en de ontwikkeling en daarmee de algehele gezondheid van het kind bij de diensten van eiseres duidelijk centraal.

De opleiding van eiseres en de aard van de door haar binnen de praktijk verrichte werkzaamheden, beide gericht op de opvoeding en de ontwikkeling van het kind, maken dat de diensten van eiseres zijn aan te merken als diensten die ‘door pedagogen als zodanig worden verricht’ in de zin van het besluit.

Gezien het bovenstaande is de conclusie dat de diensten van eiseres door toepassing van het besluit vallen onder de vrijstelling van artikel 11, lid 1, letter g, van de Wet OB 1968. Dit brengt mee dat het beroep gegrond dient te worden verklaard. De uitspraak op bezwaar zal worden vernietigd en het bezwaar zal gegrond worden verklaard. De overige standpunten van eiseres behoeven daarom geen behandeling meer.

De rechtbank kan in deze uitspraak niet beslissen dat het betaalde bedrag aan omzetbelasting over het derde kwartaal van 2008 aan eiseres moet worden terugbetaald. Wel zal de rechtbank vaststellen dat er geen omzetbelasting is verschuldigd over de diensten van eiseres die als speltherapeut zijn verricht. De rechtbank gaat er voor het overige vanuit dat verweerder conform de toezegging ter zitting de benodigde stappen zal nemen om ervoor te zorgen dat eiseres het teveel betaalde bedrag terugkrijgt en ook de bedragen die zij nadien nog op aangifte heeft voldaan.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen tot betaling van de proceskosten van eiseres. Het gaat daarbij om een vergoeding van de reiskosten, die met toepassing van het Besluit Proceskosten Bestuursrecht zijn berekend op een bedrag van € 16,80.

(2 treinkaartjes 2e klasse, retour [Z]-Arnhem, 2 x € 8,40).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- stelt vast dat de diensten van eiseres als speltherapeut niet belast zijn met omzetbelasting en

bepaalt dat verweerder opnieuw uitspraak op bezwaar zal doen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 16,80;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 150 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Djebali, voorzitter, mr. F.M. Smit en mr. P.J. Tikken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.L. van Benthem griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2011

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op 25 januari 2011

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.