Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BV7087

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
01-11-2011
Datum publicatie
28-02-2012
Zaaknummer
AWB 11/3227 en 11/3950
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Projectbesluit en bouwvergunning ten behoeve van het oprichten van een bouwmarkt (Gamma) met kantoor en fietsenstalling. Niet verweerder maar de gemeenteraad was ten tijde van het bestreden besluit het bevoegde orgaan om te beslissen op het verzoek om een projectbesluit te nemen. Het bestreden besluit berust op een onjuiste wettelijke grondslag. Geen mogelijkheden tot finale geschilbeslechting. Beroep gegrond. Vernietiging bestreden besluit. Afwijzing verzoek voorlopige voorziening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 11/3227 (hoofdzaak) en AWB 11/3950 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 oktober 2011 in de zaak tussen

Formido Bouwmarkten B.V., verzoekster, te Nijkerk,

(gemachtigde: mr. J. van Vulpen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaltbommel, verweerder,

alsmede

J.G.C. Maatschap Zaltbommel, te Krimpen aan de IJssel, en

Stemar Bouwmarkt Zaltbommel B.V., te Hendrik-Ido-Ambacht,

partijen ex artikel 8:26 van de Awb,

(gemachtigde: mr. A. Kamphuis).

Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2011 heeft verweerder een projectbesluit genomen en een bouwvergunning verleend aan J.G.C. Maatschap Zaltbommel (hierna: vergunninghouder) ten behoeve van het oprichten van een bouwmarkt (Gamma) met kantoor en fietsenstalling op het perceel Doornepol 17 te Zaltbommel (het bestreden besluit).

Tegen het bestreden besluit heeft verzoekster bij brief van 12 augustus 2011, aangevuld op 13 september 2011, beroep bij de rechtbank ingesteld.

Op 27 september 2011 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot schorsing van het bestreden besluit.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 24 oktober 2011. Verzoekster is vertegenwoordigd door [naam], bijgestaan door mr. drs. H.A. Samuels Brusse, kantoorgenoot van mr. Van Vulpen, voornoemd, advocaat te Utrecht. Voor de partijen ex artikel 8:26 van de Awb is [namen] verschenen, bijgestaan door mr. Kamphuis, voornoemd, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van de Ven en M. van der Ven, beiden werkzaam bij de gemeente Zaltbommel.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaande aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter indien het verzoek, bedoeld in artikel 8:81 van de Awb, wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Ten aanzien van de hoofdzaak

2. Nu de in geding zijnde bouwaanvraag op 3 februari 2010 bij verweerder is ingekomen, is daarop ingevolge artikel 1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht het oude recht van toepassing, zoals dat gold tot 1 oktober 2010.

3. De voorziene bouwmarkt is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Wildeman", omdat de kavelgrootte meer bedraagt dan de toegestane 0,5 ha en het gebouw niet op de op de plankaart aangegeven gevellijn wordt opgericht. Om niettemin realisering van het bouwplan mogelijk te maken heeft verweerder een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) genomen.

4. Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, van de Wro kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project van gemeentelijk belang een projectbesluit nemen.

Ingevolge het vierde lid, kan de gemeenteraad de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, delegeren aan burgemeester en wethouders.

5. In zijn vergadering van 10 september 2009 heeft de raad van verweerders gemeente de beleidsregels “Criteria voor verlenen medewerking aan verzoeken om bestemmingsplanherziening, wijziging of uitwerking of projectbesluiten” (hierna: de beleidsregels) vastgesteld. Voorts heeft de gemeenteraad besloten de beslissingsbevoegdheid op een aanvraag om een projectbesluit inclusief het bijbehorende exploitatieplan (inclusief de toe- en afwijzing hiervan) aan verweerder te delegeren, onder de voorwaarden dat:

a. toetsing plaatsvindt aan de beleidsregels, en:

b. de raad door verweerder binnen 2 weken na besluitvorming hierover wordt geïnformeerd middels verzending van een informatienota.

In zijn vergadering van 16 december 2010 heeft de raad van verweerders gemeente besloten de beleidsregels alsmede het delegatiebesluit ten behoeve van het nemen van een projectbesluit (inclusief delegatie bijbehorende exploitatieplan) in te trekken. Dit besluit voorziet niet in overgangsrechtelijke bepalingen.

6. Het betoog van verweerder en de gemachtigde van de partijen ex artikel 8:26 van de Awb dat het recht moet worden toegepast, zoals dat gold ten tijde van de bouwaanvraag, op grond waarvan verweerder ter zake bevoegd was om op deze aanvraag te beslissen en de aanvraag terecht aan de beleidsregels heeft getoetst, faalt. Dat het oude recht ingevolge artikel 1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing blijft, hetgeen blijkens de wetsgeschiedenis onder meer betekent dat onder oud recht ook wordt verstaan de regelgeving ten aanzien van de rechterlijke bevoegdheid en de rechtsvordering, betekent niet dat het bevoegde orgaan niet langer bevoegdheden zou kunnen uitoefenen die dit orgaan ook al had ten tijde van de invoering van deze overgangsbepaling. Concreet betekent dit dat de onderhavige overgangsbepaling onverlet laat de bevoegdheid van de gemeenteraad om het besluit van 16 december 2010 te nemen. Uit het voorgaande volgt dat ten tijde van het bestreden besluit niet verweerder maar de gemeenteraad het bevoegde orgaan was om te beslissen op het verzoek om een projectbesluit te nemen. Het bestreden besluit berust dan ook niet op de juiste wettelijke grondslag. Verweerder heeft dit niet onderkend. Aan een bespreking van hetgeen verzoekster overigens heeft aangevoerd wordt, gelet op het vorenstaande, niet toegekomen.

7. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vanwege strijd met artikel 3.10, vierde lid, van de Wro vernietigen, nu daarbij niet is onderkend dat verweerder dat besluit onbevoegd heeft genomen. De gemeenteraad zal alsnog op de aanvraag om een bouwvergunning dienen te beslissen. Gelet hierop, ziet de voorzieningenrechter geen mogelijkheden om het geschil finaal te beslechten.

8. De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 874, zijnde kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is niet gebleken.

Ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening

9. Gegeven de hierna weer te geven beslissing in de hoofdzaak, bestaat er in dit geval geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb. Wel bestaat er aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten, begroot op € 437 aan beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het verzoekschrift).

10. Het hiervoor overwogene leidt, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

Beslissing

De voorzieningenrechter

Ten aanzien van de hoofdzaak:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster ten bedrage van € 874;

bepaalt voorts dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht ad € 302 vergoedt.

Ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening:

wijst het verzoek af;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster ten bedrage van € 437;

bepaalt voorts dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht ad

€ 302 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Penning, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. P. van der Stroom, griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op .

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's Gravenhage.

Hoger beroep staat niet open voor zover is beslist op het verzoek om voorlopige voorziening.

Verzonden op: