Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BV2971

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
11-11-2011
Datum publicatie
06-02-2012
Zaaknummer
735593 CV Expl 11-1040
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2014:3891, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beantwoording van de vraag of werkgever na afloop van het dienstverband met een werknemer op grond van de arbeidsovereenkomst, de cao of de wet nog vakantietoeslag verschuldigd is aan werknemer. Beroep op verjaring door werkgever slaagt gedeeltelijk. Cao geen nawerking in geval van een ongebonden werknemer en bij gebreke van een incorporatiebeding. Nieuwe cao dient de werkgever op grond van artikel 14 WCAO wel toe te passen op ongebonden werknemers, maar alleen de vakvereniging kan nakoming van de cao door werkgever vorderen. Berekening vakantietoeslag met toepassing van de in artikel 15 WMM neergelegde bovengrens. Geen schriftelijke overeenkomst op grond van artikel 16 lid 5 WMM waarin partijen zijn overeengekomen dat werknemer geen aanspraak heeft op vakantietoeslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0108

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

burgerlijk recht, sector kanton

Locatie Nijmegen

zaakgegevens 735593 \ CV EXPL 11-1040 \ PW\279\mb

uitspraak van 11 november 2011

vonnis

in de zaak van

[eisende partij]

wonende te [woonplaats]

eisende partij

gemachtigde mr. G.W.J.M. van Mierlo

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde partij]

gevestigd te Niftrik

gedaagde partij

gemachtigde mr. U.W.G. Thöle

Partijen worden hierna [eisende partij] en [gedaagde partij] genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 11 maart 2011

- de producties van de kant van [eisende partij], ingekomen ter griffie op 27 april 2011

- de aantekeningen van de griffier van de comparitie van partijen van 11 mei 2011

- de akte na comparitie van de kant van [gedaagde partij], ingekomen ter griffie op 8 juni 2011

- de antwoordakte na comparitie, ingekomen ter griffie op 7 juli 2011.

2. De feiten

2.1. [eisende partij] is met ingang van 1 november 1990 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) [gedaagde partij] en was laatstelijk werkzaam in de functie van technisch directeur. Het salaris van [eisende partij] bedroeg laatstelijk € 6.200,00 bruto per maand exclusief emolumenten.

2.2. In de meest recente arbeidsovereenkomst van 11 oktober 2004 is, voor zover van belang, het volgende opgenomen.

§ 3

“Dieser vertrag tritt am 01.01.04 in Kraft. (…)

§ 4

Herr [eisende partij] erhält ein jeweils am Ende des Kalendermonats bargeldlos zu zahlendes Gehalt in Höhe von brutto

Euro 5.400,--

(in Worten Euro: fünftausendvierhundert)

Zusätzlich zu seinem Gehalt erhält Herr [eisende partij] eine jährliche Jahresabschlussvergütung, die die Geschäftsführung der Gesellschafterin nach billigem Ermessen entsprechend dem für die Gesellschaft Maßgebenden System festsetzt. Ohne Einschränkung des Ermessensspielraumes der Geschäftsführung werden für die Festlegung der Jahresabschlussvergütung folgende Grundsätze gelten:

Arbeits-/Ergebnisziele

Die Höhe der Jahresabschlussvergütung richtet sich nach dem Grad der Erfüllung der mit Herrn [eisende partij] zu Beginn oder im Laufe des Jahres vereinbarten persönlichen Arbeits- und Ergebnisziele. Sie beträgt:

Bei 70% Zielerreichung 1 Gehalt (Minimum)

Bei 100% Zielerreichung 3 Gehälter

Bei 130% Zielerreichung 5 Gehälter (Maximum)

Für Zwischenwerte gelten entsprechend anteilige Sätze.

Die Auszahlung der Jahresabschlussvergütung erfolgt nach Festlegung des Jahresabschlusses bzw. des Konzernjahresabschlusses durch die Gesellschafter.

§ 18

Änderungen dieses Vertrages und zusätzliche Vereinbarungen bedürfen zu ihrer Wirksamkeit der Schriftform und der Unterzeichnung der Vertragschließenden.

Bei Vertragsänderungen oder -ergänzungen, die ausschließlich eine Verbesserung der Anstellungsbedingungen darstellen, erfolgt eine schriftliche Mitteilung durch die Gesellschafterin.”

2.3. Op deze arbeidsovereenkomst was de ondernemings-cao van toepassing die gold van 1 juli 2003 tot 1 juli 2004. Op 17 juni 2010 heeft [gedaagde partij] met de vakbonden overeenstemming bereikt over een nieuwe cao met een looptijd van 1 juli 2009 tot 1 juli 2011.

2.4. Bij brief van 21 maart 2005 bericht (de rechtsvoorganger van) [gedaagde partij] aan [eisende partij] dat hij over 2004 recht heeft op een eindejaarstoelage van € 20.185,20, hetgeen overeenkomt met 3,74 basissalarissen. Verder staat in deze brief te lezen dat de hoogte van de eindejaarstoelage ook de komende jaren afhankelijk van de met [eisende partij] overeengekomen doelstellingen en resultaten zal worden bepaald.

2.5. Op 29 april 2010 hebben partijen een beëindigingsovereenkomst gesloten, die partijen op 31 mei 2010 hebben ondertekend, waarin onder meer het volgende is opgenomen.

“Artikel 1: De arbeidsovereenkomst tussen partijen eindigt op initiatief van werkgever met wederzijds goedvinden met ingang van 1 december 2010.

Artikel 2: (…) Werkgever zal gedurende de resterende looptijd van de arbeidsovereenkomst alle wettelijke en uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen jegens werknemer correct en tijdig nakomen, waaronder begrepen betaling van het salaris en afdracht van zowel het werkgevers- als het werknemersgedeelte van de pensioenpremie en het spaarloon.

Artikel 3: Per datum einde dienstverband zal werkgever zorgdragen voor een correcte financiële eindafwikkeling van hetgeen op grond van de wet en de arbeidsovereenkomst nog aan werknemer verschuldigd is. Dit bedrag zal binnen 14 dagen na de beëindigingsdatum aan werknemer betaalbaar worden gesteld.

Artikel 4: Aangezien (…), zal werkgever in het kader van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst aan werknemer een vergoeding betalen ten bedrage van € 250.200,- bruto (…), in welk bedrag tevens de eindejaarsuitkering 2010 wordt geacht te zijn begrepen. (…).

Artikel 8: Werkgever zal vóór 15 juni 2010 (met de hand bijgeschreven 30.11.2010, ktr.) aan werknemer een positief luidend getuigschrift ter hand stellen, welk getuigschrift in goed onderling overleg zal worden opgesteld.

Artikel 15: Met inachtneming en na uitvoering van het vorenstaande verklaren partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen te hebben uit hoofde van de arbeidsovereenkomst alsmede de beëindiging daarvan en verlenen zij elkaar dienaangaand finale kwijting.”

2.6. Aan het einde van het dienstverband is aan [eisende partij] € 23.031,86 uitgekeerd wegens opgebouwde maar niet-genoten vakantiedagen.

2.7. Bij brief van 29 december 2010 heeft [eisende partij] via zijn gemachtigde aan [gedaagde partij] meegedeeld dat hem, in strijd met het bepaalde in artikel 8 van de vaststellingsovereenkomst, nog geen positief luidend getuigschrift ter hand is gesteld. [eisende partij] verzoekt [gedaagde partij] binnen één week contact op te nemen om de inhoud van het getuigschrift vast te stellen. Voorts bericht [eisende partij] aan [gedaagde partij] dat hij sinds 1 januari 2004 geen vakantiegeld heeft ontvangen alsmede dat [gedaagde partij] heeft verzuimd de vakantietoeslag uit te betalen over de vergoeding wegens opgebouwde maar niet-genoten vakantiedagen. [eisende partij] verzoekt [gedaagde partij] binnen 7 dagen alsnog het netto equivalent van € 40.830,86 bruto te voldoen.

3. De vordering en het verweer

3.1. [eisende partij] vordert de veroordeling van [gedaagde partij]:

1. tot betaling van de te weinig uitgekeerde vergoeding wegens opgebouwde maar niet-genoten vakantiedagen ad € 1.842,54 bruto te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 december 2010 tot aan de dag van volledige betaling alsmede vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente over de wettelijke verhoging vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag van volledige betaling;

2. tot betaling van de achterstallige vakantietoeslag ad € 38.988,32 bruto te vermeerderen met de wettelijke rente hierover tot 1 januari 2011 ad € 5.764,37 alsmede vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag van volledige betaling alsmede vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 Burgerlijk Wetboek (BW) over € 38.988,32 bruto en de wettelijke rente over de wettelijke verhoging vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag van volledige betaling;

3. tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad € 595,00 inclusief btw te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 januari 2011 tot de dag van volledige betaling;

4. om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis in goed overleg met [eisende partij] een positief luidend getuigschrift ten name van [eisende partij] op te stellen en [eisende partij] dit getuigschrift binnen 24 uur na afronding van dit overleg op briefpapier van [gedaagde partij] ter hand te stellen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag voor iedere dag, gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat [gedaagde partij] in gebreke blijft daaraan te voldoen;

5. in de kosten van deze procedure.

3.2. [eisende partij] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde partij] verzuimt over de vergoeding wegens opgebouwde maar niet-genoten vakantiedagen de vakantietoeslag te berekenen en aan [eisende partij] uit te keren. Op grond van artikel 7:641 lid 1 BW dient deze uitkering gelijk te zijn aan het bedrag van het laatstverdiende loon over een tijdvak gelijk aan de nog openstaande vakantie. Onder dit loon valt tevens de vakantietoeslag.

Voorts stelt [eisende partij] dat [gedaagde partij] sinds 1 januari 2004 verzuimt aan [eisende partij] de vakantietoeslag uit te betalen. Dit is, aldus [eisende partij], in strijd met de arbeidsovereenkomst en in strijd met de wet.

[eisende partij] stelt tot slot dat [gedaagde partij] verzuimt aan de in artikel 8 van de beëindigings-overeenkomst opgenomen verplichting te voldoen door geen getuigschrift aan [eisende partij] ter hand te stellen, ondanks verzoeken daartoe van [eisende partij].

3.3. [gedaagde partij] voert gemotiveerd verweer en concludeert dat [eisende partij] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering dan wel dat de vordering van [eisende partij] moet worden afgewezen.

3.4. Op de stellingen van partijen zal, voor zover relevant, in het navolgende worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De kantonrechter ziet zich voor de vraag gesteld of [gedaagde partij] op grond van de arbeidsovereenkomst, de cao of de wet nog vakantietoeslag aan [eisende partij] verschuldigd is.

[eisende partij] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde partij] nog de vakantietoeslag vanaf 1 januari 2004 tot 1 december 2010 aan hem dient te betalen. [gedaagde partij] beroept zich onder meer op verjaring van de vordering van [eisende partij] tot betaling van de vakantietoeslag voor zover de betaling vijf jaar vóór 29 december 2005 verschuldigd was, hetgeen ten minste de voor het jaar 2004 geëiste vakantietoeslag betreft. Omdat dit het meest verstrekkende verweer is, zal de kantonrechter dit eerst bespreken alvorens aan de overige verweren toe te komen.

4.2. [eisende partij] stelt zich op het standpunt dat de vordering ter zake verschuldigde vakantietoeslag niet is verjaard, aangezien [gedaagde partij] zich in de vaststellingsovereenkomst van 29 april 2010 jegens [eisende partij] contractueel heeft verbonden alle wettelijke en uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen jegens [eisende partij] correct en tijdig na te komen.

De kantonrechter kan [eisende partij] niet volgen in zijn standpunt en overweegt daartoe als volgt. Ingevolge artikel 20 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WMM) verjaart ieder vorderingsrecht tot betaling van vakantiebijslag na verloop van vijf jaren na het tijdstip, waarop de uitbetaling had moeten geschieden. De verjaringstermijn kan vervolgens worden gestuit door een daad van rechtsvervolging (artikel 3:316 BW), door aanmaning of mededeling (artikel 3:317 BW) of door erkenning (artikel 3:318 BW). De kantonrechter begrijpt het standpunt van [eisende partij] aldus dat hij een beroep doet op erkenning van zijn vordering door [gedaagde partij] in de vaststellingsovereenkomst. De kantonrechter is echter van oordeel dat uit de vaststellingsovereenkomst niet valt af te leiden dat [gedaagde partij] heeft ingestemd met het alsnog uitbetalen van de vakantietoeslag aan [eisende partij]. Tijdens de comparitie heeft [eisende partij] aangegeven dat hij in 2005 zijn leidinggevende, de heer [X], heeft aangesproken op het feit dat hij geen vakantietoeslag ontving. Hierop is [eisende partij] meegedeeld dat hij geen vakantietoeslag meer kreeg, omdat [gedaagde partij] in het buitenland ook geen vakantietoeslag meer uitkeerde en één lijn wilde trekken. [eisende partij] was er dus van op de hoogte dat en waarom [gedaagde partij] geen vakantiebijslag uitkeerde. Voorts is thans gebleken dat in de optiek van [gedaagde partij] de vakantietoeslag van [eisende partij] werd vervangen door dan wel verrekend met de eindejaarsuitkering. Gelet op de wetenschap van [eisende partij] en het standpunt van [gedaagde partij] had in de vaststellingsovereenkomst expliciet een bepaling moeten zijn opgenomen over de uitbetaling vakantietoeslag, wil een beroep op erkenning kunnen slagen. De enkele algemene bepaling dat [gedaagde partij] alle wettelijke en uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen jegens [eisende partij] correct en tijdig zal nakomen, is in dit licht onvoldoende om aan te nemen dat [gedaagde partij] in de vaststellingsovereenkomst de vordering van [eisende partij] heeft erkend en zich heeft verplicht om tot uitbetaling van de vakantietoeslag vanaf 2004 over te gaan. De erkenning door [gedaagde partij] is daarmee dan ook niet vast komen te staan, zodat de vaststellingsovereenkomst niet als een stuitingshandeling kan worden aangemerkt.

4.3. De kantonrechter begrijpt het beroep van [gedaagde partij] op verjaring aldus dat zij de brief van [eisende partij] van 29 december 2010 beschouwt als een stuiting van de verjaring. Nu geen eerdere stuitingsactie is gesteld noch gebleken, is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde partij] de brief van 29 december 2010 terecht aanmerkt als een stuiting van de verjaring. Vervolgens redeneert [gedaagde partij] dat de vordering van [eisende partij] voor de periode tot 29 december 2005 doch in ieder geval over het jaar 2004 is verjaard. De kantonrechter overweegt dat het vorderingsrecht tot betaling van vakantiebijslag verjaart na verloop van vijf jaren na het tijdstip, waarop de uitbetaling had moeten geschieden. Uit de oude arbeidsovereenkomst van [eisende partij] volgt dat het bij [gedaagde partij] gebruikelijk was de vakantietoeslag in mei van ieder kalenderjaar uit te keren. Dit betekent dat de vakantietoeslag opeisbaar is per 1 juni van ieder kalenderjaar. De op 1 juni 2004 en 1 juni 2005 opeisbare vakantietoeslag is derhalve verjaard, aangezien de verjaring pas op 29 december 2010 is gestuit. De vordering van [eisende partij] tot uitbetaling van de vakantietoeslag is dan ook slechts toewijsbaar voor zover het de periode vanaf 29 december 2005 betreft.

De kantonrechter ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of [gedaagde partij] over de periode 29 december 2005 tot 1 december 2010 op grond van de arbeidsovereenkomst, de cao of de wet nog vakantietoeslag aan [eisende partij] verschuldigd is.

4.4. De kantonrechter stelt vast dat in de arbeidsovereenkomst van [eisende partij] niets is opgenomen omtrent de aanspraak op vakantietoeslag. [eisende partij] stelt zich op het standpunt dat hij op grond van de tot 1 juli 2004 geldende cao recht heeft op 8% vakantietoeslag en dat deze cao nawerking heeft tot 17 juni 2010. Ook op grond van de met ingang van 1 juli 2009 geldende cao, stelt [eisende partij] aanspraak te maken op vakantietoeslag.

4.5. De kantonrechter overweegt ten aanzien van de tot 1 juli 2004 geldende cao als volgt. Gesteld noch gebleken is dat [eisende partij] een zgn. gebonden werknemer is. [gedaagde partij] heeft de cao derhalve toegepast met inachtneming van artikel 14 van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (WCAO). De cao heeft in dat geval na het eindigen geen nawerking, tenzij partijen toepasselijkheid van de cao in een incorporatiebeding zijn overeengekomen. Uit de stukken is niet gebleken dat partijen dit zijn overeengekomen. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat de tot 1 juli 2004 geldende cao ten opzichte van [eisende partij] geen nawerking heeft. Vanaf 1 juli 2009 is een nieuwe cao van toepassing. Op grond van artikel 14 WCAO dient [gedaagde partij] deze ook toe te passen ten aanzien van ongebonden werknemers. Nu partijen deze cao in de arbeidsovereenkomst niet van toepassing hebben verklaard, heeft [eisende partij] als ongebonden werknemer niet zelf de mogelijkheid nakoming van de cao door de werkgever te vragen. Dat is voorbehouden aan de vakvereniging. Aan het feit dat [gedaagde partij] de cao ten opzichte van [eisende partij] niet heeft toegepast kan [eisende partij] in deze geen rechten ontlenen.

4.6. Op grond van artikel 15 lid 1 WMM heeft [eisende partij] jegens [gedaagde partij] wel aanspraak op vakantietoeslag ten minste tot een bedrag van 8% van zijn loon, met dien verstande dat het bedrag waarmee de som van dit loon het drievoud van het minimumloon overschrijdt buiten beschouwing blijft. [gedaagde partij] stelt zich op het standpunt dat [eisende partij] geen aanspraak heeft op vakantiebijslag in verband met het bepaalde in artikel 15 lid 1 WMM. [eisende partij] heeft, aldus [gedaagde partij], gedurende de periode 2004 tot en met 2010 meer dan het drievoud van het minimumloon ontvangen, hetgeen [eisende partij] niet betwist.

4.7. De kantonrechter overweegt als volgt. Op grond van artikel 19 WMM zijn de bepalingen van de WMM van dwingend recht. Anders dan [gedaagde partij] betoogt heeft toepassing van artikel 15 lid 1 WMM niet tot gevolg dat [eisende partij] in het geheel geen aanspraak heeft op vakantietoeslag. Artikel 15 lid 1 WMM geeft een formeel maximum voor de wijze van berekening van de vakantietoeslag. Over het deel van het loon, dat uitkomt boven driemaal het minimumloon, hoeft geen vakantietoeslag te worden betaald (art.15, lid 1, WML). Dit betekent dat in het geval van [eisende partij] de vakantietoeslag moet worden berekend over het maximum te weten driemaal het minimumloon.

4.8. [gedaagde partij] stelt zich op het standpunt dat zij desondanks aan [eisende partij] geen vakantietoeslag verschuldigd is, omdat zij in 2004 met [eisende partij] is overeengekomen dat de vakantietoeslag zou worden vervangen door cq verrekend met de in § 5 van de arbeidsovereenkomst opgenomen eindejaarsuitkering. Dat partijen dit zijn overeengekomen blijkt volgens [gedaagde partij] onder meer uit het feit dat in de voor 2004 geldende arbeidsovereenkomst met [eisende partij] uitdrukkelijk een vakantietoeslag van 8% is overeengekomen, die in de arbeidsovereenkomst van 2004 niet meer voorkwam. In de arbeidsovereenkomst van 2004 is daarentegen wel een regeling opgenomen omtrent een eindejaarsuitkering. [gedaagde partij] stelt dat het [eisende partij] bij vergelijking van deze arbeids-overeenkomsten duidelijk had moeten zijn dat op zijn nieuwe arbeidovereenkomst de contractuele vakantietoeslagregeling niet meer van toepassing was en hij in plaats daarvan recht had op een eindejaarsuitkering van ten minste een maandsalaris. Bovendien zijn de wijzigingen in de arbeidsovereenkomst, aldus [gedaagde partij], uitdrukkelijk met [eisende partij] besproken. Daarnaast stelt [gedaagde partij] dat in latere arbeidsovereenkomsten, die [eisende partij] als technisch directeur met nieuwe medewerkers heeft afgesloten, uitdrukkelijk is opgenomen dat de wettelijke vakantietoeslag en de eindejaarsuitkering met elkaar worden verrekend.

4.9. De kantonrechter overweegt als volgt. Ingevolge artikel 16 lid 5 WMM kan, ingeval het door de werkgever en werknemer overeengekomen loon het drievoud van het minimumloon overschrijdt, bij schriftelijke overeenkomst worden bepaald, dat de werknemer geen aanspraak heeft op vakantiebijslag dan wel aanspraak heeft op een lager bedrag aan vakantiebijslag. In de arbeidsovereenkomst van 2004 is ter zake de vakantietoeslag in het geheel niets opgenomen. Daarin is dus ook niet vastgelegd dat de vakantietoeslag zou worden vervangen door dan wel verrekend met de eindejaarsuitkering. Indien [gedaagde partij] een dergelijke afwijking van de wettelijke bepaling met [eisende partij] overeen had willen komen, had zij dit, gelet op het bepaalde in artikel 16 lid 5 WMM schriftelijk moeten doen. Dit geld temeer nu [eisende partij] in de jaren voor 2004 ook aanspraak maakte op een eindejaarsuitkering en daarnaast vakantietoeslag ontving. Het niet meer uitbetalen van vakantietoeslag zou dan een teruggang in inkomen betekenen voor [eisende partij], hetgeen juist reden vormt om een dergelijke vergaande afspraak schriftelijk met [eisende partij] overeen te komen. Gesteld noch gebleken is dat aan de door [gedaagde partij] gestelde afspraak een schriftelijke overeenkomst ten grondslag ligt. Gelet op de stellingen van partijen op dit punt behoeft de vraag of partijen een dergelijke afspraak wel mondeling hebben gemaakt niet te worden beantwoord. Dat in overeenkomsten die [gedaagde partij] na 1 januari 2004 met nieuwe medewerkers heeft gesloten een dergelijke afspraak wel is opgenomen, maakt dit niet anders nu die overeenkomsten niet met [eisende partij] zijn gesloten.

4.10. Hetgeen in het voorgaande is overwogen geldt evenzeer ten aanzien van de vakantietoeslag over de vergoeding wegens opgebouwde maar niet-genoten vakantiedagen nu deze vergoeding gelijk moet worden gesteld met het loon.

4.11. Voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van [eisende partij] tot betaling van de vakantietoeslag over de vergoeding wegens opgebouwde maar niet-genoten vakantiedagen ad € 1.842,54 bruto alsmede tot betaling van de achterstallige vakantietoeslag over de periode 29 december 2005 tot 1 december 2010 wordt toegewezen. Over deze periode moet de vakantietoeslag worden berekend over het drievoud van het minimumloon als bedoeld in artikel 15 lid 1 en lid 2 WMM. De kantonrechter stelt [eisende partij] in de gelegenheid bij akte een berekening van de vakantietoeslag over te leggen met inachtneming van hetgeen in het voorgaande is overwogen. Daarbij dient [eisende partij] inzichtelijk te maken hoe en op grond van welke bedragen de berekening is samengesteld. Daarbij dient [eisende partij] tevens een nieuwe berekening te maken van de gevorderde wettelijke rente over de achterstallige vakantietoeslag tot 1 januari 2011.

4.12. Nu het niet tijdig betalen van de vakantietoeslag aan [gedaagde partij] is toe te rekenen, ziet de kantonrechter aanleiding om [gedaagde partij] te veroordelen tot het betalen van de wettelijke verhoging. Deze zal worden gematigd tot 20% over de achterstallige vakantietoeslag.

4.13. [eisende partij] heeft de door hem gevorderde buitengerechtelijke kosten niet met stukken onderbouwt. De kantonrechter kan er niet van uitgaan dat sprake is van andere kosten dan de kosten ter voorbereiding van de procedure. Deze zijn onderdeel van de proceskosten, waarover een aparte beslissing wordt genomen. Daarom worden de buitengerechtelijke kosten afgewezen.

4.14. In haar akte na comparitie geeft [eisende partij] aan dat [gedaagde partij] na dagvaarding aan de vordering ter zake het opstellen en aan [eisende partij] ter hand stellen van een getuigschrift heeft voldaan. [eisende partij] stelt dat hij, behoudens voor de beslissing over de proceskosten, geen belang meer heeft bij toewijzing van deze vordering. De kantonrechter stelt vast dat deze vordering thans geen bespreking meer behoeft.

4.15. Nu [eisende partij] in de gelegenheid wordt gesteld bij akte een berekening in het geding te brengen betreffende de vakantietoeslag over de periode 29 december 2005 tot 1 december 2010 ziet de kantonrechter aanleiding iedere verdere beslissing aan te houden.

5. De beslissing

De kantonrechter

5.1. stelt [eisende partij] in de gelegenheid bij akte een berekening als bedoeld in rechtsoverweging 4.10 in het geding te brengen;

5.2. verwijst de zaak naar de rolzitting van vrijdag 9 december 2011 om 10.30 uur voor het nemen van voornoemde akte door [eisende partij];

5.3. bepaalt dat [gedaagde partij] vervolgens in de gelegenheid zal worden gesteld om op de akte van [eisende partij] te reageren;

5.4. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. P.J. Wiegman en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2011.