Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BV2314

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
31-01-2012
Zaaknummer
05/800019-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer veroordeelt een 39-jarige korporaal tot een werkstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zeven weken voor een poging tot zware mishandeling met een barkruk. De voorwaardelijke gevangenisstraf legt de militaire kamer op onder de bijzondere voorwaarden van een meldinggebod bij de reclassering en een behandelverplichting. Voorts heeft de militaire kamer de korporaal veroordeeld om het slachtoffer een bedrag van € 5.000,-- te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Militaire kamer

Promis II

Parketnummer : 05/800019-11

Datum zitting : 20 juni 2011 en 12 december 2011

Datum uitspraak : 23 december 2011

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum-en plaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats],

rang : korporaal,

eenheid : Sociaal Medische Dienst Amsterdam.

Raadsman : mr. H.O. den Otter, advocaat te Almere.

Officier van justitie: mr. J.C. Stikkelman.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 08 januari 2011 te Den Helder,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan S.A. [slachtoffer]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk voornoemde

[slachtoffer] met een barkruk, althans met een hard/zwaar voorwerp, (met kracht)

op/tegen het hoofd, althans lichaam, heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 20 juni 2011 en 12 december 2011 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. H.O. den Otter, advocaat te Almere.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht (drie dagen, dat wil zeggen zes uren). Verder heeft de officier van justitie geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarden van voortzetting van huidige ambulante behandeling en verplicht reclasseringstoezicht.

De officier van justitie heeft verder verzocht dat de vordering van de benadeelde partij S.A. [slachtoffer] tot het gevorderde bedrag van € 8.545,- wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag.

De officier meent dat de in beslaggenomen barkruk moet worden teruggegeven aan de rechthebbende.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslis¬sing inzake het bewijs

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Nu verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en zijn raadsman op geen enkel onderdeel vrijspraak heeft bepleit, is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering. Om die reden wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van

20 juni 2011;

- het proces-verbaal van aangifte door S. [slachtoffer], pag. 38;

- het proces-verbaal van aanvullende aangifte door S. [slachtoffer] pag. 41;

- het proces-verbaal van verhoor getuige E.H.G. [getuige] pag. 69;

- het proces-verbaal van bevindingen camera/videobeelden door R. [verbalisant1] en C.L. [verbalisant2], pag. 86 en 87;

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 08 januari 2011 te Den Helder, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan S.A. [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk voornoemde [slachtoffer] met een barkruk, met kracht tegen het hoofd, heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het bewezenverklaarde:

Poging tot zware mishandeling.

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. De verdachte is dan ook strafbaar

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat, gelet op de ernst van het feit, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is. Gelet op de Pro Justitia rapportage van 16 november 2011, waarin wordt geadviseerd verdachte ten aanzien van het feit verminderd toerekeningsvatbaar te achten, op het – aan het feit – voorafgegane incident en het tijdsverloop. heeft de officier van justitie gevorderd zoals weergegeven onder 2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de onvoorwaardelijke werkstraf en de voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals geëist, dienen te worden gematigd. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de eigen schuld van het slachtoffer een grotere rol moet spelen bij vaststelling van de straf. Ook het feit dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is dient (meer) in de strafmaat te worden verdisconteerd.

De beoordeling door de militaire kamer

Bij de beslissing over de straf heeft de militaire kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 10 januari 2011;

• een reclasseringsadvies, opgemaakt door P.C. Olie, gedateerd 4 april 2011, betreffende verdachte;

• een psychiatrisch rapport, opgemaakt door M. Abad, psychiater, gedateerd

3 juni 2011, betreffende verdachte;

• een psychiatrisch rapport, opgemaakt door H.E.M. van Beek, psychiater, gedateerd 16 november 2011, betreffende verdachte.

De militaire kamer overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling, door aangever onverwacht van achter met een barkruk hard tegen het hoofd te slaan.

Dit is een ernstig feit, als gevolg waarvan het slachtoffer hoofdletsel heeft opgelopen. Verdachte mag van geluk spreken dat dit letsel in zekere zin ‘beperkt’ is gebleven.

Het is immers een feit van algemene bekendheid dat het inslaan met een zwaar en hard voorwerp als een barkruk tegen het hoofd voor aanzienlijk letsel bij die persoon kan zorgen. De handeling van verdachte had daarom ook heel anders kunnen aflopen. De militaire kamer rekent dit verdachte zwaar aan. Voor een dergelijk ernstig feit zou in beginsel een gevangenisstraf passend en geboden zijn.

Echter, de militaire kamer houdt ook rekening met de omstandigheid dat, zoals door verbalisanten is waargenomen op ter plaatse opgenomen videobeelden, aangever verdachte enkele minuten eerder zonder noemenswaardige aanleiding met kracht in zijn gezicht had geslagen, waardoor verdachte naar achter viel. Ondanks het feit dat dit gedrag absoluut geen rechtvaardiging kan zijn voor het gedrag van verdachte, enkele minuten later, is de militaire kamer wel van oordeel dat dit moet worden meegewogen bij het vaststellen van de straf.

De militaire kamer neemt ook in haar beoordeling mee dat verdachte is gediagnosticeerd met een ‘Post Traumatische Stress Stoornis’ (PTSS) en ADHD. De psychiater H.E.M. van Beek stelt dat verband bestaat tussen het bewezenverklaarde en de diagnose van PTSS en ADHD, zodat hij adviseert verdachte in mindere mate toerekeningsvatbaar aan te merken. De militaire is mede op basis van het rapport van Van Beek van oordeel dat verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde verminderd toerekeningsvatbaar is, en houdt daar rekening mee bij haar strafoplegging.

Alles afwegende is de militaire kamer van oordeel dat het opleggen van een onvoorwaardelijke werkstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zeven weken passend en geboden zijn.

Daarbij weegt de militaire kamer mee dat de omvang van deze straf niet dusdanig is dat verdachte daarmee hoe dan ook zijn veiligheidsverklaring en daarmee zijn baan verliest.

De militaire kamer is verder van oordeel dat aan de voorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden van verplicht reclasseringstoezicht en voortzetting van de huidige ambulante behandeling bij de polikliniek forensische psychiatrie moeten worden gekoppeld. Verdachte heeft, onder meer ter terechtzitting van 12 december 2011 verklaard dat hij hiervoor zeer gemotiveerd is. Gezien de bovengenoemde persoonlijke omstandigheden is de militaire kamer van oordeel dat die bijzondere voorwaarden eraan kunnen bijdragen dat verdachte in de toekomst niet weer de fout in zal gaan.

De tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal in mindering worden gebracht. Het gaat dan om drie dagen, dat wil zeggen zes uren.

6a. De beoordeling van de civiele vordering van S.A. [slachtoffer]

De benadeelde partij S.A. [slachtoffer] heeft, overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering, opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van de door hem geleden schade.

Hij vordert ter zake van geleden materiële schade een bedrag van € 7.195,-- en ter zake van geleden immateriële schade een bedrag van € 1.350,--.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij S.A. [slachtoffer] tot het gevorderde bedrag van € 8.545,- moet wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag.

Het standpunt van de verdediging

De raadman heeft betoogd dat bij de ingediende vordering, ten aanzien van de inkomensderving, de vraag kan worden gesteld of de benadeelde partij geen voordeel wil halen uit deze strafzaak. Verder heeft de raadsman betoogd dat de immateriële schade dient te worden gematigd in verband met de eigen schuld van de benadeelde partij. Voor het overige is de vordering door of namens verdachte niet betwist.

De beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer is van oordeel dat het onderhavige dossier geen enkele ondersteuning biedt voor de veronderstelling van de raadsman, dat de benadeelde partij voordeel wil trekken uit deze strafzaak.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat de benadeelde partij verdachte enkele minuten voor dat hij door verdachte geslagen werd zelf verdachte heeft geslagen niet met zich brengt dat de schade die de benadeelde door het later onverwacht met de barkruk slaan door verdachte heeft opgelopen (deels) aan hem zelf moet worden toegerekend.

De militaire kamer is echter van oordeel dat het opgevoerde bedrag van inkomensderving zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet in zijn geheel kan worden aangemerkt als geleden schade. Sprake is van een ‘dayrate’ van € 450,-- per dag (zoals blijkt uit de door de verdediging overgelegde afspraakbevestiging met Bluestream van 7 december 2011) gedurende 15 dagen. Aangenomen moet worden dat dit een bruto vergoeding is, nog te verminderen met belasting en onkosten.

Welke deel van de – overigens voldoende onderbouwde - ‘dayrate’ – als schade heeft te gelden kan zonder nader onderzoek, hetgeen een onevenredige belasting van het strafproces zou betekenen, niet worden vastgesteld. De militaire kamer is echter van oordeel dat de schade schattenderwijs tenminste de helft van de ‘dayrate’ (exclusief de door benadeelde opgegeven vergoeding voor mobilisatie- en demobilisatiekosten) bedraagt, zodat een bedrag van 15 x € 225,00 = € 3.375,-- toewijsbaar is en de vordering voor wat deze post betreft voor het meerdere niet-ontvankelijk is. Dat deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Voor het overige zal de militaire kamer de vordering voor wat betreft de materiële schade in zijn geheel toewijzen. Het gaat hier om verplicht eigen risico van € 170,-- een trui van

€ 79,-- en de ziekenhuisdagvergoeding van € 26,--.

De militaire kamer is verder van oordeel dat de benadeelde partij gezien de voorgaande gestelde en niet betwiste gevolgen van het geweldsincident, immateriële schade heeft opgelopen.

De militaire kamer is van oordeel dat een bedrag van € 1.350,00 aan schadevergoeding op zijn plaats is, zodat de militaire kamer dit bedrag zal toewijzen aan het slachtoffer.

Het totale bedrag dat door de verdachte aan de benadeelde partij dient te worden betaald bedraagt dan € 5.000,--.

De militaire kamer zal tevens de wettelijke rente vanaf 8 januari 2011 toewijzen en de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht toepassen.

7. Beslag

Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven barkruk, heeft de officier van justitie gevorderd dat deze zal worden teruggegeven aan de rechthebbende. De raadsman refereert zich aan het oordeel van de militaire kamer.

De militaire kamer is van oordeel dat de barkruk dient te worden teruggegeven aan de rechthebbende, te weten J. [naam].

8. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 45, 300 en 302 van het Wetboek van Straf¬recht.

9. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4a.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

Een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) weken.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf van 7 (zeven) weken niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit dan wel navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:

- Meldingsgebod

De veroordeelde moet zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering haar geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet veroordeelde zich binnen 14 dagen volgend op de datum van de uitspraak, tijdens kantooruren melden bij Reclassering Nederland, op het adres Rubenslaan 2-6 te Alkmaar. Hierna moet hij zich gedurende door Reclassering Nederland te bepalen perioden blijven melden zo frequent als deze reclasseringsinstelling dat gedurende deze perioden nodig acht.

- Behandelverplichting

De veroordeelde wordt verplicht de huidige ambulante behandeling bij de Divisie Forensische Psychiatrie voort te zetten, dit voor zover en zolang deze instelling dit in overleg met de reclassering noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan de (stichting) Reclassering Nederland om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

En voorts tot

het verrichten van een werkstraf gedurende 240 (tweehonderd veertig uren) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen een jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

Bepaalt voorts dat de termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij zich aan zodanige vrijheidsontneming heeft onttrokken.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 120 (honderd twintig) dagen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat tijd, door de veroordeelde in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering wordt gebracht, te weten (6) uren, zijnde drie (3) dagen hechtenis.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij S. [slachtoffer].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan S. [slachtoffer], te betalen € 5.000,-- (zegge vijfduizend euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 januari 2011.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige van de vordering niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding ad € 5.000,-- subsidiair 60 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer S. [slachtoffer], te betalen € 5000,-- (zegge vijfduizend euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 60 (zestig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Gelast teruggave van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven barkruk aan de rechthebbende, te weten J. [naam].

Heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. T.P.E.E. van Groeningen, als voorzitter,

mr. E. de Boer, rechter,

kapitein ter zee van administratie mr. F.N.J. Jansen, militair lid,

in tegenwoordigheid van mr. G. Croes, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 december 2011.