Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BV1891

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
25-01-2012
Zaaknummer
216937
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

SQS heeft een kredietverzekeringsovereenkomst gesloten met verzekeraar Atradius. De verzekering is ingegaan op 1 juli 2007 en dekt 85% van verliezen door insolventie en vermoedelijke insolventie.

Atradius vordert - samengevat - veroordeling van SQS tot betaling van € 11.033,57, vermeerderd met rente en kosten, waaronder incassokosten en nakosten. Atradius stelt zich op het standpunt dat de schadeafrekening van 18 juni 2009 is vervallen op grond van module 1200.0 (b) omdat A1 de vordering van SQS betwist en geen duidelijkheid ontstaat over de gegrondheid van de betwisting omdat SQS niet meewerkt aan het in rechte aanspreken van A1. Zij eist terugbetaling van het door haar op grond van die schadeafrekening aan SQS betaalde bedrag als onverschuldigd betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 216937 / HA ZA 11-919

Vonnis van 14 december 2011

in de zaak van

de naamloze vennootschap

ATRADIUS CREDIT INSURANCE N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. A.W. van Odijk te Utrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STORAGE QUALITY SOLUTIONS B.V.,

gevestigd te Emmen,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. S. Hering-de Monchy te Zutphen.

Partijen zullen hierna Atradius en SQS genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 september 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 23 november 2011

- de conclusie van antwoord in reconventie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. SQS heeft een kredietverzekeringsovereenkomst gesloten met verzekeraar Atradius. De verzekering is ingegaan op 1 juli 2007 en dekt 85% van verliezen door insolventie en vermoedelijke insolventie. De desbetreffende Voorwaarden noemen deze schade-oorzaken op p. 1, waar zij tevens aangeven dat de vorderingen uitgesloten zijn die onder ‘algemene uitsluitingen’ vallen. De Voorwaarden luiden, onder Uitgesloten schade-oorzaken, 01200.00, Algemeen uitgesloten schade-oorzaken, onder meer als volgt.

De dekking is niet van toepassing op:

(…)

b) verliezen die worden veroorzaakt door of voortvloeien uit een geschil waarbij de Debiteur – op welke grond ook – gedeeltelijke of volledige betaling van de vordering achterwege laat of een uit het contract voortvloeiende verplichting niet nakomt. Deze uitsluiting geldt niet meer zodra het geschil wordt beslist ten gunste van u, dan wel door een minnelijke schikking dan wel door een definitieve arbitrage- of rechtsuitspraak.

2.2. Onder 20100.00, Schadebeperkende maatregelen, luiden de Voorwaarden:

(…) U dient alle mogelijke maatregelen te nemen om betaling van het door Debiteur verschuldigde bedrag te bewerkstelligen en om schade te voorkomen en te beperken (…). U bent verplicht alle maatregelen te nemen die wij in verband met een dreigende of daadwerkelijke schade nodig achten, - zowel voor als na schadevergoeding – waaronder het aanhangig maken van een gerechtelijke procedure.

2.3. SQS meldt op 28 januari 2009 schade in verband met een onbetaald gebleven leverantie van SQS aan A1 Internet B.V. (hierna: A1) van hard- en software aan Atradius. Zij dient terzake een claim bij Atradius in. Het desbetreffende factuurbedrag is € 15.447,00 inclusief btw.

2.4. A1 laat Atradius weten verweer te voeren. SQS stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een reëel verweer en ook Atradius betwijfelt of het verweer reëel is.

2.5. Het dekkingspercentage terzake van de onder 2.3 bedoelde schade leidt gelet op het feit dat btw uitgesloten was, tot een vergoeding van € 11.033,57. Deze vergoeding kent Atradius SQS bij brief van 18 juni 2009 toe onder de mededeling:

Wij behouden ons het recht voor het bedrag van de schadevergoeding terug te vorderen, indien in de toekomst mocht blijken dat uw vordering betwist wordt. Wij verwijzen naar module 1200.00 (b). Zie ook onder Voorwaarden voor uitbetaling, punt 3 van uw schadeafrekening.

2.6. De desbetreffende Voorwaarde voor uitbetaling luidt:

Indien een vordering op de debiteur nog niet is erkend dan wel een erkenning wordt herroepen, is verzekerde verplicht het bedrag van de schadevergoeding op eerste verzoek van de Verzekeraar onmiddellijk te restitueren zodra op grond van een al dan niet in kracht van gewijsde gegane rechterlijke of scheidsrechterlijke uitspraak of bij schikking of op andere wijze komt vast te staan dat de debiteur, bewindvoerder c.q. curator de vordering terecht betwist.

2.7. De brief van 18 juni 2009 (2.5) waarop aan de achterzijde onder meer de onder 2.6 geciteerde voorwaarde staat afgedrukt, waarnaar de brief verwijst, wordt voor akkoord getekend door [betrokken[betrokkene 1] namens SQS op 29 juni 2009.

2.8. Op 15 juli 2009 schrijft Atradius’ incassobedrijf, Atradius Collections, vertegenwoordigd door [betrokkene 2], aan SQS onder meer:

(…) is het ons helaas niet gelukt in der minne betaling verkrijgen (…).

U zult thans dan ook dienen te beslissen of u wenst dat wij namens u tot het nemen van verdere rechtmaatregelen jegens uw wederpartij dienen over te gaan.

2.9. Vervolgens heeft SQS’ directeur [betrokkene 1] op 20 juli 2009 telefonisch gesproken met een zekere heer [betrokkene 3], vervanger van [betrokkene 2]. Op 28 juli 2009 schrijft SQS aan Atradius:

Naar gesprek met Atradius op 20-07-09 ontstaan voor ons geen kosten met betrekking op deze zaak. Het is kompleet verzekerd.

3. Het geschil

in conventie

3.1. Atradius vordert – samengevat – veroordeling van SQS tot betaling van € 11.033,57, vermeerderd met rente en kosten, waaronder incassokosten en nakosten. Atradius stelt zich op het standpunt dat de schadeafrekening van 18 juni 2009 is vervallen op grond van module 1200.00 (b) omdat A1 de vordering van SQS betwist en geen duidelijkheid ontstaat over de gegrondheid van de betwisting omdat SQS niet meewerkt aan het in rechte aanspreken van A1. Zij eist terugbetaling van het door haar op grond van die schadeafrekening aan SQS betaalde bedrag als onverschuldigd betaald.

3.2. SQS voert verweer. Op de stellingen van partijen gaat de rechtbank hierna, voor zover van belang, nader in.

in reconventie

3.3. SQS vordert – samengevat – veroordeling van Atradius tot betaling van € 3.765,65, vermeerderd met rente en kosten. Zij stelt dat zij nu Atradius niets van haar te vorderen heeft, ook geen wettelijke rente of buitengerechtelijke kosten verschuldigd is. Atradius voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. Het is nuttig om eerst het systeem van de door SQS bij Atradius gesloten verzekering te bezien zoals dat uit de geciteerde voorwaarden blijkt. De polis houdt onder meer het volgende in. De verzekering biedt dekking in het geval van insolventie en in daarmee gelijk te stellen gevallen. Inhoudelijk betwiste vorderingen, dus vorderingen waarbij de reden van niet-betaling door de debiteur niet in betalingsonvermogen ligt, vallen dus niet onder de polis. Het is aan de verzekerde aan te tonen dat insolventie de oorzaak van niet betaling door zijn debiteur is. De polis verplicht hem hiertoe. SQS heeft niet gesteld en ook is anderszins niet gebleken dat dit systeem haar niet duidelijk was.

4.2. In deze situatie heeft Atradius, rekening houdend met de mogelijkheid dat A1 niet kon betalen, een uitkering gedaan onder de ontbindende voorwaarde dat er van een inhoudelijke betwisting sprake zou zijn. Dan immers bood de verzekering geen dekking en was het aan SQS duidelijk te maken dat A1 niet kon betalen; dit laatste volgt uit de geciteerde polismodules en overigens ook uit module 20750.00.

4.3. SQS stelt dat het beroep op module 1200.00 (b) dat Atradius in haar brief van 18 juni 2009 heeft gedaan, onredelijk bezwarend is omdat het een kernbeding van de verzekeringsovereenkomst raakt. Dit standpunt verwerpt de rechtbank. Deze module houdt geen algemene voorwaarde in, maar vormt zelf een kernbeding, als noodzakelijk element van het systeem van de verzekeringsovereenkomst. De wettelijke regeling van algemene voorwaarden is er dus niet op van toepassing.

4.4. Er is, anders dan SQS stelt, geen sprake van dat Atradius op 22 januari 2009 erkende dat zij moest uitkeren. Atradius is slechts met de melding, later de claim van SQS aan het werk gegaan en heeft in dat verband overleg gehad met SQS, waarin aan de orde gekomen kan zijn dat beide partijen niets zagen in het verweer van A1. De eerste formele uitlating van Atradius over de gegrondheid van de claim van SQS is de brief van 18 juni 2009, waarin de voorwaardelijke uitkering wordt aangekondigd.

4.5. Atradius’ brief van 18 juni 2009 is duidelijk. SQS stelt dat de in de brief genoemde voorwaarde als niet geschreven moet worden beschouwd omdat op 18 juni 2009 reeds bekend was dat A1 de vordering betwistte. Dat was ook SQS bekend en juist daarom mocht Atradius ervan uitgaan dat ook SQS, de brief, die aansluit bij de polisvoorwaarden, begrepen heeft. Het verweer dat de voorwaarde als niet geschreven moet worden beschouwd, wordt dan ook verworpen.

4.6. Daarna deed zich de situatie voor waarin Atradius had uitgekeerd alsof A1 insolvent was, terwijl dit nog niet vaststond. Het was aan SQS aan te tonen dat de oorzaak van niet-betaling insolventie of een daarmee gelijk te stellen oorzaak was. De incasso-afdeling van Atradius, Atradius Collections, is met de zaak aan het werk geweest en dit resulteerde in de brief van 15 juli 2009 die, kort gezegd, SQS op deze verplichting wees.

4.7. Atradius Collections, die met het nemen van incassomaatregelen was begonnen, kon slechts verder gaan als vaststond dat het risico daarvan – dat lag voornamelijk in de mogelijkheid dat iets anders dan insolventie de reden van niet-betaling was en in proceskosten – bij SQS lag. Daarom stuurde Atradius Collections de brief van 15 juli 2009 aan SQS.

4.8. Ter comparitie heeft de directeur van SQS, [betrokkene 1], verklaard dat hij Atradius toen na 28 juli 2009 opnieuw contact werd opgenomen, heeft laten weten: “Jullie doen maar, maar ik hoef geen kosten te betalen”. Dit is in strijd met zijn verplichtingen zoals die uit de verzekeringsvoorwaarden voortvloeien. [betrokkene 1] heeft echter ook verklaard dat [betrokkene 3] hem in het telefoongesprek van 20 juli 2009 heeft gezegd dat het aan Atradius was om de schade te beperken en de kosten van die schadebeperking te dragen.

4.9. Hierbij zou [betrokkene 3] gesproken hebben namens de verzekeraar, de huidige procespartij, dus niet namens Atradius Collections, althans zo zou [betrokkene 1], die het gesprek namens SQS voerde, de mededelingen van [betrokkene 3] hebben mogen begrijpen. SQS biedt namelijk te bewijzen aan dat [betrokkene 3] bij haar het vertrouwen heeft gewekt namens de verzekeraar te spreken toen hij zei dat er geen kosten meer zouden zijn voor SQS omdat het aanspreken van A1 een interne zaak van Atradius was. Een dergelijke mededeling is alleen relevant als bij SQS door toedoen van de verzekeraar Atradius dit vertrouwen is gewekt.

4.10. Komt dit laatste vast te staan, dan moet geconcludeerd worden dat partijen een van de polisvoorwaarden afwijkende nadere overeenkomst hebben gesloten die meebracht dat de in de brief van 15 juli 2009 bedoelde verplichting van SQS verviel. Atradius zou dan hebben uitgekeerd terwijl de oorzaak van niet-betaling nog niet vaststond, maar er zou geen verplichting voor SQS bestaan duidelijkheid in de situatie te brengen. Dit mag SQS zo begrepen hebben dat zij niets behoefde te doen en ook niet behoefde terug te betalen. Het laatste zou immers pas moeten gebeuren als bleek dat iets anders dan financieel onvermogen de reden van niet-betaling was. Hoewel deze situatie een tijdelijke lijkt, staat zij in de weg aan toewijzing van de voorliggende vordering. SQS zal dan ook tot het aangeboden bewijs worden toegelaten.

4.11. Slaagt SQS niet in het bewijs, dan staat vast dat zij geweigerd heeft de medewerking te verlenen waarom Atradius in haar brief van 15 juli 2009 heeft gevraagd. Daarmee belemmert zij de vervulling van de in de brief van 18 juni 2009 genoemde voorwaarde en dit betekent naar vaste jurisprudentie dat de voorwaarde daarmee als vervuld dient te gelden. De vordering moet dan dus worden toegewezen.

in reconventie

4.12. Nu de positie van Atradius slechts te beoordelen is als in conventie is komen vast te staan of SQS aan haar verplichtingen tegenover Atradius heeft voldaan, zal de rechtbank iedere beslissing in reconventie aanhouden. Op voorhand overweegt de rechtbank dat de in reconventie opgeworpen kwestie in zijn geheel in conventie aan bod dient te komen bij de beoordeling van Atradius’ vordering voor zo ver deze rente en incassokosten betreft.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. laat SQS toe te bewijzen dat haar namens Atradius is meegedeeld dat er geen kosten meer zouden zijn voor SQS zijn in de kwestie-A1 waarbij als reden is genoemd dat het aanspreken van A1 een interne zaak van Atradius was,

5.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 4 januari 2012 voor uitlating door SQS of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.3. bepaalt dat SQS, indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.4. bepaalt dat SQS, indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op woensdagen in de maanden februari tot en met april 2012 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.5. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. J.D.A. den Tonkelaar in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4,

5.6. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

in conventie en in reconventie

5.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2011.