Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BV0995

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-12-2011
Datum publicatie
17-01-2012
Zaaknummer
208656
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op LJN:BT8500.

Medische aansprakelijkheid. Benoeming deskundige ter beantwoording van de vraag of de huisarts is tekortgeschoten in de door hem te verlenen zorg door in de gegeven omstandigheden geen huisbezoek af te (doen) leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 208656 / HA ZA 10-2371

Vonnis van 28 december 2011

in de zaak van

1. [eis.1],

wonende te [woonplaats],

2. J[eis.2], geboren op [geb.datum], vertegenwoordigd door eiser sub 1 als zijn wettelijk vertegenwoordiger,

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. L.T.G. van Engelen te Wageningen,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. B.M. Paijmans te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eis.1], [eis.2], [eisers] (eisers gezamenlijk) en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 12 oktober 2011

- de aktes van [eisers] en [gedaagde] van 9 november 2011

- de antwoordaktes van [eisers] en [gedaagde] van 7 december 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. Ingevolge het laatste tussenvonnis hebben beide partijen zich uitgelaten in verband met het inwinnen van een deskundigenbericht.

2.2. [eisers] heeft daarbij bezwaar gemaakt tegen een deel (hierna cursief gedrukt) van hetgeen de rechtbank in het laatste tussenvonnis onder 2.4 als vaststaand feit heeft vastgesteld (“De volgende ochtend heeft [eis.1] omstreeks 8.00 uur de eigen huisarts om een huisbezoek verzocht. [gedaagde] heeft kort daarna uit eigen beweging die huisarts op de hoogte gesteld van het nachtelijke telefoongesprek met [eis.1] en erop aangedrongen dat de eigen huisarts van [betrokkene1] met de aangevraagde visite niet te lang zou wachten.”). Naar zijn mening staat deze stelling van [gedaagde] niet vast, omdat hij die stelling betwist. Van (gemotiveerde) betwisting van die stelling is de rechtbank niet eerder gebleken. Zij ziet daarom geen aanleiding terug te komen op deze vaststelling, daargelaten dat [eisers] niet duidelijk heeft gemaakt - in het licht van de aan de deskundige te stellen vragen - waarom de deskundige van deze feitelijke vaststelling als zodanig geen kennis zou moeten (kunnen) nemen.

2.3. De partijen zijn het erover eens dat volstaan kan worden met de benoeming van één deskundige, in de persoon van dr. [deskundige1] te Utrecht. Dr. [deskundige1] heeft zich tegenover de rechtbank bereid en in staat verklaard in deze zaak een deskundigenbericht uit te brengen, zodat tot zijn benoeming zal worden overgegaan. Het voorschot op zijn loon en kosten wordt op basis van zijn opgave bepaald op € 2.677,50 (inclusief omzetbelasting). [gedaagde] heeft zich - met handhaving van zijn standpunt dat hij niet aansprakelijk is - bereid verklaard de kosten van het deskundigenbericht te dragen en zal daarom met storting van dit voorschot ter griffie worden belast.

2.4. [eisers] kan zich verenigen met de door de rechtbank voorgestelde vragen aan de deskundige. [gedaagde] heeft bezwaar tegen verstrekking aan de deskundige - als onderdeel van het procesdossier - van het medisch dossier van het ziekenhuis (prod. 10 van [eis.1] bij akte van 13 juli 2011). In dit verband heeft [gedaagde] ook bezwaar gemaakt tegen de voorgestelde vraag 6, naar het (mogelijk) door de huisarts ingestelde beleid indien wel een huisbezoek zou zijn afgelegd naar aanleiding van het nachtelijke telefoongesprek met [eis.1] op basis van dat deel van het medisch dossier. Ter beoordeling van het handelen van de huisarts moet volgens hem worden uitgegaan van dezelfde informatie die [gedaagde] op dat moment had. De later verkregen wetenschap en de dramatische afloop mogen bij die beoordeling geen rol spelen, aldus [gedaagde], die de deskundige vraag 6 wil laten beantwoorden op basis van enkel het huisartsenjournaal en de vastgestelde feiten. [eisers] vindt dat wel het volledige procesdossier ter beschikking van de deskundige moet worden gesteld. Van de fatale afloop neemt de deskundige hoe dan ook kennis, aldus [eisers], terwijl het volledige procesdossier inclusief het medisch dossier van het ziekenhuis relevant is ter beantwoording van de causaliteitsvragen. Volgens hem leest [gedaagde] vraag 6 verkeerd: de latere medische gegevens omtrent [betrokkene1] kunnen voor de deskundige relevante gegevens bevatten over de medische toestand van [betrokkene1] in de nachtelijke uren na het telefoongesprek. [eisers] benadrukt dat vraag 6 pas hoeft te worden beantwoord indien is vastgesteld dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de verleende zorg door geen huisvisite af te (doen) leggen.

2.5. De rechtbank volgt [gedaagde] niet in zijn bezwaar tegen vraag 6 en het overleggen van het medisch dossier van het ziekenhuis. In vraag 6 staat niet langer het (al dan niet tekortschietend) handelen van [gedaagde] centraal, zoals in de vragen 1 tot en met 4. In de vragen 5 tot en met 8 gaat het - indien en voor zover naar het oordeel van de deskundige [gedaagde] is tekortgeschoten in de verleende zorg door geen huisvisite te (doen) afleggen na het telefoongesprek met [eis.1] - om de gevolgen van dat tekortschietend handelen door [gedaagde], dus om het causaal verband tussen de schade en dat eventueel tekortschieten. Daarvoor is een inschatting van de toestand van [betrokkene1] na afloop van dat telefoongesprek relevant en het gehele medisch dossier bevat daarvoor mogelijk aanknopingspunten. Vanzelfsprekend zal de deskundige bij de beantwoording van vraag 6 voor ogen moeten houden dat de latere diagnose(s) en onderzoeksbevindingen ten aanzien van [betrokkene1] voor de huisarts in de nacht van het hypothetische huisbezoek niet beschikbaar waren ter bepaling van zijn beleid tijdens dat huisbezoek. Dit laat onverlet dat uit deze latere medische informatie wellicht in objectieve zin het een en ander kan worden afgeleid over de gezondheidssituatie waarin [betrokkene1] zich heeft bevonden op het moment dat het hypothetische huisbezoek zou zijn afgelegd en dus over hetgeen de huisarts bij het hypothetisch huisbezoek aan [betrokkene1] zou hebben geconstateerd, waarop hij zijn beleid zou hebben bepaald. Het zal aan de deskundige worden overgelaten te onderscheiden welke informatie uit het medisch dossier hij in het licht van het voorgaande al dan niet bij zijn beantwoording van de vragen 5 tot en met 8 kan betrekken. Aan het bezwaar van [gedaagde] tegen het beschikbaar stellen van het medisch dossier van het ziekenhuis aan de deskundige en vraag 6 zal worden tegemoet gekomen door de redactie van die vraag iets te wijzigen en daarbij uitdrukkelijk naar de onderhavige rechtsoverweging te verwijzen.

2.6. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:

1) Kunt u op grond van de in het tussenvonnis van 12 oktober 2011 onder 2.1 tot en met 2.3 genoemde vaststaande feiten en het in rov. 4.7 (laatste volzin) vastgestelde feit beoordelen of [gedaagde] te kort is geschoten in de door hem te verlenen zorg door in de gegeven omstandigheden het (doen) afleggen van een huisbezoek aan [betrokkene1] achterwege te laten naar aanleiding van het telefonisch contact tussen hem en [eis.1] op 1 mei 1997, gelet op de destijds voor huisartsen geldende professionele standaard? Indien u uw antwoord ontkennend luidt, wordt u verzocht uw antwoord zo goed mogelijk te motiveren.

2) Indien uw antwoord op vraag 1 ontkennend luidt: zou uw antwoord anders luiden indien naast de in het tussenvonnis van 12 oktober 2011 onder 2.1 tot en met 2.3 genoemde vaststaande feiten en het in rov. 4.7 (laatste volzin) vastgestelde feit tevens vast zou staan dat [eis.1] aan [gedaagde] heeft meegedeeld dat volgens de eigen huisarts van [betrokkene1] haar situatie aan het einde van de woensdag (30 april 1997) verbeterd had moeten zijn? Wilt u uw antwoord zo goed mogelijk motiveren?

3) Indien u op basis van de in het tussenvonnis van 12 oktober 2011 onder 2.1 tot en met 2.3 genoemde vaststaande feiten en het in rov. 4.7 (laatste volzin) vastgestelde feit en/of de in vraag 2 genoemde mededeling kunt beoordelen of [gedaagde] te kort is geschoten in de door hem te verlenen zorg door in de gegeven omstandigheden het (doen) afleggen van een huisbezoek aan [betrokkene1] achterwege te laten naar aanleiding van het telefonisch contact tussen hem en [eis.1] op 1 mei 1997, gelet op de destijds voor huisartsen geldende professionele standaard, wilt u dan deze vraag inhoudelijk en gemotiveerd beantwoorden en daarbij mede vermelden van welke professionele norm(en) u uitgaat?

4) Zijn er naar uw oordeel nog andere feiten en omstandigheden van belang voor de onderhavige kwestie?

Indien u van oordeel bent dat [gedaagde] tekort is geschoten in de naar aanleiding van het telefoongesprek van 1 mei 1997 te verlenen zorg, wilt u dan zo mogelijk ook de volgende vragen beantwoorden:

5) Binnen hoeveel tijd na het telefoongesprek zou een huisbezoek hebben moeten en kunnen zijn afgelegd?

6) Kunt u, uitgaande van de informatie en gegevens die de huisarts ingeval van een nachtelijk huisbezoek ter beschikking zouden hebben gestaan met betrekking tot de toestand van [betrokkene1] (zoals overwogen in rov. 2.5 van dit vonnis) bepalen tot welk mogelijk beleid de huisarts naar aanleiding van dat huisbezoek zou hebben besloten of zou hebben moeten besluiten?

7) Indien tot behandeling met antibiotica zou (moeten) zijn besloten: voor welk antibioticum zou (moeten) zijn gekozen en op welke termijn zou die behandeling feitelijk hebben kunnen aanvangen?

8) Indien tot ziekenhuisopname zou (moeten) zijn besloten: had de huisarts vooruitlopend op het overnemen van de zorg door het ziekenhuis behandeling met antibiotica reeds moeten en kunnen (doen) aanvangen en zo ja, omstreeks welk tijdstip en met welk antibioticum?

9) Zijn er naar uw oordeel nog andere feiten en omstandigheden van belang voor de onderhavige kwestie?

benoemt tot deskundige om dit onderzoek te verrichten:

dr. [deskundige1], [gegevens deskundige]

bepaalt dat de griffier een kopie van dit vonnis aan de deskundige zal toezenden,

bepaalt dat [eisers] binnen twee weken na datum van dit vonnis (kopieën van) de overige processtukken aan de rechtbank Sector civiel, roladministratie, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem zal doen toekomen,

bepaalt dat [gedaagde] binnen twee weken na datum van dit vonnis als voorschot op de kosten inclusief omzetbelasting van de deskundige € 2.677,50 ter griffie van deze rechtbank dient te deponeren door dit bedrag over te maken op rekening nummer 56.99.90.548 ten name van MvJ arrondissement Arnhem onder vermelding van het rolnummer en de namen van partijen,

bepaalt dat de griffier onmiddellijk na betaling van dit voorschot de deskundige hiervan in kennis zal stellen en dat de deskundige pas dan met het onderzoek behoeft te beginnen,

bepaalt dat de deskundige zich met vragen over het onderzoek kan wenden tot de rechter-commissaris mr. S.C.P. Giesen,

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht moet doen blijken of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding in dat bericht van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken,

bepaalt dat de deskundige een schriftelijk en ondertekend conceptrapport zal inleveren ter griffie van deze rechtbank voor 29 februari 2012, waarna schriftelijk nadere instructies van de rechtbank zullen volgen over de indiening van het definitieve rapport en de declaratie van de deskundige,

verwijst de zaak naar de rolzitting van vier weken na de datum waarop het definitieve rapport ter griffie is ingeleverd voor het nemen van een conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van [eisers] of voor bepaling datum vonnis,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. Lagarde, mr. F.M. Smit en mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 28 december 2011.

Coll. CL