Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BV0898

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
16-01-2012
Zaaknummer
222800
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In deze zaak gaat het in de kern genomen om de vraag of eiser dwangsommen heeft verbeurd omdat hij niet aan de veroordelingen tot afgifte van de auto en het verlenen van medewerking bij het overschrijven van de auto in het vonnis van 27 oktober 2010 heeft voldaan.

Indien echter juist zou zijn, hetgeen eiser stelt, dat hij in een telefoongesprek met gedaagde heeft afgesproken dat gedaagde de auto kon komen ophalen en dat gedaagde zelf daarover contact zou opnemen, dan zou dat naar het voorshandse oordeel van de voorzieningenrechter er mogelijk toe kunnen leiden dat hij geen dwangsommen heeft verbeurd. Zonder nadere bewijslevering, die eiser weliswaar heeft aangeboden maar waarvoor deze kort-gedingprocedure zich niet leent, is in deze procedure evenwel niet vast te stellen of en wat partijen tijdens het telefoongesprek hebben besproken. Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter aanleiding de executie van de dwangsommen te schorsen totdat in een bodemprocedure hierover is beslist. Het is aan de meest gereden partij om deze bodemprocedure aanhangig te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 222800 / KG ZA 11-595

Vonnis in kort geding van 14 december 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. B. de Koning te Dordrecht,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. K.W.A. Wools te Elst

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de brief d.d. 28 november 2011 met producties van de zijde van [gedaagde]

- de brief d.d. 29 november 2011 met producties van de zijde van [gedaagde]

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser]

- de pleitnota van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is door [gedaagde] gedagvaard voor de rechtbank Breda ter zake van een vordering tot afgifte van een oldtimer ([auto]) met kenteken [kenteken] (hierna te noemen: de auto) en een vordering tot het verlenen van medewerking tot overschrijving van de auto bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna te noemen: RDW) op naam van [gedaagde].

2.2. Bij vonnis van 27 oktober 2010 heeft de rechtbank Breda als volgt beslist:

4.1. verklaart voor recht dat de auto van het merk [auto] 11B met kenteken [kenteken] in eigendom aan [gedaagde] toebehoort en dat [eiser] deze auto zonder recht of titel onder zich heeft,

4.2 veroordeelt [eiser] tot afgifte van de auto aan [gedaagde], zulks binnen drie dagen na betekening van dit vonnis, met machtiging aan [gedaagde] om met behulp van de sterke arm van justitie en politie de tenuitvoerlegging van de onder 4.2. van dit vonnis uitgesproken veroordeling te bewerkstellingen indien [eiser] in gebreke blijft aan het onder 4.2. van dit vonnis bepaalde te voldoen, en veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] een dwangsom te betalen van

€ 1.000,= voor iedere dag dat [eiser] niet aan de in 4.2. uitgesproken veroordeling voldoet, zulks tot het moment dat het vonnis wordt tenuitvoergelegd met behulp van de sterke arm, en tot een maximum van € 15.000,= ,

4.3 veroordeelt [eiser] tot medewerking aan de overschrijving van de auto op naam van [gedaagde], zulks binnen drie dagen na betekening van dit vonnis, en onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,= voor iedere dag dat [eiser] niet aan deze veroordeling voldoet, zulks tot een maximum van € 15.000,=,

4.4 veroordeelt [eiser] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 624,76, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

4.5 veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 1.093,18, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling.,

4.6 bepaalt, nu de eisende partij met een toevoeging procedeert, dat de betaling van de beslag- en proceskosten dient te geschieden door voldoening

A. aan de griffier van deze rechtbank ,door middel van overschrijving op

bankrekeningnummer 56.99.90.564 ten name van MvJ, arrondissement Breda (535) onder vermelding van “proceskostenveroordeling” en het zaak- en rolnummer, wegens:

het in debet gestelde vastrecht € 197,25

explootkosten € 302,94 (€ 215,01 en € 87,93)

advocaatsalaris € 1.152,00 (€ 384,00 en € 768,00)

met welke bedragen de griffier zal dienen te handelen overeenkomstig het bepaalde bij art. 243 Rv;

B. aan de eisende partij het voor haar rekening gekomen

vastrecht ad € 65,75

(…)

2.3. De advocaat van [gedaagde] heeft op 28 oktober 2010 onder meer het volgende aan de advocaat van [eiser] geschreven:

(…) U zult inmiddels ook kennis hebben genomen van het vonnis van de rechtbank Breda van 27 dezer. (…)

Om met het laatste punt te beginnen, verzoek ik uw cliënt om binnen 3x24 uur na heden het verschuldigde bedrag aan proceskosten ad € 65,75 te voldoen op mijn derdenrekening.

Voorts verzoek ik uw cliënt om binnen 5x24 uur mij te berichten dat hij gehoor zal geven aan het vonnis. Vervolgens kunnen wij afspraken maken over de wijze waarop de auto aan cliënt wordt teruggegeven en over de wijziging van de tenaamstelling.

Mocht uw cliënt op enigerlei wijze geen uitvoering geven aan voornoemde verzoeken, dan zal ik het vonnis ter betekening aan de deurwaarder zenden en hem/haar vragen om over te gaan tot executie. Ik ga er evenwel vooralsnog vanuit dat het zover niet zal komen en dat de kwestie in goed overleg kan worden afgewikkeld. (…)

2.4. Op 17 november 2010 is de grosse van het vonnis van 27 oktober 2010 aan [eiser] betekend. In het betekeningsexploot staat onder meer het volgende:

(…) Vervolgens heb ik , (tk)gerechtsdeurwaarder, de gerekwireerde, uit kracht van voormelde executoriale titel,

IN NAAM DER KONINGIN BEVEL GEDAAN:

A. om BINNEN DRIE DAGEN NA HEDEN aan rekwirant AF TE GEVEN de auto van het merk [auto] 11B met kenteken [kenteken] als bedoeld onder 4.2 van voormeld vonnis;

B. om BINNEN DRIE DAGEN NA HEDEN MEDEWERKING TE VERLENEN aan de overschrijving van de auto op naam van rekwirant

C. om BINNEN TWEE DAGEN NA HEDEN ten behoeve van rekwirant tegen behoorlijk bewijs van kwijting TE BETALEN:

- Proceskosten € 85,75

- Kosten van dit exploot, zoals vermeld aan de voet dezes € 91,63

- Totaal € 157,38

onverminderd de nog te vervallen kosten van executie en alles onder aftrek van zodanige bedragen als hierop verder aantoonbaar in mindering zijn voldaan;

MET AANZEGGING

? dat bij niet tijdige voldoening aan de inhoud van de voormelde executoriale titel en het ten deze gedane bevel onder A. gerekwireerde een DWANGSOM verbeurt van € 1.000,-- (zegge: duizend euro) voor iedere dag dat hij hieraan niet voldoet, met een maximum van

€ 15.000,-- (zegge: vijftienduizend euro);

? dat bij niet tijdige voldoening aan de inhoud van de voormelde executoriale titel en het ten deze gedane bevel onder B, gerekwireerde een DWANGSOM verbeurt van € 1.000,-- (zegge: duizend euro) voor iedere dag dat hij hieraan niet voldoet, met een maximum van

€ 15.000,-- (zegge: vijftienduizend euro);

? dat bij niet tijdige voldoening aan de inhoud van voormelde executoriale titel en het ten deze gedane bevel onder C, zal worden overgegaan tot de tenuitvoerlegging van voormelde executoriale titel door de inbeslagname en verkoop van de roerende en/of onroerende zaken van gerekwireerde en voorts door alle andere middelen en wegen van executie, welke rekwirant ten dienste staan. (…)

2.5. Op 7 december 2010 heeft de deurwaarder in opdracht van [gedaagde] een exploot aan [eiser] betekend waarin hem is aangezegd dat hij in gebreke is gebleven aan het vonnis van 27 oktober 2010 te voldoen, waardoor hij dwangsommen heeft verbeurd ten bedrage van twee maal € 15.000,00, dus in totaal € 30.000,00. Tevens is [eiser] bij dit exploot bevolen om:

(…) BINNEN TWEE DAGEN na heden aan de inhoud van voormelde executoriale titel (opmerking voorzieningenrechter: het vonnis van 27 oktober 2010) te voldoen door tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

- dwangsommen € 30.000,00

- proceskosten € 65,75

- kosten betekening titel € 91,63

- kosten van dit exploot, (…) € 65,75

- Totaal € 30.226,95

MET AANZEGGING:

dat bij niet tijdige voldoening aan de inhoud van voormelde executoriale titel en het ten deze gedane bevel, zal worden overgegaan tot de tenuitvoerlegging van voormelde executoriale titel door de inbeslagname en verkoop van de roerende en/of onroerende zaken van gerekwireerde en voorts door alle andere middelen en wegen van executie, welke rekwirant(e) ten dienste staan; (…)

2.6. Bij e-mailbericht van 17 januari 2011 heeft de advocaat van [gedaagde] het volgende aan de deurwaarder geschreven:

(…) Cliënt is nimmer gebeld door de heer [eiser] en heeft ook geen brieven van hem ontvangen, zo liet cliënt mij weten. Ook ik heb geen berichten van de heer [eiser] ontvangen. Ik heb zijn advocaat nog aangeschreven op 28 oktober 2010 met het verzoek om aan te geven of de heer [eiser] aan het vonnis zal voldoen en zo ja, hoe. Ook hierop heb ik geen enkele reactie gekregen. Cliënt ziet daarom geen reden om afstand te doen van de dwangsommen en verzoekt u om de executie voort te zetten.

Ten aanzien van de afgifte van de auto wilde de heer [eiser] de kosten voor het brengen van de auto bij cliënt in rekening brengen. Ook daarmee kan cliënt niet instemmen. Immers, de kosten voor het executeren van het vonnis zijn voor rekening van [eiser]. (…)

2.7. Vervolgens heeft de deurwaarder bij deurwaardersexploot van 23 maart 2011 een proces-verbaal van 19 maart 2011 aan [eiser] betekend. In dit proces-verbaal staat onder meer het volgende:

Heden, de negentiende maart tweeduizendelf;

heb ik, (…) gerechtsdeurwaarder (…):

op verzoek van (…) [gedaagde], (…)

ten laste van de geëxecuteerde: (…) van [eiser], (…)

uit kracht van de grosse van een vonnis, op 27 oktober 2010 gewezen door de Rechtbank te Breda, welke executoriale titel bij exploot van mij gerechtsdeurwaarder, op 17 november 2010 aan geëxecuteerde betekend, met gelijktijdig bevel om onder meer binnen drie dagen daarna de auto van het merk [automerk] met kenteken [kenteken] af te gegeven aan rekwirant, aan welk bevel geen gevolg is gegeven;

mij in bijzijn van rekwirant begeven naar en bevonden te [ ] [woonplaats], aan het adres [adres] aan welk adres geëxecuteerde zaak doet en kantoor houdt, aan laatstgemeld adres sprekende met geëxecuteerde in persoon, aan wie ik, na mij te hebben gelegitimeerd, heb medegedeeld uit krachte als voormeld ter afgifte aan rekwirant onder mij te moeten nemen de in voormeld vonnis bedoelde auto, die hierop mij om 10.00 uur de gevraagde toegang verschafte.

vervolgens weigerde geëxecuteerde tot afgifte van vorenbedoelde auto omdat hij van mening is dat hij recht heeft op een vrijwaringsbewijs en de overschrijving van de auto op naam van rekwirant niet kan plaatsvinden omdat het overschrijvingsbewijs niet voorhanden is;

vervolgens is er een aanvullende afspraak gemaakt welke is neergelegd in een verklaring welke aan dit proces-verbaal is gehecht en daarvan deel uitmaakt,

daarna heb ik mij in bijzijn als voormeld en tezamen met geëxecuteerde begeven en bevonden naar het andere zakenadres van geëxecuteerde zijnde Perzikstraat 9d te Wijk en Aalburg, (…) alwaar ik vorenbedoelde auto ONDER MIJ HEB GENOMEN, teneinde deze af te geven aan rekwirant, die de auto krachtens voormelde executoriale titel moet ontvangen. (…)

2.8. Bij exploot van 9 mei 2011 heeft de deurwaarder namens [gedaagde] de verjaring van de dwangsommen gestuit.

2.9. Op 7 oktober 2011 heeft de deurwaarder in opdracht van [gedaagde] executoriaal beslag gelegd op een aantal in eigendom aan [eiser] toebehorende onroerende zaken.

2.10. Vervolgens heeft de deurwaarder op 13 oktober 2011 executoriaal derdenbeslag gelegd op een geldvordering van [eiser] ter zake van verhuur.

2.11. De advocaat van [eiser] heeft [gedaagde] bij brief van 17 oktober 2011 verzocht om de gelegde beslagen op te heffen, nu volgens hem geen dwangsommen zijn verbeurd.

2.12. [gedaagde] heeft aan deze sommatie geen gehoor gegeven.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair

? zal beslissen dat door [eiser] geen dwangsommen zijn verbeurd en voorts de door [gedaagde] gelegde executoriale beslagen (zoals omschreven in productie 5 en 6 bij dagvaarding) met onmiddellijke ingang zal opheffen en – met betrekking tot de in productie 5 omschreven beslagen – het kadaster zal gelasten om binnen 3 dagen na betekening van het vonnis de in kadastrale registers ingeschreven beslagen door te halen,

subsidiair

? de executie van het door de rechtbank Breda op 27 oktober 2010 gewezen vonnis met onmiddellijke ingang zal schorsen en geschorst zal houden tot ter zake van het wel of niet verschuldigd zijn van de dwangsommen onherroepelijk uitspraak is gedaan in een door [eiser] – binnen vier maanden na het door de voorzieningenrechter te wijzen vonnis – aan te vangen bodemprocedure. Dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 40.000,00,

meer subsidiair

? de executie van het door de rechtbank Breda op 27 oktober 2010 gewezen vonnis met onmiddellijke ingang zal schorsen en geschorst zal houden tot [gedaagde] – door middel van een aan [eiser] overhandigde deugdelijke bankgarantie uitgegeven door een gerenommeerde bank in Nederland ter grootte van het bedrag dat [eiser] ingevolge het door de voorzieningenrechter te wijzen vonnis als dwangsom aan [gedaagde] dient te betalen, te vermeerderen met 15% voor rente en kosten – voldoende zekerheid tot terugbetaling heeft gesteld. Deze bankgarantie dient geldig te zijn tot drie maanden na de dag dat de uitspraak in een – binnen vier maanden na het door de voorzieningenrechter te wijzen vonnis – aan te vangen bodemprocedure onherroepelijk is geworden.

primair en subsidiair

? [gedaagde] zal veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder de advocatenkosten van [eiser] alsmede de nakosten zijnde € 133,00 zonder betekening en € 199,00 met betekening, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de kosten van advocaten en de nakosten indien en voor zover deze niet binnen een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn na betekening zullen zijn voldaan.

3.2. [gedaagde] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het spoedeisend belang vloeit in voldoende mate voort uit de stellingen van [eiser].

4.2. In deze zaak gaat het in de kern genomen om de vraag of [eiser] dwangsommen heeft verbeurd omdat hij niet aan de veroordelingen tot afgifte van de auto en het verlenen van medewerking bij het overschrijven van de auto in het vonnis van 27 oktober 2010 heeft voldaan. [gedaagde] meent dat dit het geval is, terwijl [eiser] meent dat hij geen dwangsommen heeft verbeurd.

4.3. [gedaagde] baseert zijn stelling dat [eiser] dwangsommen heeft verbeurd op de omstandigheden dat de auto niet binnen drie dagen na de betekening van het vonnis aan hem is afgegeven, terwijl ook de tenaamstelling niet binnen die drie dagen is gewijzigd, zodat [eiser] vanaf 21 november 2010 een dwangsom heeft verbeurd van € 1.000,00 per dag voor beide verplichtingen, welke dwangsommen op 5 december 2010 zijn ‘volgelopen’ tot het maximum van € 15.000,00 per verplichting.

4.4. [eiser] stelt onder meer dat hij [gedaagde] telefonisch heeft aangeboden mee te werken maar dat het aan [gedaagde] was om de auto op te halen tegen afgifte van een vrijwaringsbewijs.

4.5. Wanneer in een executiegeschil de vraag moet worden beantwoord of dwangsommen zijn verbeurd, moet de voorzieningenrechter onderzoeken of de door de rechter verlangde prestatie waaraan de dwangsom als sanctie is verbonden, is verricht. In het executiegeschil heeft de voorzieningenrechter dus niet tot taak de rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen, maar dient hij zich ertoe te beperkende ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in dier voege dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (zie HR 15 november 2002, NJ 2004, 410).

4.6. Vooropgesteld wordt dat in het vonnis van 27 oktober 2010 niets staat over de wijze waarop [eiser] aan de veroordelingen in het vonnis moest voldoen. Dat is tijdens de procedure die heeft geleid tot dat vonnis evenmin aan de orde is geweest, zo hebben de partijen ter zitting verklaard.

4.7. Bij de beoordeling is uitsluitend van belang hetgeen tot en met 5 december 2010 is gebeurd, aangezien dat het einde van de periode is waarover de dwangsommen zijn gevorderd. Of [eiser] vanaf 5 december 2010 in verzuim is geweest met de nakoming, doet dan ook niet ter zake.

4.8. De advocaat van [gedaagde] heeft op 28 oktober 2010 – dus vóór de betekening van het vonnis – aan de advocaat van [eiser] een brief geschreven waarin hij [eiser] heeft verzocht contact op te nemen om nadere afspraken over de afgifte van de auto en het overschrijven van het kenteken van de auto te maken. [eiser] heeft ter zitting gesteld dat hij naar aanleiding van het vonnis van 27 oktober 2010 en de brief van 28 oktober 2010 telefonisch contact met [gedaagde] heeft gezocht om hem mede te delen dat de auto voor hem klaar stond. [gedaagde] wilde de auto echter niet bij [eiser] ophalen, nu hij van mening was dat [eiser] de auto naar hem diende te brengen. [eiser] heeft verder gesteld dat hij tegen [gedaagde] heeft gezegd dat hij bereid was de auto naar [gedaagde] te brengen, indien [gedaagde] de daarmee gepaard gaande kosten voor zijn rekening zou nemen. Daarop heeft [gedaagde] geantwoord dat hij erop zou terugkomen en dat hij contact met [eiser] zou opnemen over het afhalen van de auto dan wel het laten brengen van de auto. [gedaagde] heeft echter in de maanden daarna geen contact meer opgenomen. [eiser] biedt ten aanzien van deze stellingen uitdrukkelijk bewijs aan. Het telefoongesprek met [gedaagde] heeft hij namelijk op zijn kantoor in bijzijn van diverse personen gevoerd, aldus [eiser].

4.9. [gedaagde] heeft de stellingen van [eiser] betwist. Hij voert aan dat aan partijen na het vonnis d.d. 27 oktober 2011 geen telefonisch contact met elkaar hebben gehad.

4.10. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] en [gedaagde] in de periode 20 november 2010 tot 7 december 2010 geen handelingen hebben verricht om in gezamenlijk overleg tot een uitvoering van het vonnis van 27 oktober 2010 te komen. De partijen, noch hun advocaten, hebben in die periode met elkaar contact opgenomen.

4.11. Indien [eiser] na het vonnis van 27 oktober 2010, de brief van 28 oktober 2010 en de betekening van 17 november 2010 niets heeft gedaan, zou hij naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter niet hebben voldaan aan de veroordeling en zou hij de dwangsommen hebben verbeurd. Hoewel in het algemeen de verbintenis tot afgifte van een roerende zaak kan worden beschouwd als een haalschuld (zie artikel 6:41 onder a BW), wordt de verbintenis van [eiser] gekleurd door het feit dat hij bij vonnis is veroordeeld tot afgifte, dat hem bij brief is verzocht contact op te nemen om afspraken daarover te maken, terwijl hem bij exploot is aangezegd tot die afgifte over te gaan. Onder die omstandigheden kan een schuldenaar niet geheel passief blijven. Datzelfde geldt voor de veroordeling om medewerking te verlenen aan de overschrijving van de auto op naam van [gedaagde]. Hoewel die veroordeling een initiatief van [gedaagde] veronderstelt, bracht die verplichting tot medewerking in beginsel wel mee dat [eiser] na de brief van 28 oktober 2010 en de betekening van het vonnis contact zou opnemen met (de advocaat van) [gedaagde] om over die overschrijving afspraken te maken.

4.12. Indien echter juist zou zijn, hetgeen [eiser] stelt, dat hij in een telefoongesprek met [gedaagde] heeft afgesproken dat [gedaagde] de auto kon komen ophalen en dat [gedaagde] zelf daarover contact zou opnemen, dan zou dat naar het voorshandse oordeel van de voorzieningenrechter er mogelijk toe kunnen leiden dat hij geen dwangsommen heeft verbeurd. Zonder nadere bewijslevering, die [eiser] weliswaar heeft aangeboden maar waarvoor deze kort-gedingprocedure zich niet leent, is in deze procedure evenwel niet vast te stellen of en wat partijen tijdens het telefoongesprek hebben besproken. Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter aanleiding de executie van de dwangsommen te schorsen totdat in een bodemprocedure hierover is beslist. Het is aan de meest gereden partij om deze bodemprocedure aanhangig te maken. De gevorderde dwangsom over deze schorsing zal worden afgewezen. Aangenomen moet worden dat een deurwaarder niet tot executie zal overgaan indien die executie bij rechterlijke uitspraak is geschorst.

4.13. Aanleiding om de gelegde beslagen op te heffen, is niet aanwezig. Gebleken is immers dat deze beslagen ook zijn gelegd vanwege het feit dat [eiser] de proceskostenveroordeling in het vonnis van 27 oktober 2010 en de overige door [gedaagde] gemaakte executiekosten niet heeft voldaan.

4.14. Tot slot zal de voorzieningenrechter de vordering van [eiser] om thans in dit vonnis te beslissen dat [eiser] geen dwangsommen aan [gedaagde] verschuldigd zal zijn, afwijzen. Met het toewijzen van deze vordering zou de voorzieningenrechter de rechtstoestand tussen partijen vaststellen, hetgeen naar haar aard niet voorlopig is.

4.15. De vordering van [eiser] wordt daarom toegewezen als hierna te melden. De overige stellingen van partijen behoeven geen nadere bespreking, nu deze niet tot een andersluidend oordeel zullen leiden.

4.16. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 76,31

- griffierecht € 260,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.152,31

4.17. De gevorderde nakosten worden eveneens toegewezen.

4.18. De gevorderde wettelijke handelsrente over de proceskosten en nakosten worden afgewezen, nu niet is gebleken dat in de onderhavige situatie sprake is van een handelsovereenkomst. In plaats van de wettelijke handelsrente zal de voorzieningenrechter de wettelijke rente toewijzen.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. schorst de executie van het vonnis van 27 oktober 2010 (Rechtbank Breda zaaknummer / rolnummer: [nummer]), in die zin dat [gedaagde] de door hem gestelde verbeurde dwangsommen van € 30.000,00 niet kan executeren totdat over de verschuldigdheid van de dwangsommen in een bodemprocedure bij eindvonnis is beslist,

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.152,31, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten indien [gedaagde] deze kosten niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis voldoet,

5.3. veroordeelt [gedaagde] in de nakosten, aan de zijde van [eiser] bepaald op

EUR 131,- voor salaris advocaat, te vermeerderen met EUR 68,- voor het geval betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, te vermeerderen met de wettelijke rente indien [gedaagde] deze kosten niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis voldoet,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E.B. ter Heide en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2011.