Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BV0487

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-11-2011
Datum publicatie
10-01-2012
Zaaknummer
221833
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Kernvraag in dit kort geding is of eiser, zoals gedaagden sub 2 stellen, onterfd is doordat hij de woning zonder toestemming van gedaagden sub 2 heeft verkocht. Deze vraag ligt reeds voor in de bodemprocedure die gedaagden sub 2 op 16 juni 2011 aanhangig hebben gemaakt bij deze rechtbank en waarin op 14 december 2011 vonnis zal worden gewezen.

Onvoldoende aannemelijk dat eiser de beslissing van de bodemrechter niet kan afwachten. Vorderingen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 221833 / KG ZA 11-547

Vonnis in kort geding van 28 november 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats]

eiser,

advocaat mr. R.H. van de Beeten te Zevenaar,

tegen

1. [gedaagde1],

wonende te Arnhem,

2. [gedaagden2],

wonende te Arnhem,

3. MR. W.D. HUIZINGA,

wonende en kantoorhoudende te Arnhem,

gedaagden,

advocaat mr. W.D. Huizinga te Arnhem.

Eiser zal hierna [eiser] worden genoemd. Gedaagden zullen als [gedaagde1], [gedaagden2] en mr. Huizinga aangeduid worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van gedaagden

- de aanvulling van eis.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij testament van 24 april 1970 heeft [betrokkene1] zijn huishoudster, mevrouw [betrokkene2], en zijn pleegzoon, [eiser], tot zijn gezamenlijke erfgenamen benoemd, ieder voor de helft.

2.2. [betrokkene1] is op 6 september 1980 overleden. Van zijn nala¬tenschap maakt deel uit de woning aan de [adres] (hierna: de woning). [betrokkene1] heeft in zijn testament aan [betrokkene2] en [eiser] op straffe van onterving de last opgelegd om de woning slechts met beider toestemming te verkopen. [betrokkene2] is op 17 mei 2008 over¬leden. [gedaagde1] is haar enig erfgenaam. [gedaagde1] heeft de erfenis beneficiair aanvaard.

2.3. Over de afwikkeling van de nalatenschap zijn verschillende procedures aanhangig (geweest) tussen [eiser] en (de erven) [betrokkene2]/[gedaagde1]. De verdeling van de nalatenschap van [betrokkene1] heeft nog niet plaatsgevonden.

2.4. Bij arrest van 12 mei 2009 (zaaknummers 104.001.042 en 104.001.393) gewezen in procedures tussen [eiser] en [betrokkene2], later [gedaagden2], heeft het gerechtshof Arnhem het vonnis van deze rechtbank van 9 maart 2005 onder meer bekrachtigd voor zover zij daarin in conventie onder 1 voor recht heeft verklaard:

dat doen toescheiden van de in de nalatenschap vallende onroerende zaak aan de heer [eiser] niet wordt getroffen door onterving als bedoeld in de last in het testament, ook niet indien in de akte van toescheiding deze last niet wordt opgelegd aan de heer [eiser],

Het hof heeft verder onder meer beslist:

veroordeelt beide partijen hun medewerking te verlenen aan het doen opstellen van een akte tot scheiding en deling van de nalatenschap van [betrokkene1] met als grondslag de notariële akte, verleden ten overstaan van notaris Y.O. Donders op 14 mei 1981, maar met inachtneming van hetgeen is overwogen in dit arrest en het bestreden vonnis van 9 maart 2005, voor zover dit in dit arrest is bekrachtigd;

veroordeelt partijen hun medewerking te verlenen aan de overdracht van de volledige eigendom van de onroerende zaak aan de [adres] aan [eiser];

bepaalt dat dit arrest in de plaats kan worden gesteld van alle rechtshandelingen die de erven dienen te verrichten in het kader van hun verplichting mee te werken aan de overdracht van de volledige eigendom van het pand aan de [adres] aan [eiser], indien zij medewerking zouden weigeren;

2.5. Bij arrest van 25 maart 2011 heeft de Hoge Raad het door [gedaagden2] tegen het tussenarrest van 13 maart 2007 en het arrest van 12 mei 2009 gerichte cassatieberoep verworpen.

2.6. Bij arrest in kort geding van 17 mei 2011 (zaaknummer 200.065.393) heeft het gerechtshof inzake het dictum van het arrest van het gerechtshof van 12 mei 2009 onder meer het volgende overwogen:

5.2 Daarbij rijst de vraag of het hof heeft beslist dat de toedeling van de woning onderdeel uitmaakt van de verdeling van de nalatenschap en in de akte van verdeling van de nalatenschap moet worden opgenomen, zoals [gedaagden2] betogen, of dat de tenuitvoerlegging van de verdeling van de woning apart van de verdeling van de nalatenschap kan plaatsvinden, zoals [eiser] stelt.

(…)

5.8 Het hof oordeelt dat zowel voor de lezing van [eiser] als voor de lezing van de er¬ven [betrokkene2] aanknopingspunten zijn te vinden in de bewoordingen van de hiervoor aangehaal¬de overwegingen en beslissingen. Dat zij het niet eens zijn over de uitvoering van het arrest van het hof van 12 mei 2009 behoeft dan ook niet te verwonderen.

(…)

5.11 Op grond van hetgeen is overwogen in 5.9 en 5.10 is naar het voorlopig oordeel van het hof de uitleg van [gedaagden2], dat de toedeling van de woning onderdeel uitmaakt van de verdeling van de nalatenschap en in de akte van verdeling van de nalatenschap moet worden opgenomen, het meest in lijn met de overwegingen en beslissingen van de rechtbank en het hof. Het hof volgt dan ook de uitleg van [gedaagden2]. Deze uitleg is ook in overeenstemming met het uitgangspunt dat ten grondslag ligt aan artikel 3:179 lid 1 BW dat inhoudt dat, indien een van de deelgenoten dat wenst, alle tot een gemeenschap behorende goederen en schulden (tegelijkertijd) in de verdeling worden betrokken. Ten slotte leidt deze uitleg niet tot het pro¬bleem dat de voorzieningenrechter, die de uitleg van [eiser] volgt, in rechtsoverweging 4.9 van het bestreden vonnis signaleert voor het geval de levering van de woning voorafgaat aan de verdeling van de nalatenschap. Anders dan de voorzieningenrechter heeft geoordeeld, dienen de toedeling van de woning en de inbreng van € 260.000,- plaats te vinden in en ter gelegenheid van de akte van verdeling van de nalatenschap.

2.7. [eiser] heeft zonder instemming van [gedaagden2] de woning voor een bedrag van € 380.000,00 verkocht aan mevrouw [betrokkene3] en mevrouw [betrokkene4], die de koopovereenkomst hebben ondertekend op 2 februari 2011. [eiser] heeft de overeenkomst op 1 juni 2011 ondertekend. In deze overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

Artikel 3 Eigendomsoverdracht

3.1. De akte van levering zal gepasseerd worden op 15 mei 2011 of zoveel eerder of later als partijen tezamen nader overeenkomen, ten overstaan van notaris Mr J.K.A. Bouma of diens plaatsvervanger, verbonden aan kantoor Lingewaerd notarissen B.V. (…).

2.8. Bij exploot van dagvaarding van 16 juni 2011 hebben [gedaagden2] een procedure voor deze rechtbank tegen [eiser] aanhangig gemaakt (zaak-/rolnummer 218545 / HA ZA 11-1139). Zij vorderen daarin:

a. te verklaren voor recht dat [eiser] als gevolg van de door hem gesloten overeen¬komst van koop en verkoop van het pand aan de [adres] heeft gehandeld in strijd met de hem bij testament van 24 april 1970 gegeven last, bij gevolg hij als mede-erfgenaam van [betrokkene1] is onterfd;

b. te verklaren voor recht dat de erven van [betrokkene2] als enigen gerechtigd zijn in de nalatenschap van [betrokkene1];

c. [gedaagden2] jegens [eiser] te ontheffen van al hun rechtsverplichtingen uit de tussen hen met betrekking tot de nalatenschap van [betrokkene1] door het gerechtshof Arnhem d.d. 13 maart 2007 en 12 mei 2009 onder rolnummers 2005/538 en 2005/973 gewezen arresten en de door de rechtbank Arnhem op 20 augustus 2003 en 9 maart 2005 (rolnummer 90104 HA ZA 02 1225) en 10 oktober 2010 ( 203808/KG ZA 10-511) gewezen vonnissen;

d. [eiser] te veroordelen onvoorwaardelijk zijn medewerking te verlenen aan de wijziging van de tenaamstelling van de onroerende zaak [adres] en overigens te bepalen dat het te dezen te wijzen vonnis in de plaats kan worden gesteld van alle rechtshandelingen die [eiser] zou moeten verrichten in het kader van zijn verplichting mee te werken aan de wijziging van de tenaamstelling van het onroerend goed;

(…)

2.9. Op 20 juli 2011 heeft [eiser] (in de zaak met zaak-/rolnummer 218545 / HA ZA 11-1139) geconcludeerd voor antwoord en tevens een eis van reconventie ingediend, voor zover thans van belang onder meer inhoudende:

a. te verklaren voor recht, dat in de verhouding tot eiser in reconventie [gedaagde1] heeft te gelden als erfgenaam die de nalatenschap van [betrokkene2] zuiver heeft aanvaard;

b. te verklaren voor recht, dat de erven [betrokkene2] in de nalatenschap [betrokkene1] dienen in te brengen terzake door hen genoten vruchten, c.q. rente van vruchten een bedrag van

€ 183.483,72 (zegge: een honderd drie en tachtig duizend euro en tweeënzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2011, althans een bedrag aan vergoeding voor genoten vruchten, c.q. rente als de rechtbank in goede justitie zal vaststellen;

c. [gedaagde1], althans de erven [betrokkene2], te veroordelen aan eiser in reconventie te betalen terzake van het tekort in de boedel van de nalatenschap [betrokkene1] een bedrag van € 35.303,28 (zegge: vijfendertigduizenddriehonderddrie euro en achtentwintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2011;

(…)

2.10. Op 3 november 2011 heeft in die zaak (218545 / HA ZA 11-1139) een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarna vonnis is bepaald op 14 december aanstaande.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert – na een aanvulling van eis – dat de voorzieningenrechter

A. de erven van [betrokkene2] en/of de heer [gedaagde1] veroordeelt om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis medewerking te verlenen aan het passeren ten overstaan van de boedelnotaris, althans een notaris verbonden aan diens kantoor, van een notariële verdelingsakte, ertoe strekkende dat het onroerend goed aan de [adres], [kad.gegevens], thans ten name staande van wijlen de heer [betrokkene1], in wiens nalatenschap als erfgenamen zijn opgekomen krachtens testament [betrokkene2] en eiser [eiser] op naam wordt gesteld van [eiser], onder de voorwaarde dat als zekerheid ten gunste van [gedaagden2] onder die notaris een depot is gesteld van € 67.258,74, althans een bedrag dat door de voorzieningenrechter in goede justitie is vastgesteld, op straffe van verbeurte van een dwangsom, met machtiging van eiser om veertien dagen na betekening van dit vonnis op de voet van artikel 3:301 BW te doen aanbieden aan het kadaster ter inschrijving van de eigendomstitel van voormeld onroerend goed op naam van eiser mits vergezeld van een verklaring van de boedelnotaris dat het vastgestelde depot ter beschikking staat,

B. mr. W.D. Huizinga veroordeelt om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis medewerking te verlenen aan het royement van diens recht van hypotheek op het onverdeelde aandeel van de erven [betrokkene2] in het onroerend goed aan de [adres], [kad.gegevens], thans ten name staande van wijlen de heer [betrokkene1], door ondertekening ten overstaan van de boedelnotaris of diens plaatsvervanger van een royementsverklaring op straffe van verbeurte van een dwangsom, met machtiging van eiser om veertien dagen na betekening van dit vonnis op de voet van artikel 3:301 BW te doen aanbieden aan het kadaster ter inschrijving de doorhaling van het hypotheekrecht mits vergezeld van een verklaring van de boedelnotaris dat het vastgestelde depot ter beschikking staat, en

C. gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de kosten van dit kort geding, met inbegrip van de nakosten en de wettelijke rente vanaf acht dagen na betekening.

3.2. [eiser] legt – kort gezegd – aan zijn vorderingen ten grondslag dat het gerechtshof te Arnhem bij arrest van 12 mei 2009 (dat inmiddels onherroepelijk is) heeft beslist dat de woning aan [eiser] dient te worden toebedeeld tegen inbreng in de nalatenschap van een bedrag van € 260.000,-. Tevens heeft het hof [eiser] en [gedaagden2] veroordeeld hun medewerking te verlenen aan de scheiding en deling van de nalatenschap en de toescheiding van de woning aan [eiser]. Vervolgens heeft het hof bij arrest van 17 mei 2011 beslist dat de tenaamstelling van de woning via een akte van verdeling dient plaats te vinden. Omdat [eiser] de woning inmiddels heeft verkocht en [gedaagde1] en [gedaagden2] weigeren hun medewerking te verlenen aan het passeren van de notariële verdelingsakte, vordert [eiser] dat de voorzieningenrechter hen veroordeelt daartoe, waarbij een vergoeding voor het woongenot dient te worden verrekend. Omdat een recht van hypotheek ten gunste van mr. Huizinga is gevestigd op het onverdeelde aandeel van [gedaagden2] in de woning vordert [eiser] dat mr. Huizinga wordt veroordeeld om in het kader van de tenaamstelling en de daarop volgende levering aan de kopers royement te verlenen van dit hypotheekrecht. In de plaats hiervan zal dan een pandrecht worden gevestigd.

3.3. Gedaagden voeren verweer. Samengevat stellen zij zich op het standpunt dat [eiser] door de woning zonder instemming van [gedaagden2] te verkopen de last opgenomen in het testament van [betrokkene1] heeft overtreden, ten gevolge waarvan hij is onterfd.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

de rechtsmacht

4.1. [eiser], eiser, woont in het [land]. Zijn vordering tegen in Nederland wonende gedaagden draagt een internationaal karakter. De Nederlandse rechter komt krachtens artikel 2, eerste lid van de Verordening (EG) nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX-Verordening) rechtsmacht toe, nu gedaagden allen woonplaats hebben in Nederland. De Arnhemse rechtbank is relatief bevoegd, gelet op de woonplaats van gedaagden te Arnhem.

het toepasselijk recht

4.2. Tussen partijen is niet in discussie dat op hun rechtsverhouding, de vorderingen en de beoordeling daarvan Nederlands recht toepasselijk is.

de ontvankelijkheid

4.3. [gedaagde1] heeft zich op het standpunt gesteld dat [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen jegens hem moet worden verklaard. [gedaagde1] is naast [gedaagden2] gedagvaard, terwijl hij de erfenis van [betrokkene2] beneficiair heeft aanvaard.

De voorzieningenrechter volgt [gedaagde1] in zijn stelling en zal [eiser] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering jegens [gedaagde1] in persoon. Dat [gedaagde1] in persoon is gedagvaard, omdat hij anders in zijn hoedanigheid van erfgenaam van [betrokkene2] geen dwangsommen verschuldigd zou zijn, maakt het voorgaande niet anders.

het spoedeisend belang

4.4. Kernvraag in dit kort geding is of [eiser], zoals [gedaagden2] stellen, onterfd is doordat hij de woning zonder toestemming van [gedaagden2] heeft verkocht.

Deze vraag ligt reeds voor in de bodemprocedure (zaak- en rolnummer 218545 / HA ZA 11-1139) die [gedaagden2] op 16 juni 2011 aanhangig hebben gemaakt bij deze rechtbank. Na afloop van de comparitie van partijen die op 3 november jongstleden in die zaak heeft plaatsgevonden, heeft de rechtbank medegedeeld dat zij op 14 december 2011 vonnis zal wijzen. [eiser] stelt dat hij spoedeisend belang bij de onderhavige vorderingen heeft, omdat er thans een koper is die de woning voor een prijs van € 380.000,- wil afnemen.

4.5. Voorop gesteld moet worden dat met het geven van een beslissing in dit kort geding dus vooruit wordt gelopen op het oordeel van de bodemrechter, dat op 14 december aanstaande zal volgen.

4.6. Uit de overgelegde koopovereenkomst blijkt vooralsnog niet dat [eiser] gebonden is aan een levertijd. In de koopovereenkomst wordt weliswaar als datum van levering genoemd 15 mei 2011, maar [eiser] heeft de overeenkomst pas nadien, te weten op 1 juni 2011, ondertekend. Gesteld noch gebleken is dat de kopers een beroep hebben gedaan op artikel 10, eerste lid van de koopovereenkomst (bevoegdheid tot buitengerechtelijke ontbinding in geval van niet nakoming van een verplichting uit hoofde van de koopovereenkomst). [eiser] heeft geen andere stukken overgelegd waarmee hij zijn stelling onderbouwt dat de woning op korte termijn geleverd dient te worden dan wel dat de kopers de woning met spoed willen afnemen. Aldus is onvoldoende aannemelijk geworden dat [eiser] de beslissing van de bodemrechter, die over twee weken, op 14 december 2011, zal volgen niet kan afwachten. Dit betekent dat de onder A. (jegens [gedaagden2]) gevorderde voorziening zal worden geweigerd. De jegens mr. Huizinga gevorderde voorziening zal, nu deze samenhangt met het gevorderde onder A., eveneens worden geweigerd.

4.7. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde1], [gedaagden2] en mr. Huizinga worden begroot op:

- griffierecht € 260,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.076,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen jegens [gedaagde1],

5.2. weigert de jegens [gedaagden2] en mr. Huizinga gevorderde voorzieningen,

5.3. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde1], [gedaagden2] en mr. Huizinga tot op heden begroot op € 1.076,00,

5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. B.J.M. Vermulst op 28 november 2011.