Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BV0279

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-11-2011
Datum publicatie
06-01-2012
Zaaknummer
220131
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek deelgeschil. Partijen twisten in dit deelgeschil over de vraag of het op gezamenlijk verzoek van partijen opgestelde rapport van de deskundige bindend is. Het uitgangspunt in kwesties als deze moet zijn dat partijen, die beide betrokken zijn geweest bij en hebben meegewerkt aan de totstandkoming van een deskundigenrapport, het in beginsel zullen moeten doen met de inhoud daarvan, tenzij er klemmende bezwaren bestaan om daaraan beslissende betekenis toe te kennen. De rechtbank is van oordeel dat niet gebleken is van klemmende bezwaren. Verzoek toegewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019w
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019x
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019ij
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019z
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019aa
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019bb
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019cc
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2012/43

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 220131 / HA RK 11-268

Beschikking van 25 november 2011

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

advocaat mr. L.T.G. van Engelen te Wageningen,

tegen

naamloze vennootschap

DE NOORDHOLLANDSCHE VAN 1816 SCHADEVERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ,

gevestigd te Oudkarspel, gemeente Langedijk,

verweerster,

advocaat mr. J. van Rhijn te Alkmaar.

Partijen worden hierna [verzoekster] en de Noordhollandsche genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift,

- het verweerschrift,

- de brieven met bijlagen van mr. Van Engelen van 28 oktober en 3 november 2011,

- de mondelinge behandeling van 4 november 2011 waarbij mr. Van Rhijn het verweer heeft toegelicht aan de hand van een pleitnotitie. Verschenen zijn: Mevrouw [verzoekster] voornoemd, mr. Van Engelen voornoemd, mr. Van Rhijn voornoemd en de heer [...] (personenschadebehandelaar bij de Noordhollandsche).

2. De feiten

2.1. Op [datum] is [verzoekster], terwijl zij op haar fiets reed, aangereden door een automobilist die haar geen voorrang verleende. De WAM-verzekeraar van de automobilist, de Noordhollandsche, heeft aansprakelijkheid erkend.

2.2. In een brief van 15 september 2004 aan de advocaat van [verzoekster] heeft de belangenbehartiger van de Noordhollandsche geschreven:

‘(…) De medisch adviseur van opdrachtgeefster liet me weten akkoord te kunnen gaan met de heer Kappel als uitvoerend expertist. De vraagstelling is akkoord bevonden alsmede de toe te voegen specialistische correspondentie. (…)’

2.3. In een rapport van 25 november 2004 heeft dr. Kappel onder meer geschreven:

‘(…) Samenvattend gaat het om een rechtsdominante [vrouw], die als gevolg van een verkeersongeval op [datum] een letsel had van haar rechter polsgewricht, maar die part-time haar werkzaamheden kan verrichten. De ernst van het letsel bleek aanvankelijk mee te vallen en de verwachting was dat de klachten van pijn en verminderde beweeglijkheid gaandeweg zouden verdwijnen, echter is deze verbetering uitgebleven. Thans is er sprake van een beperkte actieve range of motion van de rechterpols, de overige handgewrichten functioneren normaal, en chronische pijnklachten waarvoor zo nu en dan een orthese nodig is. Er is opmerkelijk krachtsverlies van de rechterhand en röntgenologisch blijkt het beeld te bestaan van een carpal bossing hetgeen inhoudt het ontstaan van osteofyten aan de dorsale zijde van het metacarpocarpale gewricht van de tweede en/of derde straal. Deze afwijking veroorzaakt pijnklachten. Daarnaast zijn er aanwijzingen voor het bestaan van een compressie-neuropathie van de nervus radialis rechts. Een beeld dat vaak wordt gemist en dat doorgaans een laat gevolg is van een handletsel. Voor het verbeteren van de functie en de klachten is chirurgische therapie mogelijk in de vorm van het verwijderen van de osteofyten en een decompressie van de nervus radialis nabij de elleboog maar deze verbetering kan niet worden gegarandeerd. Indien verder niets wordt ondernomen, is de kans op carpale arthrosis aanwezig.’

2.4. In een emailbericht van de belangenbehartiger van de Noordhollandsche aan de advocaat van [verzoekster] van 7 april 2009 staat onder meer:

‘Hoewel het voor de hand zou liggen dit met een kort rapport van de 1e expertiserende arts dr. Kappel te laten doen, gaat de voorkeur uit naar een andere specialist omdat uw cliënte na die eerste expertise verder is behandeld door een collega van dr. Kappel. Mijn medisch adviseur stelt als alternatief voor dr. F.H. de Graaf (…)’

2.5. In een emailbericht van 30 september 2009 van de advocaat van [verzoekster] aan de belangenbehartiger van de Noordhollandsche staat onder meer:

‘(…) Bijgaand zend ik u de reactie van mijn medisch adviseur op het voorstel van uw medisch adviseur om een onderzoek te laten verrichten door dr. De Graaf. Mijn medisch adviseur kan hiermee instemmen (…)’

2.6. In een brief van de belangenbehartiger van de Noordhollandsche van 30 november 2009 aan de advocaat van [verzoekster] staat onder meer:

‘(…) Gelet op de complexiteit van de zaak, kan mijn medisch adviseur niet instemmen met de voorgestelde expertiserend specialist (…)’

2.7. In een brief van de (nieuwe) medisch adviseur van de Noordhollandsche, dr. Grubben, aan de belangenbehartiger van de Noordhollandsche van 18 november 2009 staat onder meer:

‘(…) Aanvullend röntgenonderzoek in de St. Maartenskliniek op 30-11-1999 liet zien dat er een beginnende slijtage van het gewricht tussen middenhandsbeentje en handwortel aanwezig was, waar tevens een botwoekering werd vastgesteld. (…)

In april 2000 is plots sprake van een ‘carpal Boss’. Dit is een beenwoekering ter hoogte van de 2e of 3e straal van de hand die zeer frequent voorkomt en waarvan de origine wetenschappelijk gezien niet bekend is. Uit de literatuur komt naar voren dat in hooguit een kwart van de gevallen een mogelijk verband met een ongeval wordt gezien, duidelijk is het echter niet. Ik voeg een literatuurlijst bij waarin dit bevestigd wordt. Ik vind het echter zeer opmerkelijk daar eerder onderzoek sprak over een fractuur van de 1e straal en zelfs over slijtage ter hoogte van de 1e straal. Mij is dan ook volstrekt onduidelijk hoe ondanks het feit dat op een röntgenfoto een afsplintering van de 1e straal zichtbaar is, er in een later stadium plotseling sprake is van een fractuur van de 2e straal met een botwoekering. Hoe het ook zij, betrokkene ondervindt klachten en heeft zich daarom onder behandeling gesteld van collega van Dongen (…). De plastisch chirurg vermeldt in zijn schrijven (…) de diagnose carpal Boss (…). Vervolgens wordt betrokkene in 2001 gezien door plastisch chirurg Maas (…). Ook collega Maas spreekt over een zwelling in het gebied van het scheepvormighandwortelbeentje c.q. het 2e middenhandsbeentje. Hierna wordt betrokkene gezien voor een expertise bij mevrouw Kappel (…) Op basis van de range of motion en de röntgenopnamen stelt collega Kappel dat er sprake is van een carpal Bossing aan de basis van de 2e en 3e straal. Mij ontgaat hoe een fractuur van het 1e middenhandsbeentje kan leiden tot een carpal Bossing aan de 2e en 3e straal. Indien ik de wetenschappelijke literatuur erop na sla, blijkt dat een carpal bossing niet in direct verband kan worden gebracht met een trauma. Sterker nog, slechts in een kwart van de beschreven gevallen is een verband met een ongeval mogelijk, dus dit impliceert dat in driekwart van de gevallen een duidelijke origine niet gegeven kan worden. Dit aspect samen met het feit dat aanvankelijk slechts sprake was van een fractuur van de 1e straal waarover nu in het geheel niet meer wordt gesproken, leidt ertoe dat ik de gang van zaken niet begrijp. (…)

In de eerste plaats is deze zaak dermate gecompliceerd dat ik weinig heil zie in een plastisch chirurgische expertise bij collega de Graaf. Het heeft mijn voorkeur deze expertise te laten verrichten bij (…). De reden hiervoor is met name het feit dat ik zeer verbaasd ben over de switch van de fractuur in de 1e straal die zou uitmonden in een carpal Bossing van de 2e c.q. 3e straal. (…)’

2.8. In een brief van 14 september 2010 van dr. Grubben aan de belangenbehartiger van de Noordhollandsche staat onder meer:

‘(…) Ik heb kennis genomen van de DVD-ROM van de afdeling radiologie (…). Ten aanzien van de foto’s van de hand is het opmerkelijk dat ondergetekende (…) geen aanwijzing voor een zogenaamde carpal Bossing ziet. Ook de radioloog ziet hiervoor, conform zijn verslag, geen aanwijzingen. Dit laatste wordt bevestigd door aanvullende röntgenfoto’s (…) waarbij expliciet naar een carpal Bossing gevraagd wordt. Ook op deze foto ziet ondergetekende geen enkele aanwijzing voor een carpal Bossing, hetgeen wederom wordt bevestigd door de radioloog die expliciet in zijn rapport schrijft ‘normale botstructuren, geen carpal Bossing’ (…)’.

3. Het verzoek

3.1. [verzoekster] heeft verzocht dat de rechtbank bij beschikking:

I. voor recht zal verklaren dat het expertiserapport van dr. Kappel van 25 november 2004 tussen partijen bindend is,

II. voor recht zal verklaren dat een aanvullende expertise zal worden verricht door dr. D. de Graaf, zoals eerder tussen partijen is overeengekomen,

III. voor recht zal verklaren dat in de vraagstelling bij de aanvullende expertise wordt opgenomen dat de bevindingen en conclusies van dr. Kappel tot uitgangspunt worden genomen ter vaststelling van de ongevalsgevolgen,

IV. de Noordhollandsche zal veroordelen in de kosten van de procedure, met in achtneming van de begroting van de kosten van rechtsbijstand zoals in het verzoekschrift aangegeven.

3.2. De Noordhollandsche heeft verweer gevoerd. Daarop zal hierna zo nodig worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Partijen twisten in dit deelgeschil over de vraag of het op gezamenlijk verzoek van partijen opgestelde rapport van dr. Kappel bindend is. Het uitgangspunt in kwesties als deze moet zijn dat partijen, die beide betrokken zijn geweest bij en hebben meegewerkt aan de totstandkoming van een deskundigenrapport, het in beginsel zullen moeten doen met de inhoud daarvan, tenzij er klemmende bezwaren bestaan om daaraan beslissende betekenis toe te kennen. Volgens de Noordhollandsche is van navolgende klemmende bezwaren sprake:

- de aan dr. Kappel voorgelegde vraag naar de volgen van het ongeval betreft een juridische vraag die een juridische beoordeling vergt,

- de conclusies zijn niet of nauwelijks gemotiveerd

- het rapport geeft geen duidelijkheid over vraagtekens die door de medisch adviseur van de Noordhollandsche bij het rapport worden gesteld.

4.2. De rechtbank oordeelt over die bezwaren als volgt. Met de aan dr. Kappel voorgelegde vragen heeft de Noordhollandsche destijds ingestemd (rov. 2.2.). De IWMD-vraagstelling waaraan de Noordhollandsche refereert als zijnde de juiste vraagstelling, werd op dat moment nog niet gehanteerd in de letselschadepraktijk. Het enkele feit dat die IWMD-vraagstelling thans in de letselschadepraktijk vrij algemeen wordt toegepast, brengt niet mee dat rapporten die voordien op basis van een andere vraagstelling tot stand zijn gekomen, niet bruikbaar zouden zijn. De rechtbank deelt ook niet de opvatting van de Noordhollandsche dat die andere vraagstelling, waarmee de deskundige rechtstreeks wordt gevraagd naar het verband tussen het ongeval en het letsel, te zeer juridisch getint is om aan een medisch deskundige voor te leggen. Van een klemmend bezwaar is in zoverre geen sprake.

4.3. Dat dr. Kappel haar conclusies niet heeft gemotiveerd ziet de rechtbank niet in. Dr. Kappel heeft in haar rapportage uiteengezet hoe zij [verzoekster] heeft onderzocht en wat daarvan de uitkomst was. Mede tegen de (onbetwiste) achtergrond van de medische voorgeschiedenis van [verzoekster], waar van vergelijkbaar letsel of soortgelijke klachten nimmer sprake is geweest, is dr. Kappel vervolgens tot de conclusie gekomen dat de klachten die [verzoekster] aan haar hand ondervindt te beschouwen zijn als het gevolg van het ongeval. Zij heeft die conclusie daarmee voldoende onderbouwd.

4.4. Wat betreft het laatste bezwaar: In de kern komt het commentaar van dr. Grubben erop neer dat het hem onduidelijk is hoe een fractuur van het 1e middenhandsbeentje kan leiden tot een carpal Bossing (botwoekering) aan de 2e en 3e straal. Daarnaast wijst hij erop dat uit de literatuur blijkt dat een verband met een ongeval in hooguit een kwart van de gevallen kan worden aangenomen. De rechtbank oordeelt als volgt. Dr. Kappel moet als plastisch handchirurg bij uitstek deskundig worden geacht om de diagnose carpal Bossing te stellen. Zij staat in die opvatting ook niet alleen. Uit het schrijven van dr. Grubben van 18 november 2009 (rov. 2.7.) volgt dat meerdere behandelaars van [verzoekster] tot die diagnose zijn gekomen. Dat dr. Grubben hierover anders denkt, legt onvoldoende gewicht in de schaal. Dr. Grubben moet als orthopedisch chirurg als minder deskundig worden beschouwd op dit gebied dan dr. Kappel (en de behandelaars van [verzoekster]). Daarbij komt dat dr. Grubben, anders dan dr. Kappel en de behandelaars, [verzoekster] nooit heeft onderzocht. Het voorgaande geldt evenzeer voor het door dr. Kappel aangenomen verband met het ongeval. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat de door dr. Kappel getrokken conclusie blijkens de literatuur wel degelijk voor mogelijk moet worden gehouden, zij het dat het een minder vaak voorkomende oorzaak is.

4.5. Daarnaast geldt nog het volgende. De Noordhollandsche heeft aanvankelijk, zoals ter zitting aan de zijde van de Noordhollandsche nogmaals is erkend, ingestemd met de inhoud van het rapport van dr. Kappel en is op basis daarvan in onderhandeling is getreden met [verzoekster]. Beide partijen gingen dus uit van de juistheid van het rapport van dr. Kappel. Vijf jaar na de totstandkoming van het rapport van dr. Kappel heeft de Noordhollandsche kennelijk een andere medisch adviseur in de arm genomen die het rapport nogmaals heeft beoordeeld. Vervolgens maakt de Noordhollandsche alsnog inhoudelijk bezwaar tegen het rapport. De rechtbank is met [verzoekster] van oordeel dat het tijdsverloop van vijf jaar tezamen met het feit dat de Noordhollandsche al die tijd het rapport voor juist heeft gehouden en daar ook naar heeft gehandeld, met zich brengt dat de Noordhollandsche haar recht heeft verwerkt om thans, aan de hand van een andersluidend advies van haar nieuwe medisch adviseur, de inhoud van het rapport en de gebondenheid daaraan ter discussie te stellen. Dat volgens de Noordhollandsche geen sprake zou zijn van benadeling van [verzoekster] door deze gang van zaken, doet niet ter zake: dit staat aan rechtsverwerking niet in de weg (HR 29 december 1995, NJ 1996, 302).

4.6. Nu de bezwaren van de Noordhollansche tegen het rapport van dr. Kappel niet opgaan, zullen de verzoeken van [verzoekster] onder 3.1. I en III worden toegewezen.

4.7. Wat betreft het verzoek onder 3.1. II geldt dat de Noordhollandse aanvankelijk dr. De Graaf heeft voorgedragen, met wie [verzoekster] vervolgens heeft ingestemd (rov. 2.4. en 2.5.). Ter zitting is aan de zijde van [verzoekster] onbestreden verklaard dat dr. De Graaf gespecialiseerd is in het onderhavige letsel en bruikbare rapporten schrijft. Tegen die achtergrond vormt het enkele bezwaar van de Noordhollandsche dat volgens haar huidige medisch adviseur dr. Grubben dr. De Graaf ‘te licht’ is (zie ook rov. 2.6.), zonder nadere onderbouwing daarvan, geen reden om af te wijken van het eerdere eigen voorstel van de Noordhollandsche en het daarop gebaseerde verzoek van [verzoekster] dat dr. De Graaf als deskundige zou moeten optreden. Het verzoek onder 3.1. II zal dan ook worden toegewezen. Ter zitting hebben partijen besproken dat zij in dat geval gezamenlijk – buitengerechtelijk – tot het verkrijgen van een deskundigenbericht zullen komen en namens de Noordhollandsche is nog verklaard dat zij de kosten voor haar rekening zal nemen.

4.8. Wat betreft de kosten – 12 uur x € 215,-- exclusief BTW (€ 255,85) en vermeerderd met 5% kantoorkosten (€ 268,64) – oordeelt de rechtbank dat die voldoende zijn onderbouwd en, afgezet tegen de aard en inhoud van de zaak, redelijk voorkomen. De rechtbank zal de kosten dan ook begroten op € 3.483,68 (12 x 268,64 + € 260,00 aan griffierecht). Omdat aansprakelijkheid vaststaat – en de Noordhollandsche tegen een veroordeling in de kosten ook geen bezwaar heeft gemaakt – zal de Noordhollandsche in de kosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat het expertiserapport van dr. Kappel van 25 november 2004 tussen partijen bindend is,

5.2. verklaart voor recht dat een aanvullende expertise zal worden verricht door dr. D. de Graaf,

5.3. verklaart voor recht dat in de vraagstelling bij de aanvullende expertise wordt opgenomen dat de bevindingen en conclusies van dr. Kappel tot uitgangspunt worden genomen ter vaststelling van de ongevalsgevolgen,

5.4. veroordeelt de Noordhollandsche in de kosten van dit geschil, aan de zijde van [verzoekster] tot op heden begroot op € 3.483,68.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2011.