Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BV0159

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-12-2011
Datum publicatie
05-01-2012
Zaaknummer
10/600090-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Doomer-onderzoek. 54-Jarige man wordt veroordeeld voor het meermalen medeplegen van witwassen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden. Verdachte heeft zijn zakelijke netwerk aangewend om het geld van de hoofdverdachte - afkomstig uit de georganiseerd hasjhandel - wit te wassen. Hiertoe heeft verdachte samen met de medeverdachte crimineel geld (meer dan 1 miljoen dollar) vanuit Luxemburg overgemaakt naar de Verenigde Staten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 10/600090-08

Data zittingen : 09 april 2010, 29 april 2010, 19 januari 2011, 25 oktober 2011, 22

november 2011, 23 november 2011, 8 december 2011.

Datum uitspraak : 22 december 2011.

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] 1957,

adres : [adres],

plaats : [woonplaats).

officieren van justitie : mr. G.C. Bos en mr. B.M.M. Zonneveld.

raadsman : mr. L.E.H. Møller en mr. F.H.H. Sijbers, beiden

kantoorhoudende te ‘s-Gravenhage.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

[bedrijfsnaam verdachte] op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 mei 2006 tot en met 31 september 2006 te Bergen, althans in Nederland en/of [woonplaats] en/of Luxemburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) (een) voorwerp(en), te weten een of meerdere geldbedrag(en) van in totaal (tenminste) USD 1.257.564,07, althans enig(e) geldbedrag(en), heeft verkregen van [zoon hoofdverdachte] en/of [medeverdachte2] en/of (een) ander(en)

en/of

heeft overgedragen aan [bet[betrokkene1] en/of [betrokkene2] (ten gunste van [naam] Racing), op of omstreeks 19 mei 2006 en/of op of omstreeks 24 augustus 2006 (factuurdatum) en/of op of omstreeks 14 september 2006, drie, althans (een) geldbedrag(en) van respectievelijk (ongeveer) USD 625.000 en/of USD 62.564,07 en/of USD 570.000

en/of

heeft [bedrijfsnaam verdachte], de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft [bedrijfsnaam verdachte] verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren van genoemd(e) geldbedrag(en) en/of genoemd(e) geldbedrag(en) voorhanden heeft gehad terwijl [bedrijfsnaam verdachte] wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat voornoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit de opbrengst van enig misdrijf

en/of

heeft [bedrijfsnaam verdachte] voornoemde geldbedrag(en) verworven en/of voorhanden gehad

en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl [bedrijfsnaam verdachte] ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen en/of overdragen en/of omzetten van bovengenoemd(e) geldbedrag(en), althans van enig(e) geldbedrag(en), wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovengenoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit de opbrengst van enig misdrijf;

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbaar feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opdracht heeft/hebben gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) hij, verdachte en/of zijn mededader(s), feitelijke leiding heeft/hebben gegeven;

Subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 mei 2006 tot en met 31 september 2006 te Bergen, althans in Nederland en/of [woonplaats] en/of Luxemburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) (een) voorwerp(en), te weten een of meerdere geldbedrag(en) van in totaal (tenminste) USD 1.257.564,07, althans enig(e) geldbedrag(en), heeft verkregen van [zoon hoofdverdachte] en/of [medeverdachte2] en/of (een) ander(en) en/of heeft overgedragen, door tussenkomst van [bedrijfsnaam verdachte], aan [betrokkene1] en/of [betrokkene2] (ten gunste van [naam] Racing), op of omstreeks 19 mei 2006 en/of op of omstreeks 24 augustus 2006 (factuurdatum) en/of op of omstreeks 14 september 2006, drie, althans (een) geldbedrag(en) van respectievelijk (ongeveer) USD 625.000 en/of USD 62.564,07 en/of USD 570.000

en/of

heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededader(s) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren van genoemd(e) geldbedrag(en) en/of genoemd(e) geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat voornoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit de

opbrengst van enig misdrijf;

en/of

heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), voornoemde geldbedrag(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen en/of overdragen en/of omzetten van bovengenoemd(e) geldbedrag(en), althans van enig(e) geldbedrag(en), wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovengenoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit de opbrengst van enig misdrijf.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 23 november 2011 onderzocht. Daarbij zijn verdachte en zijn raadsman voornoemd verschenen. Op 8 december 2011 is dit onderzoek ter zitting gesloten.

Het Openbaar Ministerie heeft gerekwireerd.

De raadsmannen en verdachte hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde – vrijspraak

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat verdachte gedurende de ten laste gelegde periode niet valt aan te merken als feitelijk leidinggever binnen [bedrijfsnaam verdachte]. Derhalve zal verdachte worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde feit.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde – medeplegen van witwassen

Vrijspraak betaling USD 62.564,07

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte een bedrag van USD 62.564,07 heeft gestort aan [naam] [naam] Racing. In het dossier bevindt zich weliswaar een transactieoverzicht van [naam] [naam] Racing waaruit naar voren lijkt te komen dat er een dergelijke betaling door [naam] [naam] Racing zou zijn ontvangen van [bedrijfsnaam verdachte] maar dit wordt - in tegenstelling tot de overige bedragen - ten stelligste door verdachte ontkend en wordt ook niet door enige ander bewijsmiddel ondersteund. Aldus spreekt de rechtbank verdachte vrij van het storten van het bedrag voornoemd.

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Medeverdachte [medeverdachte3] (woonachtig in [woonplaats]), zakenpartner van verdachte (woonachtig te [adres]), is gedurende de tenlastegelegde periode benificial owner van [bedrijfsnaam verdachte] te Luxemburg . Door de medeverdachte [medeverdachte3] zijn , in overleg met en met medeweten van verdachte, vanaf de bankrekening van [bedrijfsnaam verdachte], een tweetal betalingen gedaan ten gunste van [betrokkene1] en [betrokkene2], beiden verbonden aan het in de Verenigde Staten gevestigde raceteam [naam] [naam] Racing[woonplaats] (hierna [naam] Racing), het team waar [zoon hoofdverdachte]. (hierna [zoon hoofdverdachte].) als racer onder contract stond in 2006. Het betrof een tweetal betalingen van respectievelijk USD 625.000 op 19 mei 2006 en USD 570.000 op 14 september 2006 . Op grond van het voorgaande kan vastgesteld worden dat vanuit [bedrijfsnaam verdachte] in het totaal USD 1.195.000 is overgeboekt naar de rekening van [naam] Racing.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie acht het primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen en heeft de lezing van de verdediging - dat de bedragen die in het kader van een zakelijke overeenkomst aan [naam] Racing ten behoeve van de racecarrière van [zoon hoofdverdachte]. zijn overgemaakt afkomstig zijn uit het privévermogen van verdachte - als ongeloofwaardig terzijde geschoven.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat verdachte samen met zijn zakenpartner en medeverdachte [medeverdachte3] heeft willen investeren in de racecarrière van [zoon hoofdverdachte], de zoon van medeverdachte [hoofdverdachte] zijnde een vriend van verdachte. In dat kader heeft verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte3] een aantal geldbedragen gestort aan [naam] Racing, waar [zoon hoofdverdachte]. voornoemd als coureur onder contract stond. De herkomst van het met die stortingen gemoeide geld is niet crimineel, de gestorte bedragen zijn afkomstig uit het in de vastgoedbranche door verdachte legaal verworven vermogen. De zakelijke overeenkomst bestond uit de mondelinge afspraak met [hoofdverdachte] dat indien [zoon hoofdverdachte]. eenmaal een gevierd racer was het investeringsbedrag 1,5 maal terugbetaald zou worden.

Beoordeling van de standpunten

De eerste vraag die de rechtbank in het kader van deze strafzaak heeft te beantwoorden is die naar de herkomst van het geld dat is overgemaakt aan [naam] Racing. [zoon hoofdverdachte]. stond in 2006 bij [naam] Racing - met als eigenaren [betrokkene1] en [betrokkene2] - onder contract. [naam] Racing heeft met [hoofdverdachte] en [zoon hoofdverdachte]. een Racing Service Agreement gesloten. In deze overeenkomst verbindt [hoofdverdachte] zich tot de betaling van USD 1.650.000 aan [naam] Racing ten behoeve van de raceactiviteiten van zijn zoon gedurende het seizoen 2006. De overeengekomen som geld zou in diverse bedragen moeten worden overgemaakt naar rekeningnummer [x] van de National City Bank te [woonplaats]. In het kader van die verbintenis wordt onder andere twee maal een bedrag op de rekening voornoemd gestort vanaf het bankrekening nummer van [bedrijfsnaam verdachte].

De getuige [betrokkene1], eigenaar van de renstal [naam] Racing, heeft tijdens zijn verhoor verklaard dat de betalingen van [hoofdverdachte] eigenlijk altijd te laat kwamen en dat hij [hoofdverdachte] maandelijks telefonisch aanmaande om tot betaling over te gaan. Soms belde [hoofdverdachte] uit zichzelf dat het geld wat later zou zijn. [betrokkene1] heeft voorts verklaard dat vader en zoon geen sponsoren hadden en dat [hoofdverdachte] het volledige bedrag van USD 1.650.000 uit zijn eigen vermogen heeft betaald. Tevens heeft [betrokkene1] verklaard dat [bedrijfsnaam verdachte] één van de bedrijven is via welke de betalingen van [hoofdverdachte] liepen. De andere bedragen waren - onder meer - afkomstig van de rekeningen van medeverdachten (medeverdachte5) en [medeverdachte4]. [medeverdachte4] heeft bij de politie bekend dat hij deze bedragen gefourneerd kreeg van [hoofdverdachte] en vervolgens via zijn eigen rekening heeft overgemaakt, money-transfers heeft gebruikt of contant heeft overgedragen aan het raceteam.

[betrokkene1] heeft tijdens een verhoor door de rechter-commissaris andermaal verklaard dat het geld van [hoofdverdachte] kwam en in verschillende termijnen is betaald en dat hij daar een contract van had . Het volledige bedrag van USD 1.650.000 is betaald en kwam van [hoofdverdachte], aldus [betrokkene1].

Getuige [betrokkene2] is mede-eigenaar van [naam] Racing. [betrokkene2] heeft onder meer verklaard dat het niet ongebruikelijk is dat vaders twee (2) à drie (3) miljoen dollar per jaar betalen opdat hun zoons mogen racen . Voorts verklaart ook hij dat [hoofdverdachte] USD 1,6 miljoen zou betalen opdat zijn zoon zou kunnen racen. [hoofdverdachte] betaalde de rekening zelf, aldus [betrokkene2].

Omtrent de wetenschap ten aanzien van de herkomst van het geld dat aan [naam] Racing is betaald bevinden zich een viertal tapgesprekken in het dossier waaraan [medeverdachte4], tevens medeverdachte in het onderzoek Doomer, deelneemt. Eén van die afgeluisterde gesprekken gaat over de aanhouding van [hoofdverdachte] [medeverdachte4] merkt op: ‘Nee en [naam] is hier natuurlijk ook niet echt blij mee. Ik bedoel natuurlijk wist [betrokkene1] wat er aan de hand is. Ik bedoel daar hebben we het ook al uitgebreid een aantal keren over gehad en ik heb ook al diverse keren tijdens het seizoen tegen hem gezegd van ja het kan elk ogenblik afgelopen zijn met pa. Het kan nog 5 jaar goed gaan, maar hij kan ook nu al gearresteerd zijn’. Even later zegt [medeverdachte4] in dit gesprek: ‘Kijk de incrowd weet ook wel dat pa betaald’. Ook merkt [medeverdachte4] op dat [zoon hoofdverdachte]. nu zijn vader is opgepakt terug naar Nederland kan gaan omdat het nu is afgelopen. Verderop in dit gesprek merkt [medeverdachte4] nog op: ‘… natuurlijk wist [betrokkene2] van de hoed en de rand, natuurlijk wist [betrokkene1] van de hoed en de rand, maar tegenover de pers zeggen ze van: wij wisten nergens van. Toen [hoofdverdachte] tekende wisten we niet van de whereabouts van zijn vader. Ja, natuurlijk weet ‘ie dat wel’ In een ander telefoongesprek merkt [medeverdachte4] op: ‘Ze kunnen natuurlijk … het probleem is als je toegeeft dat je weet dat het … dat het uit het criminele milieu kwam,dan ben je medeplichtig…’. In een derde afgeluisterd gesprek bespreekt [medeverdachte4] het feit dat de eigenaren van [naam] Racing ([betrokkene1]/[betrokkene2]) na de aanhouding van [hoofdverdachte] en de inval bij hun raceteam hebben verklaard dat zij ‘nergens van zouden hebben geweten’. Daarop merkt [medeverdachte4] op: ‘Ja natuurlijk wisten ze nergens van, want als ze er wel vanaf wisten dan werken ze natuurlijk met voorbedachten rade mee aan witwassen van zwart geld, want dat geld komt natuurlijk van [hoofdverdachte]… daar hoef je echt geen rocketscientist voor te zijn’. Tenslotte is er nog een tapgesprek waarin [medeverdachte4] opmerkt dat als de teams in Amerika horen dat zijn vader ([hoofdverdachte) weer vrijkomt, dat ze hem dan weer met open armen zullen ontvangen omdat er dan weer geld is.

Voorts zijn er in de PI opgenomen OVC gesprekken tussen [hoofdverdachte] en zijn partner medeverdachte [medeverdachte2]. In een gesprek op 22 juli 2007 merkt [hoofdverdachte] op: ‘ik zit in de handel, ik kan toch niets doen …..”. Waarop [medeverdachte2] op een gegeven moment opmerkt: ‘Jouw zaakjes zijn zo verdomd slecht geregeld ja, je hebt niet een buffer opgebouwd daar, handel, handel, handel … ‘ en even later merkt zij nog op: ‘Nou [ hoofdverdachte], je moest zo nodig [zoon] laten racen, dan kon wel’. In een gesprek op 19 oktober 2006 merkt [hoofdverdachte] op dat hij iedere gulden in die handel stak. Waarop [medeverdachte2] opmerkt: ‘en in je zoon voor het racen’. In een gesprek op 21 december 2007 tussen [hoofdverdachte] en [medeverdachte2] wordt gesproken over het feit dat [hoofdverdachte] zijn geld investeerde in de racecarrière van zijn zoon. In dit gesprek zegt [medeverdachte2]: Heel erg. Maar als je meer naar mij had geluisterd stomkop dan was het allemaal niet gebeurd man. Je moest maar verder, me moest maar verder. En voor wat [hoofdverdachte]? Niet voor je pensioen maar voor die verdomde racerij. Had voor je pensioen gekeken, lul de behanger’.

Verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte3] over de herkomst van het geld

Medeverdachte [medeverdachte3] heeft verklaard dat hij op initiatief van verdachte, na dit op een etentje te hebben besproken, [zoon hoofdverdachte]. heeft gesponsord en dat alle zaken met betrekking tot de sponsoring door [verdachte] (verdachte) zijn geregeld en hij daar niets van af weet. Verder heeft hij verklaard dat de bedrijfsactiviteiten van [bedrijfsnaam verdachte] onder meer hebben bestaan uit het betalen van de factuur van [zoon hoofdverdachte]. Welke andere bedrijfsactiviteiten [bedrijfsnaam verdachte] zou hebben moet hij eerst nakijken. Verder heeft [medeverdachte3] verklaard dat hij de betaling weliswaar zelf feitelijk heeft uitgevoerd maar dat hij volgens afspraak met [verdachte] (verdachte) een gezamenlijke betaling heeft verricht. Beiden hebben de helft daarvan voor hun rekening genomen. Ook heeft hij verklaard dat hij vader en zoon [hoofdverdachte] niet kende op het moment dat de bedragen vanuit [bedrijfsnaam verdachte] werden overgemaakt.

Verdachte heeft zich tot aan de zitting op zijn zwijgrecht beroepen en ter zitting verklaard dat er een zakelijke overeenkomst bestond tussen hem en [hoofdverdachte], geen sponsorschap, en dat de helft van de gelden die zijn geïnvesteerd in [zoon hoofdverdachte]. uit zijn privévermogen komen en de andere helft uit het privévermogen van medeverdachte [medeverdachte3]. [bedrijfsnaam verdachte] werd gebruikt voor het financieren van onroerend goed maatschappijen en kosten van beheer. Medeverdachte [medeverdachte3] is degene die er voor heeft gekozen om de betalingen via [bedrijfsnaam verdachte] te laten lopen en [medeverdachte3] is ook degene die de overboekingen heeft afgehandeld.

Financiële transacties USD 625.000

Bij de stukken bevindt zich een fax d.d. 16 mei 2006 strekkende tot een betalingsopdracht van medeverdachte [medeverdachte3] aan Interconsult (de trustmaatschappij van [bedrijfsnaam verdachte]) om de factuur van USD 625.000 van 5 maart 2006 te voldoen ‘wanneer het geld is ontvangen’. Als bijlage bij dit faxbericht bevindt zich een factuur van USD 625.000 afkomstig van [naam] Racing en gericht aan [hoofdverdachte]. Het faxnummer op de factuur is [x]. De laatste 11 cijfers van dit faxnummer komen overeen met de faxaansluiting van het adres van [hoofdverdachte] aan de [adres].

Daags daarna, op 17 mei 2006, komen er drie bedragen binnen op de bankrekening van [bedrijfsnaam verdachte]. Dit betreft allereerst twee bedragen van respectievelijk EUR 250.000 en EUR 75.448,23. De bedragen zijn afkomstig van de privérekening van medeverdachte [medeverdachte3]. Het bijschrift bij beide overboekingen is ‘Creances (schuld/vordering) [naam] NV’. Verdachte en de medeverdachte beschikken samen over alle aandelen van [naam] NV. Het derde bedrag, groot EUR 175.000, is afkomstig van [naam] Beheer NV, een bedrijf met als enig aandeelhouder medeverdachte [medeverdachte3]. Bij de overboeking staat geen bijschrift. Het totaal bijgeboekte bedrag op de rekening van [bedrijf verdachte] bedraagt aldus EUR 500.448,23.

Op de privérekening van medeverdachte [medeverdachte3] is op 11 mei 2006 EUR 250.000 gestort door [naam] Trading BV met als omschrijving ‘lening 11 mei 2006’. Dat geld was diezelfde dag op de bankrekening van [naam] Trading BV bijgeboekt vanaf [naam] Vastgoed BV met de omschrijving ‘Rek. Courant 10 mei 2006’. Verdachte is enig aandeelhouder van [naam] Vastgoed BV en [naam] Trading BV.

Op 19 mei 2006 wordt vervolgens het bedrag van USD 625.000 overgemaakt aan [naam] Racing.

In het kantoor van [hoofdverdachte] worden bij de doorzoeking van 31 oktober 2006 in Zwartebroek aantekeningen gevonden met als opschrift ‘(x) USA’. Op volgende notities wordt een berekening gemaakt van bedragen in euro’s, resulterend in een staatje. De onderste regel van het staatje is: ’15-5 624979 $’. (625.000 minus de overboekingskosten).

Financiële transacties USD 570.000

Op 5 september 2006 wordt er een bedrag van EUR 235.000 naar de privérekening van medeverdachte [medeverdachte3] overgemaakt door [naam] Trading BV met als bijschrift ‘rek courant’.

Op 12 september 2006 wordt er vanaf die rekening van medeverdachte [medeverdachte3] een bedrag van EUR 470.000 overgemaakt naar [bedrijfsnaam verdachte] met als bijschrift ‘vorschot’.

Op 14 september 2007 wordt een bedrag van USD 570.000 (equivalent van EUR 448.993,52) overgemaakt van [bedrijfsnaam verdachte] naar [naam] Racing.

Conclusie – geld afkomstig van [hoofdverdachte]

In de onderhavige strafzaak hebben verdachte en zijn medeverdachte een bedrag van ruim 1.1 miljoen dollar gestort aan een Amerikaanse renstal. Dit bedrag is vanaf een buitenlandse rekening ([bedrijfsnaam verdachte]) overgeboekt. Op grond van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang is de rechtbank van oordeel dat het door verdachte en zijn medeverdachte aan [naam] Racing overgemaakte geld niet afkomstig is uit het privé vermogen van verdachte en/of zijn medeverdachte [medeverdachte3] maar dat dit geld is gefourneerd door [hoofdverdachte].

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. [hoofdverdachte] heeft zich contractueel verbonden om gedurende het raceseizoen 2006 een bedrag van USD 1.650.000 te betalen aan [naam] Racing. De teambazen van [naam] Racing hebben beiden verklaard dat – hoewel de bedragen via verschillende bedrijven/personen binnen kwamen – het geld feitelijk afkomstig was van [hoofdverdachte]. Deze stelling wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Zo zijn er de opgenomen gesprekken tussen [hoofdverdachte] en medeverdachte [medeverdachte2] waarin gesproken wordt over het feit dat [hoofdverdachte] al zijn geld uitgeeft aan het racen van zijn zoon. Verder zijn er de tapgesprekken met [medeverdachte4] die daarin uit de doeken doet dat iedereen die betrokken is bij de racewereld wel weet dat het geld voor [zoon hoofdverdachte]. afkomstig is van zijn vader, [hoofdverdachte]. Ook het feit dat er bij [bedrijfsnaam verdachte] een fax is aangetroffen van [naam] Racing aan [hoofdverdachte] en dat er bij [hoofdverdachte] op zijn beurt een rekenstaatje is aangetroffen met de betalingen die verdachte en zijn medeverdachte verrichtten ondersteunt de stelling dat het geld gefourneerd is door [hoofdverdachte].

Voor de overtuiging van de rechtbank werkt nog mee dat de bedragen die naar [naam] Racing zijn gestort voorafgaand via twee bedrijven van verdachte worden overgeboekt naar een privérekening van medeverdachte [medeverdachte3] voorzien van, naar het oordeel van de rechtbank, verhullende bijschriften zoals ‘rek courant’, ‘Rek Courant 10 mei 2006’ en ‘lening 11 mei 2006’. Immers niet valt in te zien indien het een zakelijke overeenkomst heeft betroffen dat niet als bijschrift ‘racerij [zoon hoofdverdachte].’ of in ieder geval een verwijzing naar die zakelijke overeenkomst stond vermeld. Verdachte heeft hiervoor ter zitting ook geen afdoende verklaring gegeven. Verder werkt voor de overtuiging in belangrijke mate mee dat verdachte pas ter terechtzitting, bijna 2,5 jaar na zijn eerste verhoor, een verklaring heeft willen afleggen over de gestelde herkomst van het geld dat hij heeft overgemaakt. Tenslotte werkt nog mee het feit dat aan de overeenkomst tussen verdachte, diens medeverdachte en [hoofdverdachte] geen schriftelijke afspraken ten grondslag lagen, te meer nu het om aanzienlijke bedragen ging die betaald moesten - en later eventueel anderhalf keer terug ontvangen konden worden - en dat verdachte enerzijds en de medeverdachte anderzijds tegenstrijdig hebben verklaard over de aard van die (mondelinge) overeenkomst. Medeverdachte [medeverdachte3] heeft verklaard dat het ging om een sponsorovereenkomst, hetgeen doorgaans geen geldelijke tegenprestatie oplevert. Verdachte heeft benadrukt dat het ging om een zakelijke overeenkomst en niet om een sponsorschap en dat de bedoeling was hier geld aan te verdienen. In dit kader is opvallend dat verdachte zoals hij heeft verklaard ter zitting nooit is gaan kijken of anderszins geïnteresseerd was in de resultaten die [zoon hoofdverdachte] in de racerij behaalde.

Op grond van het voorgaande staat wettig en overtuigend was dat [hoofdverdachte] degene is geweest die in 2006 het geld voor de racerij van [zoon hoofdverdachte]. heeft gefourneerd en dat de betalingen hebben plaatsgevonden via de rekening van [bedrijfsnaam verdachte] naar [naam] Racing. Medeverdachte [medeverdachte3] heeft – in bewuste en nauwe samenwerking met verdachte - als feitelijke leidinggevende van [bedrijfsnaam verdachte] opdracht gegeven voor deze betalingen.

De vermeende criminele herkomst van het geld van [hoofdverdachte]

Het heeft als een feit van algemene bekendheid te gelden dat hoofdverdachte [hoofdverdachte] al sinds midden jaren ‘90 bekend stond als drugsbaron. Sinds die tijd tot aan zijn overlijden in 2011 zijn er niet alleen krantenartikelen maar ook boeken geschreven over zijn (drugs)handel en wandel. Ter terechtzitting heeft het Openbaar Ministerie één en ander geboekstaafd met een overzicht van de justitiële documentatie van [hoofdverdachte]. Hij heeft in de periode van 1987 tot 2002 zeventien jaar in detentie doorgebracht voor Opiumwetdelicten. Bij aanvang van de tenlastegelegde periode is [hoofdverdachte] net 3 maanden uit detentie en heeft hij vanaf 1989 geen legale inkomstenbronnen. Gelet op de omstandigheid dat [hoofdverdachte] na zijn detentie niet over legale inkomsten kon beschikken, naar algemeen bekend was een grote ontnemingsvordering moest betalen aan de Staat der Nederlanden en desondanks weer over grote sommen geld kon beschikken alsmede de OVC-gesprekken waarin [hoofdverdachte] zelf zegt in de handel te zitten, stelt de rechtbank vast dat alle gelden afkomstig van [hoofdverdachte] gedurende de tenlastegelegde periode afkomstig waren uit criminele (hennep)activiteiten. Dat de status van hennephandelaar in ieder geval tot oktober 2006 actueel was wordt ondersteund door het feit dat er in oktober 2006 in de woning van [hoofdverdachte] - naast een grote hoeveelheid geld en drugs - een administratie is aangetroffen die valt te herleiden naar een jarenlange handel in drugs.

De wetenschap van verdachte omtrent de criminele herkomst van het geld van [hoofdverdachte]

Verdachte heeft ter terechtzitting van 25 oktober 2011 verklaard dat hij en medeverdachte [hoofdverdachte] al 30 jaar vrienden zijn en dat hij bekend was met de reputatie Van [hoofdverdachte] en het feit dat hij periodes in zijn leven in detentie verbleef in verband met de handel in hennep. Verdachte heeft dan ook te kennen gegeven dat hij wel sceptisch was ten aanzien van een zakelijke overeenkomst met [hoofdverdachte] en dat hij in eerste instantie om die reden niet met hem in zee wilde gaan. [hoofdverdachte] heeft daarop, volgens verdachte, aangegeven te zijn afgestraft en dat dit een unieke kans voor zijn zoon zou zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte wist dat het geld van [hoofdverdachte] afkomstig was van enig misdrijf. Deze stelling wordt bevestigd door het feit dat verdachte naar het oordeel van de rechtbank moeite heeft gedaan om de bedragen te verhullen een en ander zoals hier boven betoogd.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich gedurende de ten laste gelegde periode geld van [hoofdverdachte], waarvan hij wist dat dit afkomstig was uit misdrijf, heeft overgemaakt naar [naam] Racing. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte het subsidiair onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op tijdstippen in de periode van 19 mei 2006 tot

en met 31 september 2006 te Bergen, en [woonplaats] en

Luxemburg, tezamen en in vereniging met een ander geldbedrag(en heeft verkregen van [zoon hoofdverdachte] en heeft overgedragen, door tussenkomst van [bedrijfsnaam verdachte], aan [betrokkene1] en [betrokkene2] (ten gunste van [naam] Racing), op 19 mei 2006 en op of omstreeks 14 september 2006, geldbedrag(en) van respectievelijk (ongeveer) USD 625.000 en USD 570.000

en

hebben verdachte en zijn mededader, de werkelijke aard en de herkomst en de verplaatsing verborgen en verhuld, terwijl verdachte en/of zijn mededader wisten, dat voornoemde geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit de opbrengst van enig misdrijf;

en

heeft hij, verdachte en zijn mededader, voornoemde geldbedrag(en) verworven en voorhanden gehad en overgedragen terwijl verdachte, en/of zijn mededader ten tijde van het verwerven en het voorhanden krijgen en overdragen van bovengenoemd(e) geldbedrag(en), wist(en), dat bovengenoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit de opbrengst van enig misdrijf.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde

Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

5. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel of gedeeltelijk uitsluiten.

7. De motivering van de sanctie

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 19 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Het standpunt verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

De beoordeling van de standpunten

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 17 juni 2011.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim vier maanden schuldig gemaakt aan het witwassen van grote sommen crimineel geld. Verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte3] hebben dit gedaan door geld aan te nemen van de - inmiddels overleden - bekende hasjbaron [hoofdverdachte]. Dit geld heeft de medeverdachte vervolgens overgemaakt vanaf de bankrekening van zijn Luxemburgse bedrijf naar een raceteam in de Verenigde Staten, waar op dat moment de zoon van [hoofdverdachte] als coureur onder contract stond. Door zo te handelen heeft verdachte samen met zijn medeverdachte geprobeerd criminele opbrengsten uit de handel in hennep aan het zicht van justitie te onttrekken door daaraan een schijnbaar legale herkomst te verschaffen. De rol van de verdachte ten opzichte van [medeverdachte3] is groter geweest nu verdachte degene is geweest die het contact met [hoofdverdachte] onderhield en verdachte voorgesteld heeft om ook mee te doen in de witwasconstructie. De rechtbank rekent verdachte aan dat zijn gedrag een bedreiging vormt van de legale economie en de integriteit van het financiële en economische verkeer aantast. Daarbij zijn het bij uitstek personen zoals verdachte, personen met een uitgebreid internationaal legaal zakelijk netwerk, die de mogelijkheid creëren voor criminele verbanden - zoals die van [hoofdverdachte] - om zichzelf van kapitaal te voorzien zodat zij hun activiteiten kunnen bestendigen of uitbreiden. Deze verbanden ontlenen mede aan dergelijke witwas constructies hun bestaansrecht. De ernst van het delict blijkt te meer uit het feit dat het om omvangrijke geldbedragen gaat, namelijk meer dan 1 miljoen dollar.

Bij het bepalen van het soort straf en de hoogte daarvan hanteert de rechtbank als uitgangspunt dat er een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd voor dit soort feiten. Bij het bepalen van de hoogte van de straf houdt de rechtbank ten nadele van verdachte rekening met diens proceshouding. Verdachte heeft geen blijk gegeven van inzicht in de laakbaarheid van zijn gedrag.

Meer dan het Openbaar Ministerie houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat het oude feiten betreffen, zodat de rechtbank tot een lagere straf komt dan door het Openbaar Ministerie is gevorderd.

8. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 47, 51, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij het primair tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsiair tenlastegelegde feit, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door:

mrs. J.A.P. Bakker (voorzitter), H.P.M. Kester-Bik en A.M. van Gorp, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.F. Hof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 december 2011.