Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BV0153

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-12-2011
Datum publicatie
04-01-2012
Zaaknummer
10/600126-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:BZ5907, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Doomer-onderzoek. 52-Jarige man wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden voor het meermalen feitelijk leidinggeven aan (het medeplegen van) schuldwitwassen. Verdachte heeft samen met de medeverdachte crimineel geld (meer dan 1 miljoen dollar) vanuit zijn Luxemburgse bedrijf overgemaakt naar de Verenigde Staten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 10/600146-08

Data zittingen : 09 april 2010, 29 april 2010, 19 januari 2011, 25 oktober

2011, 22 november 2011, 23 november 2011, 24 november

2011, 8 december 2011.

Datum uitspraak : 22 december 2011.

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum],

adres : [adres]

verblijvende te : [adres]

overigens zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

officieren van justitie : mr. G.C. Bos en mr. B.M.M. Zonneveld.

raadsman : mr. T.A.H.M. van Laar, kantoorhoudende te Utrecht.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

[bedrijf verdachte] op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 mei 2006 tot en met 31 september 2006 te Bergen, althans in Nederland en/of [woonplaats] en/of Luxemburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) (een) voorwerp(en), te weten een of meerdere geldbedrag(en) van in totaal (tenminste) USD 1.257.564,07, althans enig(e) geldbedrag(en), heeft verkregen van [medeverdachte zoon hoofdverdachte] en/of [medeverdachte2] en/of (een) ander(en)

en/of

heeft overgedragen aan [betrokkene2] en/of [betrokkene1] (ten gunste van [naam] Racing), op of omstreeks 19 mei 2006 en/of op of omstreeks 24 augustus 2006 (factuurdatum) en/of op of omstreeks 14 september 2006, drie, althans (een) geldbedrag(en) van respectievelijk (ongeveer) USD 625.000 en/of USD 62.564,07 en/of USD 570.000

en/of

heeft [bedrijf verdachte], de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft [bedrijf verdachte] verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren van genoemd(e) geldbedrag(en) en/of genoemd(e) geldbedrag(en) voorhanden heeft gehad terwijl [bedrijf verdachte] wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat voornoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit de opbrengst van enig misdrijf

en/of

heeft [bedrijf verdachte] voornoemde geldbedrag(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl [bedrijf verdachte] ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen en/of overdragen en/of omzetten van bovengenoemd(e) geldbedrag(en), althans van enig(e) geldbedrag(en), wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovengenoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit de opbrengst van enig misdrijf;

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbaar feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opdracht heeft/hebben gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) hij, verdachte en/of zijn mededader(s), feitelijke leiding heeft/hebben gegeven;

Subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 mei 2006 tot en met 31 september 2006 te Bergen, althans in Nederland en/of België en/of Luxemburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) (een) voorwerp(en), te weten een of meerdere geldbedrag(en) van in totaal (tenminste) USD 1.257.564,07, althans enig(e) geldbedrag(en), heeft verkregen van [medeverdachte zoon hoofdverdachte] en/of [medeverdachte2] en/of (een) ander(en) en/of heeft overgedragen, door tussenkomst van [bedrijf verdachte], aan [bet[getuige1] en/of [betrokkene2] (ten gunste van [naam] Racing), op of omstreeks 19 mei 2006 en/of op of omstreeks 24 augustus 2006 (factuurdatum) en/of op of omstreeks 14 september 2006, drie, althans (een) geldbedrag(en) van respectievelijk (ongeveer) USD 625.000 en/of USD 62.564,07 en/of USD 570.000

en/of

heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededader(s) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren van genoemd(e) geldbedrag(en) en/of genoemd(e) geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat voornoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit de opbrengst van enig misdrijf;

en/of

heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), voornoemde geldbedrag(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen en/of overdragen en/of omzetten van bovengenoemd(e) geldbedrag(en), althans van enig(e) geldbedrag(en), wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovengenoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit de opbrengst van enig misdrijf.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 23 november 2011 onderzocht. Daarbij is de uitdrukkelijk gemachtigd raadsman voornoemd verschenen. Op 08 december 2011 is dit onderzoek ter zitting gesloten.

Het Openbaar Ministerie heeft gerekwireerd.

De raadsman heeft het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Ten aanzien van feit 1 primair – feitelijk leidinggeven aan witwassen

Vrijspraak betaling USD 62.564,07

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte een bedrag van USD 62.564,07 heeft gestort aan [naam] [naam] Racing. In het dossier bevindt zich weliswaar een transactieoverzicht van [naam] [naam] Racing waaruit naar voren lijkt te komen dat er een dergelijke betaling door [naam] [naam] Racing zou zijn ontvangen van [bedrijf verdachte] maar dit wordt - in tegenstelling tot de overige bedragen - ten stelligste door verdachte ontkend en wordt ook niet door enige ander bewijsmiddel ondersteund. Aldus spreekt de rechtbank verdachte vrij van het storten van het bedrag voornoemd.

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte (woonachtig te [woonplaats]) is gedurende de tenlastegelegde periode benificial owner van [bedrijf verdachte] te Luxemburg. Door verdachte zijn, in overleg met en met medeweten van medeverdachte [medeverdachte2], vanaf de bankrekening van [bedrijf verdachte], een tweetal betalingen gedaan ten gunste van [betrokkene1] en [betrokkene2], beiden verbonden aan het in de Verenigde Staten gevestigde raceteam [naam] [naam] Racing (hierna [naam] Racing), het team waar [zoon hoofdverdachte]. (hierna [zoon hoofdverdachte].) als racer onder contract stond in 2006. Het betrof een tweetal betalingen van respectievelijk USD 625.000 op 19 mei 2006 en USD 570.000 op 14 september 2006 . Op grond van het voorgaande kan vastgesteld worden dat vanuit [bedrijf verdachte] in het totaal USD 1.195.000 is overgeboekt naar de rekening van [naam] Racing.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit en de verklaring van verdachte, dat het om sponsoring uit eigen legaal vermogen voor [zoon hoofdverdachte]. zou gaan, terzijde geschoven.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat verdachte samen met zijn zakenpartner en medeverdachte [medeverdachte2] de racecarrière van [zoon hoofdverdachte]. heeft willen sponsoren. In dat kader heeft verdachte samen met de medeverdachte een tweetal geldbedragen gestort aan [naam] Racing, de renstal waar [zoon hoofdverdachte]. voornoemd in 2006 onder contract stond. De herkomst van de bedragen valt niet aan te merken als crimineel geld omdat de gestorte bedragen afkomstig waren uit het privévermogen van verdachte.

Beoordeling van de standpunten

De eerste vraag die de rechtbank in het kader van deze strafzaak heeft te beantwoorden is die naar de herkomst van het geld dat is overgemaakt aan [naam] Racing. [zoon hoofdverdachte]. stond in 2006 bij [naam] Racing - met als eigenaren [betrokkene1] en [betrokkene2] - onder contract. [naam] Racing heeft met [hoofdverdachte]. en [zoon hoofdverdachte]. een Racing Service Agreement gesloten. In deze overeenkomst verbindt [hoofdverdachte]. zich tot de betaling van USD 1.650.000 aan [naam] Racing ten behoeve van de raceactiviteiten van zijn zoon gedurende het seizoen 2006. De overeengekomen som geld zou in diverse bedragen moeten worden overgemaakt naar rekeningnummer [x] van de Bank te (X). In het kader van die verbintenis wordt onder andere twee maal een bedrag op de rekening voornoemd gestort vanaf het bankrekening nummer van [bedrijf verdachte].

De getuige [betrokkene2], eigenaar van de renstal [naam] Racing, heeft tijdens zijn verhoor verklaard dat de betalingen van [hoofdverdachte]. eigenlijk altijd te laat kwamen en dat hij [hoofdverdachte]. maandelijks telefonisch aanmaande om tot betaling over te gaan. Soms belde [hoofdverdachte]. uit zichzelf dat het geld wat later zou zijn. [betrokkene2] heeft voorts verklaard dat vader en zoon geen sponsoren hadden en dat [hoofdverdachte]. het volledige bedrag van USD 1.650.000 uit zijn eigen vermogen heeft betaald. Tevens heeft [betrokkene2] verklaard dat [bedrijf verdachte] één van de bedrijven is via welke de betalingen van [hoofdverdachte]. liepen. De andere bedragen waren - onder meer - afkomstig van de rekeningen van medeverdachten [medeverdachte5] en [medeverdachte3]. [medeverdachte3] heeft bij de politie bekend dat hij deze bedragen gefourneerd kreeg van [hoofdverdachte]. en vervolgens via zijn eigen rekening heeft overgemaakt, money-transfers heeft gebruikt of contant heeft overgedragen aan het raceteam.

[betrokkene2] heeft tijdens een verhoor door de rechter-commissaris andermaal verklaard dat het geld van [hoofdverdachte]. kwam en in verschillende termijnen is betaald en dat hij daar een contract van had . Het volledige bedrag van USD 1.650.000 is betaald en kwam van [hoofdverdachte]., aldus [betrokkene2].

Getuige [betrokkene1] is mede-eigenaar van [naam] Racing. [betrokkene1] heeft onder meer verklaard dat het niet ongebruikelijk is dat vaders twee (2) à drie (3) miljoen dollar per jaar betalen opdat hun zoons mogen racen . Voorts verklaart ook hij dat [hoofdverdachte]. USD 1,6 miljoen zou betalen opdat zijn zoon zou kunnen racen. [hoofdverdachte]. betaalde de rekening zelf, aldus [betrokkene1].

Omtrent de wetenschap ten aanzien van de herkomst van het geld dat aan [naam] Racing is betaald bevinden zich een viertal tapgesprekken in het dossier waaraan [medeverdachte3], tevens medeverdachte in het onderzoek Doomer, deelneemt. Eén van die afgeluisterde gesprekken gaat over de aanhouding van [hoofdverdachte]. [medeverdachte3] merkt op: ‘Nee en [naam] is hier natuurlijk ook niet echt blij mee. Ik bedoel natuurlijk wist [bet[betrokkene2] wat er aan de hand is. Ik bedoel daar hebben we het ook al uitgebreid een aantal keren over gehad en ik heb ook al diverse keren tijdens het seizoen tegen hem gezegd van ja het kan elk ogenblik afgelopen zijn met pa. Het kan nog 5 jaar goed gaan, maar hij kan ook nu al gearresteerd zijn’. Even later zegt [medeverdachte3] in dit gesprek: ‘Kijk de incrowd weet ook wel dat pa betaald’. Ook merkt [medeverdachte3] op dat [zoon hoofdverdachte]. nu zijn vader is opgepakt terug naar Nederland kan gaan omdat het nu is afgelopen. Verderop in dit gesprek merkt [medeverdachte3] nog op: ‘… natuurlijk wist [betrokkene1] van de hoed en de rand, natuurlijk wist [betrokkene2] van de hoed en de rand, maar tegenover de pers zeggen ze van: wij wisten nergens van. Toen [zoon hoofdverdachte] tekende wisten we niet van de whereabouts van zijn vader. Ja, natuurlijk weet ‘ie dat wel’ In een ander telefoongesprek merkt [medeverdachte3] op: ‘Ze kunnen natuurlijk … het probleem is als je toegeeft dat je weet dat het … dat het uit het criminele milieu kwam, dan ben je medeplichtig…’. In een derde afgeluisterd gesprek bespreekt [medeverdachte3] het feit dat de eigenaren van [naam] Racing [betrokkene2]/ [betrokkene1]) na de aanhouding van [hoofdverdachte]. en de inval bij hun raceteam hebben verklaard dat zij ‘nergens van zouden hebben geweten’. Daarop merkt [medeverdachte3] op: ‘Ja natuurlijk wisten ze nergens van, want als ze er wel vanaf wisten dan werken ze natuurlijk met voorbedachten rade mee aan witwassen van zwart geld, want dat geld komt natuurlijk van [hoofdverdachte]… daar hoef je echt geen rocketscientist voor te zijn’. Tenslotte is er nog een tapgesprek waarin [medeverdachte3] opmerkt dat als de teams in Amerika horen dat zijn vader ([hoofdverdachte]te].) weer vrijkomt, dat ze hem dan weer met open armen zullen ontvangen omdat er dan weer geld is.

Voorts zijn er in de PI [adres] opgenomen OVC gesprekken tussen [hoofdverdachte]. en zijn partner medeverdachte [medeverdachte2]. In een gesprek op 22 juli 2007 merkt [hoofdverdachte] op: ‘ik zit in de handel, ik kan toch niets doen …..”. Waarop [medeverdachte2] op een moment opmerkt: ‘Jouw zaakjes zijn zo verdomd slecht geregeld ja, je hebt niet een buffer opgebouwd daar, handel, handel, handel … ‘ en even later merkt zij nog op: ‘Nou [hoofdverdachte], je moest zo nodig [zoon hoofdverdachte] laten racen, dan kon wel’. In een gesprek op 19 oktober 2006 merkt [hoofdverdachte] op dat hij iedere gulden in die handel stak. Waarop [medeverdachte2] opmerkt: ‘en in je zoon voor het racen’. In een gesprek op 21 december 2007 tussen [hoofdverdachte]. en [medeverdachte2] wordt gesproken over het feit dat [hoofdverdachte]. zijn geld investeerde in de racecarrière van zijn zoon. In dit gesprek zegt [medeverdachte2]: ‘Heel erg. Maar als je meer naar mij had geluisterd stomkop dan was het allemaal niet gebeurd man. Je moest maar verder, je moest maar verder. En voor wat [hoofdverdachte]? Niet voor je pensioen maar voor die verdomde racerij. Had voor je pensioen gekeken, lul de behanger’.

Verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte2] de herkomst van het geld

Verdachte heeft verklaard dat hij op initiatief van medeverdachte [medeverdachte2], na dit op een etentje te hebben besproken, [zoon hoofdverdachte]. heeft gesponsord en dat alle zaken met betrekking tot de sponsoring door [medeverdachte2] zijn geregeld en hij daar niets van af weet. Verder heeft hij verklaard dat de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf verdachte] onder meer hebben bestaan uit het betalen van de factuur van [zoon hoofdverdachte].. Welke andere bedrijfsactiviteiten [bedrijf verdachte] zou hebben moet hij eerst nakijken. Verder heeft verdachte verklaard dat hij de betaling weliswaar zelf feitelijk heeft uitgevoerd maar dat hij volgens afspraak met [medeverdachte2] deze gezamenlijke betaling heeft verricht. Beiden hebben de helft daarvan voor hun rekening genomen. Ook heeft hij verklaard dat hij vader en zoon [achternaam] niet kende op het moment dat de bedragen vanuit [bedrijf verdachte] werden overgemaakt.

Medeverdachte [medeverdachte2] heeft zich tijdens de politieverhoren op zijn zwijgrecht beroepen.

Financiële transacties USD 625.000

Bij de stukken bevindt zich een fax d.d. 16 mei 2006 strekkende tot een betalingsopdracht van verdachte aan Interconsult (de trustmaatschappij van [bedrijf verdachte] SA) om de factuur van USD 625.000 van 5 maart 2006 te voldoen ‘wanneer het geld is ontvangen’. Als bijlage bij dit faxbericht bevindt zich een factuur van USD 625.000 afkomstig van [naam] Racing en gericht aan [hoofdverdachte].. Het faxnummer op de factuur is [x] De laatste 11 cijfers van dit faxnummer komen overeen met de faxaansluiting van het adres van [hoofdverdachte]. aan de [adres].

Daags daarna, op 17 mei 2006, komen er drie bedragen binnen op de bankrekening van [bedrijf verdachte]. Dit betreft allereerst twee bedragen van respectievelijk EUR 250.000 en EUR 75.448,23. De bedragen zijn afkomstig van de privérekening van verdachte. Het bijschrift bij beide overboekingen is ‘Creances (schuld/vordering) [bedrijf] NV’. Verdachte en de medeverdachte beschikken samen over alle aandelen van [bedrijf] NV. Het derde bedrag, groot EUR 175.000, is afkomstig van [naam] Beheer NV, een bedrijf met als enig aandeelhouder verdachte. Bij de overboeking staat geen bijschrift.

Op de privérekening van verdachte is op 11 mei 2006 EUR 250.000 gestort door [naam] Trading BV met als omschrijving ‘lening 11 mei 2006’. Dat geld was diezelfde dag op de bankrekening van [naam] Trading BV bijgeboekt vanaf [naam] Vastgoed BV met de omschrijving ‘Rek. Courant 10 mei 2006’. Medeverdachte [medeverdachte2] is enig aandeelhouder van [naam] Vastgoed BV en [naam] Trading BV.

Op 19 mei 2006 wordt vervolgens het bedrag van USD 625.000 overgemaakt aan [naam] Racing door verdachte vanuit [bedrijf verdachte] SA.

In het kantoor van [hoofdverdachte]. worden bij de doorzoeking van 31 oktober 2006 in [adres] aantekeningen gevonden met als opschrift ‘(x)USA’. Op volgende notities wordt een berekening gemaakt van bedragen in euro’s, resulterend in een staatje. De onderste regel van het staatje is: ’15-5 624979 $’. (625.000 minus de overboekingskosten).

Financiële transacties USD 570.000

Op 5 september 2006 wordt er een bedrag van EUR 235.000 naar de privérekening van verdachte overgemaakt door [naam] Trading BV, met als bijschrift ‘rek courant’.

Op 12 september 2006 wordt er vanaf die rekening van verdachte een bedrag van EUR 470.000 overgemaakt naar [bedrijf verdachte] met als bijschrift ‘vorschot’.

Op 14 september 2007 wordt uiteindelijk een bedrag van USD 570.000 (equivalent van EUR 448.993,52) overgemaakt door verdachte vanuit [bedrijf verdachte] naar [naam] Racing.

Conclusie - geld afkomstig van [hoofdverdachte]

In de onderhavige strafzaak hebben verdachte en zijn medeverdachte een bedrag van ruim 1.1 miljoen dollar gestort aan een Amerikaanse renstal. Dit bedrag is in opdracht van verdachte vanaf het in Luxemburg gevestigde bedrijf van verdachte, [bedrijf verdachte], overgeboekt. Op grond van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang is de rechtbank van oordeel dat het door verdachte en zijn medeverdachte aan [naam] Racing overgemaakte geld niet afkomstig is uit het privé vermogen van verdachte en/of zijn medeverdachte [medeverdachte2] maar dat dit geld is gefourneerd door [hoofdverdachte]..

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. [hoofdverdachte]. heeft, ware hij een soort manager van zijn zoon, zich contractueel verbonden om gedurende het raceseizoen 2006 en bedrag van USD 1.650.000 te betalen aan [naam] Racing. De teambazen van [naam] Racing hebben beiden verklaard dat – hoewel de bedragen via verschillende bedrijven/personen binnen kwamen – het geld feitelijk afkomstig was van [hoofdverdachte].. Deze stelling wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Zo zijn er de opgenomen gesprekken tussen [hoofdverdachte]. en medeverdachte [medeverdachte2] waarin gesproken wordt over het feit dat [hoofdverdachte]. al zijn geld uitgeeft aan het racen van zijn zoon. Verder zijn er de tapgesprekken met [medeverdachte3] die daarin uit de doeken doet dat de betrokkenen in de racewereld wel weten dat het geld voor [zoon hoofdverdachte]. afkomstig is van zijn vader [hoofdverdachte].. Ook het feit dat er bij [bedrijf verdachte] een fax is aangetroffen van [naam] Racing aan [hoofdverdachte]. en dat er bij [hoofdverdachte]. op zijn beurt een rekenstaatje is aangetroffen met de betalingen die verdachte en zijn medeverdachte verrichtten ondersteunt de stelling dat het geld gefourneerd is door [hoofdverdachte]..

Voor de overtuiging van de rechtbank werkt nog mee dat de rekening van [bedrijf verdachte] werd gevoed vanuit een privérekening en de rekening van een bedrijf ([naam] Beheer) van verdachte. De stortingen worden naar het oordeel van de rechtbank voorzien van verhullende bijschriften zoals ‘Creances (schuld/vordering) [bedrijf] NV’. Dit geldt evenzeer voor de bij boekingen die van medeverdachte [medeverdachte2] afkomstig zouden zijn. Deze boekingen zijn via diverse rekeningen gelopen en hebben evenzeer verhullende bijschriften. Immers niet valt in te zien indien het een zakelijke overeenkomst heeft betroffen dat niet als bijschrift ‘racerij [zoon hoofdverdachte].’ of in ieder geval een verwijzing naar die zakelijke overeenkomst stond vermeld. Verder werkt voor de overtuiging in belangrijke mate mee dat verdachte geen enkele toelichting heeft verschaft over de herkomst van de gelden. Bij de politie heeft verdachte weliswaar met zoveel woorden betoogd dat het zijn eigen geld is geweest maar nadien heeft verdachte daarop geen toelichting gegeven. Ten slotte werkt nog mee het feit dat aan de overeenkomst tussen verdachte, diens medeverdachte en [hoofdverdachte]. geen schriftelijke afspraken ten grondslag lagen, te meer nu het om aanzienlijke bedragen ging die betaald moesten worden.

Op grond van het voorgaande staat wettig en overtuigend was dat [hoofdverdachte]. degene is geweest die in 2006 het geld voor de racerij van [zoon hoofdverdachte]. heeft gefourneerd en dat de betalingen hebben plaatsgevonden via de rekening van [bedrijf [bedrijf verdachte]te] naar [naam] Racing. Verdachte heeft - in bewuste en nauwe samenwerking met medeverdachte [medeverdachte2] - als eigenaar en bevoegd feitelijke leidinggevende van [bedrijf verdachte] opdracht gegeven voor deze betalingen.

De vermeende criminele herkomst van het geld van [hoofdverdachte].

Het heeft als een feit van algemene bekendheid te gelden dat hoofdverdachte [hoofdverdachte]. al sinds midden jaren ‘90 bekend stond als drugsbaron. Sinds die tijd tot aan zijn overlijden in 2011 zijn er niet alleen krantenartikelen maar ook boeken geschreven over zijn (drugs)handel en wandel. Ter terechtzitting heeft het Openbaar Ministerie één en ander geboekstaafd met een overzicht van de justitiële documentatie van [hoofdverdachte]. Hij heeft in de periode van 1987 tot 2002 zeventien jaar in detentie doorgebracht voor Opiumwetdelicten. Bij aanvang van de tenlastegelegde periode is [hoofdverdachte] net 3 maanden uit detentie en heeft hij vanaf 1989 geen legale inkomstenbronnen. Gelet op de omstandigheid dat [hoofdverdachte] na zijn detentie niet over legale inkomsten kon beschikken alsmede de OVC-gesprekken waarin [hoofdverdachte]. zelf zegt in de handel te zitten, naar algemeen bekend was een grote ontnemingsvordering moest betalen aan de Staat der Nederlanden en desondanks weer over grote sommen geld kon beschikken stelt de rechtbank vast dat alle gelden afkomstig van [hoofdverdachte] gedurende de tenlastegelegde periode afkomstig waren uit criminele (hennep)activiteiten. Dat de status van hennephandelaar in ieder geval tot oktober 2006 actueel was wordt ondersteund door het feit dat er in oktober 2006 in de woning van [hoofdverdachte] - naast een grote hoeveelheid geld en drugs - een administratie is aangetroffen die valt te herleiden naar een jarenlange handel in drugs.

De wetenschap van verdachte omtrent de criminele herkomst van het geld van [hoofdverdachte]

Verdachte heeft bij de politie aangegeven dat [hoofdverdachte]. hem volledig onbekend is en dat hij niet op de hoogte was van diens reputatie. De raadsman heeft daarop toegelicht dat verdachte het voornaamste deel van zijn leven in het buitenland heeft verbleven en om die reden niet bekend was met de reputatie van [hoofdverdachte].

De rechtbank overweegt als volgt. Opvallend is dat verdachte stelt [hoofdverdachte]. niet te kennen nu er bij de doorzoeking bij [hoofdverdachte]. een adressenboekje is gevonden met daarin de naarm van verdachte met een telefoonnummer. Ook is er een enveloppe bij [hoofdverdachte]. gevonden waarop de naam van [verdachte] staat vermeld als degene die deze enveloppe weer door moest geven aan [medeverdachte2]. Voorts overweegt de rechtbank dat verdachte weliswaar in het buitenland, in [woonplaats], woonde maar wel een beoefenaar en liefhebber van de autosport was. Op die manier was hij op de hoogte van de talenten van [zoon hoofdverdachte]. en moet hij ook zeker kennis hebben gehad van de racecarrière en reputatie van diens vader, [hoofdverdachte].. Uit een hiervoor opgenomen tapgesprek waaraan medeverdachte [medeverdachte3] deelneemt, blijkt dat bij de incrowd (de rechtbank leest personen die zich actief interesseerden voor de autosport) bekend was dat het geld van [zoon hoofdverdachte]. feitelijk afkomstig was van zijn vader, [hoofdverdachte].. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, aangezien hij op het punt stond een groot bedrag te investeren in [zoon hoofdverdachte]. en deze informatie toen en nu vrij circuleerde op internet, bekend was met de reputatie van [hoofdverdachte]. als drugsbaron. Daarbij woonde verdachte weliswaar in [woonplaats] maar kan hem naar het oordeel van de rechtbank dergelijke informatie, over een vriend van zijn zakenpartner [medeverdachte2], niet kunnen zijn ontgaan nu de afstand relatief kort is en van een taalbarrière geen sprake is. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte, door toch zaken met [hoofdverdachte]. te doen, redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het geld afkomstig was van enig misdrijf. Dat verdachte dit vermoeden daadwerkelijk had wordt naar het oordeel van de rechtbank bevestigd door het feit dat verdachte verhullende handelingen heeft verricht ten aanzien van de geldbedragen.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

[bedrijf verdachte] op tijdstippen in de periode van 19 mei 2006 tot en met 31 september 2006 te Bergen, en België en Luxemburg, tezamen en in vereniging met een ander geldbedrag(en) heeft verkregen van [medeverdachte zoon hoofdverdachte]

en

heeft overgedragen aan [betrokkene1] en/of [betrokkene2] (ten gunste van

[naam] Racing), op of omstreeks 19 mei 2006 en op of omstreeks 14 september 2006, geldbedrag(en) van respectievelijk (ongeveer) USD 625.000 en USD 570.000

en

heeft [bedrijf verdachte], de werkelijke aard en de herkomst en de vindplaats en de verplaatsing verborgen en verhuld, terwijl [bedrijf verdachte] redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat voornoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit de opbrengst van enig misdrijf

en

heeft [bedrijf verdachte] voornoemde geldbedrag(en) verworven en voorhanden gehad

en overgedragen terwijl [bedrijf verdachte] ten tijde van het verwerven en het voorhanden krijgen en overdragen van bovengenoemd(e) geldbedrag(en), redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat bovengenoemde geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit de opbrengst van enig misdrijf;

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbaar feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander(opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) hij, verdachte feitelijk leiding heeft gegeven.

Hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van primair

Feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van schuldwitwassen, meermalen gepleegd.

5. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel of gedeeltelijk uitsluiten.

7. De motivering van de sanctie

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Het standpunt verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om bij het bepalen van de strafeis rekening te houden met het feit dat door de berichtgeving in de media de reputatie van verdachte als zakenman schade heeft opgelopen en zelfs belangrijke klanten heeft verloren.

De beoordeling van de standpunten

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 17 juni 2011.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim vier maanden schuldig gemaakt aan witwassen van grote sommen crimineel geld. Verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte2] hebben dit gedaan door geld aan te nemen van de - inmiddels overleden - bekende hasjbaron [hoofdverdachte]. Dit geld heeft verdachte vervolgens overgemaakt vanaf de bankrekening van zijn Luxemburgse bedrijf naar een raceteam in de Verenigde Staten, waar op dat moment de zoon van [hoofdverdachte]. als coureur onder contract stond. Door zo te handelen heeft verdachte samen met zijn medeverdachte geprobeerd criminele opbrengsten uit de handel in hennep aan het zicht van justitie te onttrekken door daaraan een schijnbaar legale herkomst te verschaffen. De rol van de medeverdachte [medeverdachte2] is ten opzichte van verdachte groter geweest nu [medeverdachte2] degene is geweest die het contact met [hoofdverdachte]. onderhield en verdachte voorgesteld heeft om ook mee te doen in de witwasconstructie. De rechtbank rekent het verdachte aan dat zijn gedrag een bedreiging vormt van de legale economie en de integriteit van het financiële en economische verkeer aantast. Daarbij zijn het bij uitstek personen zoals verdachte, personen met een uitgebreid internationaal legaal zakelijk netwerk, die de mogelijkheid creëren voor criminele verbanden - zoals die van [hoofdverdachte]. - om zichzelf van kapitaal te voorzien zodat zij hun activiteiten kunnen bestendigen of uitbreiden. Deze verbanden ontlenen mede aan dergelijke witwas constructies hun bestaansrecht. De ernst van het delict blijkt te meer uit het feit dat het om omvangrijke geldbedragen gaat, namelijk meer dan 1 miljoen dollar.

Bij het bepalen van het soort straf en de hoogte daarvan hanteert de rechtbank als uitgangspunt dat er een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd voor dit soort feiten. Bij het bepalen van de hoogte van de straf houdt de rechtbank ten nadele van verdachte rekening met diens proceshouding. Verdachte heeft geen enkele openheid van zaken willen verschaffen over de herkomst van het geld en heeft evenmin blijk gegeven van inzicht in de laakbaarheid van zijn gedrag.

Meer dan het Openbaar Ministerie houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat het oude feiten betreffen, zodat de rechtbank tot een lagere straf komt dan door het Openbaar Ministerie is gevorderd.

8. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 47, 51, 57 en 420quater van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door:

mrs. J.A.P. Bakker (voorzitter), H.P.M. Kester-Bik en A.M. van Gorp, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.F. Hof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 december 2011.