Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BU9752

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-11-2011
Datum publicatie
30-12-2011
Zaaknummer
221840
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Aanbestedingsprocedure.

Vorderingen afgewezen. Aan eiseres is terecht niet het maximale aantal punten toegekend.

Wetsverwijzingen
Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAAN 2012/22

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 221840 / KG ZA 11-548

Vonnis in kort geding van 22 november 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

UTS NEDERLAND B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

eiseres,

advocaat mr. P.H. Bos te Zoetermeer,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE PROVINCIE GELDERLAND,

gevestigd te Arnhem,

gedaagde,

advocaten mrs. M.J. Vidal en S. Bakthari te Breda.

Partijen zullen hierna UTS en de Provincie genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van UTS

- de wijziging van eis ter zitting

- de pleitnota van de Provincie.

1.2. Ten slotte is in verband met de spoedeisendheid op 22 november 2011 vonnis bepaald. Het geschil, alsmede de feiten en de motivering die de beslissing dragen, worden hieronder vastgelegd.

2. De feiten

2.1. De Provincie heeft een openbare Europese aanbestedingprocedure bekendgemaakt, onder nummer 2011-006053, om te komen tot het sluiten van een raamovereenkomst met één opdrachtgever voor de periode van drie jaar met optie tot verlenging met maximaal één jaar, welke overeenkomst ziet op de verzorging van interne verhuizingen van de Provincie. Daarbij is bekend gemaakt dat de opdracht wordt gegund aan de inschrijver met de economisch meest voordelige aanbieding. Op de aanbestedingsprocedure is het Besluit Aanbestedingsregels voor Overheidsopdrachten van 16 juli 2005 (Bao) van toepassing verklaard.

2.2. In de bekendgemaakte offerteaanvraag van 24 mei 2011 in de onderhavige aanbestedingsprocedure, staat vermeld dat de beoordeling van de inschrijvingen in drie stappen plaatsvindt, te weten stap 1: beoordeling van de uitsluitingseisen, stap 2: beoordeling van de geschiktheidscriteria en stap 3: beoordeling van de gunningscriteria.

Met betrekking tot stap 3 is in de offerteaanvraag, onder 2.9.3, onder meer het navolgende bepaald:

‘De aanbieder die ten aanzien van “programma van eisen” (bijlage 7) niet kan voldoen aan één of meer eisen komt niet aan aanmerking voor het vervolg van de beoordeling en zal daarom worden uitgesloten van de gunning.

De in “programma van wensen” (bijlage 8) benoemde wensen worden afgezet tegen de concurrerende aanbiedingen en beoordeeld op basis van onderling vergelijk.

De objectieve beoordeling wordt aan de hand van gunningcriteria en wegingsfactoren vastgelegd in een beoordelingsmatrix. Binnen de genoemde gunningcriteria en wegingsfactoren kan de provincie Gelderland per beoordeelde wens nadere verfijning in de criteria en factoren aanbrengen.

De wegingsfactoren geven aan in hoeverre behaalde resultaten van de gunningcriteria meewegen in de score van stap 3.

Evaluatie

Hiervoor hanteert de provincie Gelderland de hieronder vermelde gunningcriteria:

Gunningcriterium Maximaal te behalen

Punten Onderdelen en max. aantal te

Behalen punten per onder deel (-)

Plan van aanpak 55 Beheerplan (10)

Managementrapportage (10)

Implementatieplan (10)

Business case (10)

Facilitaire ondersteuning (10)

Presentatie (5)

Prijsstelling 45 - Prijs per m3 (35)

- Uurtarief handyman (10)

(…)

Eindevaluatie:

De provincie Gelderland zal de opdracht gunnen aan de aanbieder die, na de beoordeling van de evaluatie en de presentatie, de hoogste score behaald heeft.’

2.3. Tot de offerteaanvraag behoort een aantal bijlagen, waaronder:

‘BIJLAGE 8. PROGRAMMA VAN WENSEN

U dient de in het aanhangsel bij deze bijlage gestelde vragen te beantwoorden conform de opgestelde volgorde en samen met alle terzake dienende en relevante stukken en/of bijlagen aan de provincie Gelderland terug te sturen.

- Wens 1 Plan van aanpak

Opdrachtgever verwacht van Aanbieder een uitgebreide beschrijving van een plan van aanpak. Hierin dienen de volgende aspecten en uitwerking te worden vermeld:

• Beheerplan;

• Managementrapportage;

• Implementatieplan;

• Business case;

• Facilitaire ondersteuning.

In de volgende paragrafen wordt verder op de inhoud van de gevraagde aspecten ingegaan.

Beheerplan

(…)

Managementrapportage

Aanbieder dient éénmaal per kwartaal, zowel schriftelijk als digitaal, zonder extra kosten een managementrapportage aan te leveren. Hierin dienen in ieder geval de volgende punten te worden opgenomen:

• overzicht van de uitgevoerde opdrachten per pand

• het aantal verhuisde werkplekken per pand

• overzicht van klachten en de wijze van afhandeling

• overzicht van gerealiseerde responstijden

• opleveringsrapportages

Aanbieder dient in diens Inschrijving voorbeelden te geven van de managementrapportage. Aanbieder voegt deze bijlage achter tabblad 3 bij zijn Inschrijving.

Implementatieplan

Aanbieder stelt een implementatieplan op voor de opstart van de werkzaamheden. Hierin beschrijft Aanbieder een duidelijk stappenplan met herkenbare meet- en beslispunten. Aanbieder voegt het implementatieplan toe onder tabblad 4. Een statiegeldregeling voor niet geretourneerde verhuismaterialen en de wijze waarop schadeclaims worden afgehandeld maken hier deel van uit.

Business case

Aanbieder stelt een plan van aanpak op voor een verhuizing. Aanbieder dient uit te gaan van bijgevoegde informatie in Bijlage 13. Aanbieder voegt de uitwerking van de Business case bij zijn Inschrijving achter tabblad 4.

Facilitaire ondersteuning

Aanbieder beschrijft hoe zij de afdeling huisvesting kan ondersteunen op het gebied van verhuismanagement. Aanbieder voegt deze informatie toe achter tabblad 4.’

2.4. Tot de aanbestedingsstukken behoren voorts een drie vragenlijsten, met daarop vragen van (aspirant-)inschrijvers over de aanbestedingsprocedure en de antwoorden van de Provincie op die vragen (de nota’s van inlichtingen).

2.5. UTS heeft zich ingeschreven voor de onderhavige opdracht.

2.6. Bij brief van 7 oktober 2011 heeft de Provincie aan UTS bericht dat op grond van de resultaten van de beoordeling van haar aanbieding, UTS niet is geselecteerd voor het afsluiten van de raamovereenkomst en dat die gesloten zal worden met een van de andere inschrijvers, Vlotweg Top Movers B.V., als daartegen niet in kort geding wordt opgekomen.

2.7. Bij de brief van 7 oktober 2011 was een bijlage gevoegd, ‘Bijlage scoretabel UTS’, met de navolgende inhoud:

Criterium UTS Vlotweg Top

Score Gewogen Score Gewogen

Plan van aanpak

Beheersplan 10 10 10,00 9 9,00

Managementrapportage 10 9 9,00 10 10,00

Implementatieplan 10 9 9,00 9 9,00

Business case 10 9 9,00 10 10,00

Facilitaire

ondersteuning 10 9 9,00 10 10,00

Presentatie 5 10 5,00 10 5,00

Kostenoverzicht

(prijzen en tarieven)

Prijs per m3 35 33,70 35,00

Uurtarief handyman 10 10,00 9,10

Totaal 100 94,70 97,10

Beoordeling plan van aanpak

UTS

Beheerplan n.v.t.

Management Veiligheid en duurzaamheid is in de managementrapportage niet genoemd

Implementatie Ontbreken concrete kosteninzage statiegeldregeling

Niet concreet aangegeven informatie over welke instructie / opleiding de medewerkers krijgen over hoe te werken bij de provincie

Business case Geen projectgebonden risico’s (r&e) en arbo maatregelen genoemd wat van toepassing is voor deze verhuizing

Facilitaire ondersteuning Overige diensten leveren zoals b.v. huisvestingapplicatie of b.v. de mogelijkheid om tijdelijk meubilair op te slaan is niet concreet benoemd.

3. De vordering

3.1. Na wijziging van eis vordert UTS – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, met veroordeling van de Provincie in de proceskosten,

- de Provincie te bevelen het (voorgenomen) gunningsbesluit aan Vlotweg Top Movers B.V.

te vernietigen danwel in te trekken respectievelijk het voornemen tot afwijzen van de

gunning van de opdracht aan UTS te vernietigen danwel in te doen trekken en gezien het

feit dat de Provincie nog tot, definitieve, gunning van de opdracht wenst over te gaan, een

nieuw gunningsbesluit te nemen ten gunste van UTS,

- subsidiair, de Provincie te gebieden de opdracht alsnog te gunnen aan UTS althans

de Provincie te verbieden de opdracht aan een ander dan aan UTS te gunnen

- uiterst subsidiair dat in goede justitie een passende maatregel wordt getroffen.

3.2. UTS legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de aanbestedingsprocedure in strijd is met het transparantie- en het gelijkheidsbeginsel, de beide grondbeginselen van het aanbestedingsrecht. Kort weergegeven heeft zij in dat kader twee hoofdbezwaren.

Ten eerste dat in de aanbestedingsstukken wel vermeld staat wat de maximaal te behalen score is voor het gunningscriterium ‘Plan van aanpak’ en de bijbehorende subgunnings-criteria, maar niet hoe per (sub)gunningscriterium de punten worden toegekend. UTS heeft in dat verband erop gewezen dat geen beoordelingsmatrix met wegingsfactoren bekend is gemaakt. Volgens UTS had de Provincie dan ook te veel beoordelingsvrijheid, hetgeen willekeur in de hand werkt.

Als tweede hoofdbezwaar voert UTS aan dat de Provincie met betrekking tot een aantal van de subgunningscriteria die bij ‘Plan van aanpak’ horen ten onrechte punten in aftrek heeft gebracht op de scores die UTS had moeten krijgen. In dat verband stelt UTS dat bij haar punten in mindering zijn gebracht hoewel haar offerte, anders dan de Provincie heeft beoordeeld, wel voldoet aan alle bekendgemaakte wensen van de Provincie, en ook dat zij minder punten heeft gekregen omdat zij in haar offerte niet is of zou zijn ingegaan op elementen die niet als wensen van de Provincie waren bekendgemaakt. Als spoedeisend belang bij de vorderingen wijst UTS erop dat de gunning aan Vlotweg Top Movers definitief wordt als zij niet in kort geding daartegen opkomt en zij dan een zeer belangrijke opdracht misloopt.

4. De beoordeling

4.1. Het spoedeisend belang bij de vorderingen blijkt voldoende uit de stellingen van UTS. De Provincie heeft het spoedeisend belang ook niet bestreden. Integendeel, zij heeft ter zitting aangevoerd dat zij in verband met een interne verhuizing die binnenkort moet plaatsvinden, belang heeft bij extra spoedige beslechting van het geschil.

4.2. Op de onderhavige aanbestedingsprocedure is het Bao van toepassing. Met het Bao is, op grond van de artikelen 2 en 3 Raamwet EEG-voorschriften, Richtlijn 2004/18/EG van het Europese Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten geïmplementeerd in de Nederlandse rechtsorde.

4.3. In artikel 2 Bao is bepaald dat aanbestedende diensten ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze behandelen en dat zij transparantie betrachten in hun handelen. De vraag ligt voor of de Provincie in deze aanbestedingsprocedure dienovereenkomstig heeft gehandeld. Om dat te kunnen beoordelen is het navolgende van belang.

4.4. Het beginsel van gelijke behandeling van inschrijvers beoogt de ontwikkeling van een gezonde en daadwerkelijke mededinging te bevorderen tussen de aan de aanbestedings-procedure deelnemende ondernemingen en vereist dat alle inschrijvers bij het opstellen van het in hun offertes gedane voorstel dezelfde kansen krijgen. Dat betekent dus dat voor alle mededingers dezelfde voorwaarden moeten gelden. Het transparantiebeginsel heeft in essentie ten doel te waarborgen dat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbestedende dienst wordt uitgebannen. Het impliceert dat alle voorwaarden en modaliteiten in de aanbestedingsstukken worden geformuleerd op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze opdat, enerzijds, alle behoorlijke geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde manier interpreteren, en anderzijds, de aanbestedende dienst in staat is om metterdaad na te gaan of de offertes van de inschrijvers beantwoorden aan de criteria welke op de betrokken opdracht van toepassing zijn. Een en ander brengt niet alleen mee dat alle aanbieders gelijk worden behandeld, maar ook dat zij in gelijke mate, mede met het oog op een goede controle achteraf, een duidelijk inzicht moeten hebben in de voorwaarden waaronder de aanbesteding plaats heeft (vgl. HR 11 november 2005, NJ 2006, 204 (Van der Stroom/ NIC c.s.) in samenhang met HvJ EG 29 april 2004, zaak C-496/99, PbEG 2004 C 118, blz. 2 (Succhi di Frutta)). Langs deze lijnen zal het geschil verder worden beoordeeld.

4.5. Als eerste verweer werpt de Provincie op dat UTS niet-ontvankelijk is in haar vorderingen omdat zij pas achteraf bezwaar maakt tegen de toegepaste beoordelings-systematiek. Dat verweer slaagt in zoverre dat de voorzieningenrechter in dit kort geding niet inhoudelijk zal ingaan op het eerste hoofdbezwaar van UTS, dat in de aanbestedings-stukken wel vermeld staat wat de maximaal te behalen score is voor het Plan van aanpak en de bijbehorende subgunningscriteria, maar niet hoe per (sub)gunningscriterium de punten worden toegekend. Daartoe wordt overwogen dat gesteld noch gebleken is dat door UTS of andere inschrijvers vóór de inschrijving vragen zijn gesteld over het feit dat in art. 2.9.3 Offerteaanvraag per (sub)gunningscriterium slechts de maximaal te behalen score staat vermeld en dat daar wel gerefereerd wordt aan een beoordelingsmatrix met wegingsfactoren maar de inhoud ervan niet kenbaar is gemaakt. Van een behoorlijke geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver mag een dusdanig pro-actieve houding worden verwacht

dat als hij bezwaar had tegen deze beoordelingssystematiek, hij dat vóór de inschrijving al kenbaar zou hebben gemaakt. Dit geldt te meer omdat in art. 2.9.3 Offerteaanvraag ook is bepaald dat de Provincie binnen de genoemde gunningscriteria en wegingsfactoren per beoordeelde wens nadere verfijning in de criteria en factoren kan aanbrengen. Onder deze omstandigheden gaat het dan ook niet aan om achteraf, in kort geding, voor het eerst te klagen dat de Provincie te veel beoordelingsvrijheid heeft.

4.6. Ten aanzien van het tweede hoofdbezwaar, dat op de scores van UTS ten onrechte puntenaftrek is toegepast, kan wel geoordeeld worden dat UTS in voldoende mate pro-actief is geweest, nu niet in geschil is dat met betrekking tot Bijlage 8 (programma van wensen) ook UTS één of meer vragen heeft gesteld die aan de orde zijn gekomen in de nota’s van inlichtingen. Verder heeft te gelden dat het hier ook gaat om de door de Provincie gemaakte beoordeling van UTS’ inschrijving. Daarover kan per definitie pas achteraf geklaagd worden. Het tweede hoofdbezwaar zal daarom hierna verder worden beoordeeld.

4.7. Dat bezwaar houdt dus in dat volgens UTS de Provincie met betrekking tot een aantal van de subgunningscriteria die behoren bij het gunningscriterium Plan van aanpak,

bij UTS punten in aftrek heeft gebracht op de maximale score die aan haar toegekend had moeten worden. Het betreft de subgunningscriteria Management-rapportage, Implementatieplan, Business case en Facilitaire ondersteuning.

Managementrapportage

4.8. UTS verwijt de Provincie dat zij niet de maximale score van 10 punten voor dit onderdeel heeft gekregen, terwijl zij aan alle wensen voldoet die de Provincie met betrekking tot dit criterium kenbaar heeft gemaakt. UTS stelt in dat verband dat bij haar ten onrechte punten in aftrek zijn gebracht omdat zij niet zou zijn ingegaan op de elementen veiligheid en duurzaamheid, terwijl die elementen bij dit subgunningscriterium niet als wensen kenbaar waren gemaakt. Daarbij komt, aldus UTS, dat de aspecten veiligheid en duurzaamheid wel aan de orde zijn gekomen in haar inschrijving.

4.9. Voorop wordt gesteld dat van een behoorlijke geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver mag worden verwacht dat hij begrijpt dat het inherent is aan een aanbestedings-procedure als de onderhavige, waar gunning van de opdracht voor een belangrijk deel afhangt van de beoordeling van rapportages en plannen van de aanbieders, dat de aanbestedende dienst een zekere mate van beoordelingsvrijheid heeft binnen het samenstel van kenbaar gemaakte procedureregels en toetsingscriteria en dus dat de inschrijver,

om kans te maken op gunning van de opdracht, rapportages en plannen moet laten zien die er kwalitatief uitspringen. Hij moet er, met andere woorden, voor zorgen dat zijn inschrijving onderscheidend zal zijn ten opzichte van die van de andere inschrijvers.

Een aanbestedingsprocedure is immers een concurrentiestrijd. In dat licht had UTS dan ook moeten begrijpen dat zij niet reeds de maximale score zou krijgen als zij alle in Bijlage 8 kenbaar gemaakte wensen met betrekking tot dit criterium had betrokken in haar managementrapportage. Het is immers heel goed voorstelbaar dat meer – of zelfs alle – inschrijvers de genoemde wensen wel zullen betrekken in hun managementrapportage en dat dit ook het geval zal zijn met bij de andere subgunningscriteria. Zouden die inschrijvers allemaal reeds de maximale score moeten krijgen omdat zij de benoemde wensen hebben opgenomen in hun rapportages en plannen, dan zou er geen winnaar zijn.

4.10. Om te winnen had de inschrijver dus meer moeten bieden dan specifiek gevraagd is.

UTS had daarom ook moeten inzien dat bij haar geen punten in mindering zijn gebracht op de maximale score die zij had moeten krijgen, maar dat haar minder punten zijn toegekend omdat zij ten opzichte van de winnaar minder heeft aangeboden. Dit geldt te meer omdat in Bijlage 8 ten aanzien van de wensen met betrekking tot het criterium Management-rapportage met woorden van gelijke strekking ook is bepaald dat een inschrijver meer kan aanbieden dan specifiek is benoemd. Daar staat immers over de managementrapportage

‘Hierin dienen in ieder geval de volgende punten te worden opgenomen’.

4.11. Dan voert UTS nog aan dat zij meer geboden heeft dan de kenbaar gemaakte wensen. Zij stelt in dat verband dat zij in haar inschrijving de elementen veiligheid en duurzaamheid weldegelijk heeft meegenomen. Dat baat UTS evenwel niet. Het staat vast dat die elementen niet aan de orde zijn gekomen in de voorbeeldrapportage van UTS, maar elders in haar inschrijving. Dit terwijl in Bijlage 8 uitdrukkelijk is bepaald dat de in te dienen managementrapportage achter tabblad 3 bij de inschrijving moet worden gevoegd.

Een bepaling die niet zonder reden is. In verband met de hiervoor weergegeven grondbeginselen van het aanbestedingsrecht moet immers ook helder en duidelijk zijn wat wordt aangeboden. Een inschrijving mag dus geen zoekplaatje worden. Hier is dat kennelijk wel het geval, nu ter zitting UTS zelf enige tijd heeft moeten zoeken in haar inschrijving om aan te kunnen tonen waar zij in haar inschrijving de elementen veiligheid en duurzaamheid heeft behandeld.

4.12. De voorzieningenrechter volgt UTS dan ook niet in haar stelling dat zij ten onrechte niet de maximale score heeft behaald op het onderdeel Managementrapportage.

Implementatieplan

4.13. Ook ten aanzien van het subgunningscriterium Implementatieplan wordt het standpunt verworpen dat UTS de maximale score had moeten krijgen. Volgens UTS had haar de maximale score toegekend moeten worden omdat in haar inschrijving wel een statiegeldregeling was opgenomen. Echter niet in geschil is dat in de regeling van UTS vermeld staat dat nog een huurprijs van de verhuisdozen moet worden afgesproken als die langer dan twee weken in gebruik zijn bij de Provincie, alsmede een vergoeding voor zoekgeraakte dozen. De Provincie weet met deze statiegeldregeling dus nog niet waar zij aan toe is. In zoverre is de regeling niet concreet, hetgeen rechtvaardigt dat niet de maximale score is toegekend.

4.14. Gelet op wat hiervóór met betrekking tot het criterium Managementrapportage is overwogen, is ook onvoldoende argument voor toekenning van de maximale score dat de Provincie, zoals UTS stelt, in de aanbestedingsstukken niet expliciet heeft gevraagd om informatie aangaande de instructie/opleiding die de medewerkers van de inschrijver

(dus de verhuizers) krijgen met betrekking tot het werken voor de Provincie. Op grond van het eerder overwogene had UTS ook hier moeten begrijpen dat niet reeds maximaal gescoord wordt als alle voor dit subgunningscriterium genoemde wensen zijn meegenomen in het implementatieplan. Het is – zoals overwogen – een concurrentiestrijd die door de opzet ervan in beperkte mate beoordelingsvrijheid geeft aan de Provincie om te bepalen wie de winnaar is. UTS had dan ook moeten beseffen dat zij iets extra’s moet bieden om ten opzichte van de andere inschrijvers onderscheidend te kunnen zijn. Kennelijk heeft de winnaar dat wel beseft, want niet weersproken is dat die in haar implementatieplan het onderwerp instructie/opleiding als extra element heeft opgenomen. Daardoor kon dat plan er op dit punt beter uitspringen dan het implementatieplan van UTS.

Business case

4.15. Dat laatste geldt ook met betrekking tot het criterium Business case.

Niet weersproken is dat de Provincie dit onderdeel van de inschrijving van UTS minder heeft gewaardeerd dan dat van de winnaar omdat de winnaar bij de uitwerking van de business case ook projectgebonden risico’s en arbo-maatregelen heeft omschreven. Ook al staan die elementen niet vermeld in de bijlagen bij het programma van wensen, UTS had zich ook hier moeten realiseren dat zij meer moet laten zien dan gevraagd om ten opzichte van andere inschrijvers onderscheidend te kunnen zijn en dus meer kans te maken op gunning van de opdracht.

Facilitaire ondersteuning

4.16. Ook op dit onderdeel was de inschrijving van UTS onvoldoende onderscheidend omdat UTS minder heeft aangeboden dan de winnaar. Niet in geschil is dat de winnaar als extra dienst een speciale ICT applicatietool heeft aangeboden alsmede de mogelijkheid voor de Provincie om tijdelijk meubilair op te slaan, en dat UTS dat allemaal niet heeft geoffreerd. Op grond van wat hiervóór al is overwogen, mocht de inschrijving van de winnaar dus ook op dit punt een hogere waardering krijgen dan de aanbieding van UTS.

4.17. Dat de Provincie wel weet dat UTS beschikt over de mogelijkheid voor tijdelijke opslag en dergelijke, omdat UTS jarenlang de vaste verhuizer van de Provincie is geweest, zoals UTS nog stelt, doet er niet toe. In verband met het gelijkheid- en transparantie-beginsel gaat het bij de beoordeling van de inschrijvingen alleen om wat is aangeboden en niet om ervaringen uit het verleden.

Slotsom

4.18. Al het vorenstaande leidt ertoe dat er geen grond is voor toewijzing van de vorderingen van UTS. Die zullen daarom worden afgewezen.

4.19. UTS zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Provincie worden begroot op:

- griffierecht € 560,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.376,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt UTS in de proceskosten, aan de zijde van de Provincie tot op heden begroot op € 1.376,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3. veroordeelt UTS in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen vijftien dagen na aanschrijving aan de voornoemde kostenveroordeling is voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van vijftien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in tegenwoordigheid van

de griffier mr. M.J. Daggenvoorde in het openbaar uitgesproken op 22 november 2011.

De feiten, het geschil en de motivering zijn afzonderlijk vastgelegd op 6 december 2011.