Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BU9551

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
01-11-2011
Datum publicatie
28-12-2011
Zaaknummer
AWB 11/830
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toepassing spoedbestuursdwang. Overtreding Waterwet. De toegepaste baggerpartij kan niet als baggerspecie dan wel bodemvreemd materiaal in de zin van het Besluit bodemkwaliteit worden aangemerkt.

Wetsverwijzingen
Waterwet
Waterwet 6.2
Besluit bodemkwaliteit
Besluit bodemkwaliteit 1
Besluit bodemkwaliteit 34
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/642
JOM 2012/1055
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3964

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/830

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 november 2011 in de zaak tussen

Grondbank GMG B.V., eiseres, te Arnhem,

(gemachtigde: mr. W.B. Kroon),

en

het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2010 heeft verweerder zijn beslissing om op 15 september 2010 jegens eiseres spoedbestuursdwang toe te passen ter zake van de toepassing van een partij bagger bekend onder afvalstroomnummer 05PTB0000018 (afkomstig uit de spoorsloot ter hoogte van de Afvalverwerking Rivierenland te Geldermalsen) in de plas op het industrieterrein Kellen te Tiel, op schrift gesteld. Verweerder heeft eiseres gelast de toepassing van deze partij onmiddellijk stop te zetten.

Bij besluit van 18 januari 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar, conform het advies van de Adviescommissie Awb van 9 december 2010, ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit van 27 september 2010 gehandhaafd.

Tegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2011. Eiseres is vertegenwoordigd door [naam], bijgestaan door mr. Kroon, voornoemd, advocaat te Breda. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.G.P.M. van de Mortel, drs. D.R. Vink en H.J. Smits, allen werkzaam bij het Waterschap Rivierenland.

Overwegingen

1. Eiseres bemiddelt bij, adviseert ter zake van en coördineert het verwerken van al dan niet licht verontreinigde grond op een efficiënte en milieuhygiënisch verantwoorde wijze en ontplooit beheer- en holdingactiviteiten. Ten tijde van het bestreden besluit voerde eiseres een verondieping uit van een voormalige zandwinningsplas op industrieterrein Kellen te Tiel.

2. Hoewel de toepassing van spoedbestuursdwang op 15 september 2010 omstreeks 15.00 uur na ongeveer twee uur is beëindigd, zoals blijkt uit het primaire besluit van 27 september 2010 en het verweerschrift, is de rechtbank anders dan verweerder van oordeel dat eiseres een procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit heeft. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiseres onder meer heeft betoogd dat voor het in bezwaar gehandhaafde besluit van 27 september 2010 onvoldoende grond was. Dat de toepassing van spoedbestuursdwang reeds na ongeveer twee uur is beëindigd, doet daar niet aan af. Ingevolge de Awb kan eiseres als aangeschrevene en dus direct belanghebbende immers de rechtmatigheid van besluiten als hier in geding (achteraf) in rechte aanvechten. Nu ook aan de overige ingevolge artikel 6:5 van de Awb gestelde vereisten is voldaan, is het beroep derhalve ontvankelijk.

3. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de in geding zijnde baggerpartij als baggerspecie dan wel bodemvreemd materiaal in de zin van het Besluit bodemkwaliteit (hierna: het Bbk) kan worden aangemerkt. Immers, in het geval het antwoord op deze vraag ontkennend is, levert het toepassen van deze baggerpartij in de plas op industrieterrein Kellen te Tiel een overtreding op van het bepaalde in artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwet (Ww).

4. Tussen partijen is niet in geschil dat de betreffende baggerpartij (grove) planten- en wortelresten bevatte. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen planten- en wortelresten niet worden aangemerkt als organisch materiaal als bedoeld in de definitieomschrijving van baggerspecie, zoals deze in artikel 1 van het Bbk is neergelegd. Van een organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, is namelijk geen sprake. Voorts is de rechtbank met verweerder van oordeel dat in dit geval ook niet kan worden gesproken van bodemvreemd materiaal als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van het Bbk. In de nota van toelichting bij het Bbk is aangegeven dat het hier gaat om materiaal dat doorgaans in grond en baggerspecie kan worden aangetroffen. Dit kunnen zowel minerale bestanddelen (zoals puin, vliegas, slakken) als niet-minerale bestanddelen (zoals glas, plastic, behandeld en onbehandeld hout) zijn. De rechtbank concludeert hieruit dat het bij bodemvreemd materiaal gaat om niet-organische bestanddelen. De in geding zijnde baggerpartij kan derhalve niet worden gekwalificeerd als baggerspecie in de zin van de artikelen 1 en 34, tweede lid, van het Bbk.

5. Uit het voorgaande volgt dat eiseres het bepaalde in artikel 6.2, eerste lid, van de Ww heeft overtreden, zodat verweerder bevoegd was om ter zake handhavend op te treden.

6. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

7. Van concreet zicht op legalisatie is geen sprake. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat handhavend optreden zodanig onevenredig was in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in dit geval had behoren te worden afgezien.

8. Tot slot faalt ook het betoog van eiseres dat er in dit geval onvoldoende grond was om spoedbestuursdwang toe te passen. Daartoe overweegt de rechtbank dat bij een hercontrole door een toezichthouder van verweerder op 15 september 2010 omstreeks 14.45 uur in weerwil van de om 12.30 uur gemaakte afspraken is geconstateerd dat tweemaal een vracht vegetatie vermengd met een kleine hoeveelheid bagger in de plas is toegepast en daarmee dus de eerder geconstateerde overtreding is voortgezet. Gezien de mogelijke negatieve gevolgen voor de plas, de aantasting van de ecologische en milieuhygiënische kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater, door de toepassing van andere stoffen dan de toegestane niet-vormgegeven bouwstoffen zoals grond, klei of baggerspecie, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in dit geval in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat er sprake was van spoedeisendheid.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, voorzitter, en mr. J.A. van Schagen en mr. T.A. Willems-Dijkstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P. van der Stroom, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 1 november 2011.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage.

Verzonden op: 1 november 2011