Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BU9540

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-11-2011
Datum publicatie
28-12-2011
Zaaknummer
AWB 10/3750
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet werk en bijstand. Mede terugvordering. Einduitspraak na tussenuitspraak. Herberekening terug te vorderen bedrag conform tussenuitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 10/3750

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 17 november 2011

inzake

[naam], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. R.G.H.M. de Glas,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Bij besluit van 29 januari 2010 heeft verweerder de aan [partner van eiser] (hierna: [naam partner]) ten onrechte verstrekte bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 23 juli 2009 (met onderbrekingen) tot een bedrag van € 132.111,70 op grond van artikel 59, tweede lid, van de Wet werk en bijstand (Wwb) mede van eiser teruggevorderd. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

1.2. Bij besluit van 4 oktober 2010 heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar van eiser ongegrond verklaard, met dien verstande dat verweerder de perioden waarover de aan [naam partner] ten onrechte verstrekte bijstand mede van eiser wordt teruggevorderd nader heeft vastgesteld op 1 januari 1999 tot en met 10 maart 2003 en van 9 maart 2005 tot en met 23 juli 2009 en het mede van eiser terug te vorderen bedrag nader heeft bepaald op € 120.735,02. Voor het overige heeft verweerder het besluit van 29 januari 2010 onder aanpassing van de motivering gehandhaafd.

1.3. Tegen dit besluit is beroep ingesteld.

1.4. Het beroep is gevoegd behandeld met het beroep van [naam partner] met registratienummer AWB 10/4009 ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 18 maart 2011. Eiser en zijn gemachtigde zijn daar, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.A.M. van Gerwen, werkzaam bij verweerders gemeente. Na sluiting van het onderzoek zijn de zaken weer gesplitst.

1.5. Op 19 mei 2011 heeft de rechtbank op grond van artikel 8:80a van de Awb tussenuitspraak gedaan. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder het besluit van 20 juli 2011 genomen.

1.6. Bij brief van 4 augustus 2011 heeft de rechtbank eiser verzocht zijn zienswijze tegen het besluit van 20 juli 2011 kenbaar te maken. Hierop heeft eiser bij brief van 11 augustus 2011 gereageerd.

1.7. Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb is afgezien van een nader onderzoek ter zitting en is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank verwijst voor een uiteenzetting van de feiten naar de tussenuitspraak van 19 mei 2011. Daaraan voegt de rechtbank het volgende toe.

2.2. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij het besluit van 20 juli 2011 het door de rechtbank geconstateerde gebrek dat aan het besluit van 4 oktober 2010 kleefde heeft hersteld door het bedrag van de medeterugvordering te bepalen op € 61.214,70.

2.3. De rechtbank stelt voorts vast dat nu met het besluit van 20 juli 2011 niet geheel is tegemoetgekomen aan de bezwaren van eiser, het geding in beroep, gelet op de artikelen 6:18, en 6:19, eerste lid, van de Awb zich mede uitstrekt tot dit nieuwe besluit.

2.4. Eiser heeft in zijn zienswijze meegedeeld dat de inhoud van het besluit van 20 juli 2011 voor hem geen aanleiding vormt voor nadere reactie.

2.5. De rechtbank is niet gebleken dat verweerder met de thans overgelegde herberekening niet op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de tussenuitspraak. Dit betekent dat het beroep van eiser tegen het besluit van 20 juli 2011 ongegrond moet worden verklaard.

2.6. De rechtbank komt op grond van hetgeen in de tussenuitspraak en hetgeen onder 2.4 is overwogen tot de onder 3 vermelde beslissing.

2.7. De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep. De kosten van rechtsbijstand worden begroot op € 655,50 (1 punt voor het beroepschrift en 0,5 punt voor de zienswijze). Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

2.8. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

3. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep tegen het besluit van 4 oktober 2010 gegrond;

- vernietigt het besluit van 4 oktober 2010;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 20 juli 2011 ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de door eiser in verband met de behandeling van het beroep gemaakte kosten tot een bedrag van € 655,50;

- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 41 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Willems-Dijkstra, voorzitter, en mr. H.J. Klein Egelink, en mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechters, in tegenwoordigheid van

mr. A. Azmi, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2011.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 17 november 2011