Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BU9537

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-11-2011
Datum publicatie
28-12-2011
Zaaknummer
AWB 10/4368 en AWB 10/4367
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet werk en bijstand. Herziening, intrekking en (mede) terugvordering. Einduitspraak na tussenuitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummers: AWB 10/4368 en AWB 10/4367

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 17 november 2011

inzake

[naam], eiseres en [naam], eiser,

hierna gezamenlijk tevens: eisers,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. M.F.G. Mulders,

tegen

het dagelijks bestuur van de Sociale Dienst Bommelerwaard, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluiten

Besluit van verweerder van 29 oktober 2010 met registratienummer AWB 10/4368

(besluit I);

Besluit van verweerder van 28 oktober 2010 met registratienummer AWB 10/4367

(besluit II).

Besluit van verweerder van 2 augustus 2011 met registratienummer AWB 10/4368

(besluit III);

Besluit van verweerder van 2 augustus 2011 met registratienummer AWB 10/4367

(besluit IV).

2. Procesverloop

AWB 10/4368

2.1. Bij besluit van 8 april 2010, verzonden op 12 april 2010, heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres over de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 januari 2010 herzien en met ingang van 1 januari 1999 ingetrokken. Bij besluit van 27 april 2010 heeft verweerder als gevolg van de intrekking de ten onrechte verstrekte bijstand over de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 januari 2010 ten bedrage van in totaal € 144.258,68 van eiseres teruggevorderd.

AWB 10/4367

2.2. Bij besluit van 27 april 2010 heeft verweerder de aan eiseres vanaf 1 januari 1999 ten onrechte verstrekte bijstand tot een bedrag van € 144.258,68 op grond van artikel 59, tweede lid, van de Wet werk en bijstand mede van eiser teruggevorderd.

2.3. Tegen deze besluiten hebben eisers afzonderlijk bezwaar gemaakt.

2.4. Bij de – afzonderlijk aan eisers gerichte – bestreden besluiten I en II heeft verweerder de door eisers gemaakte bezwaren tegen de eerder genoemde primaire besluiten ongegrond verklaard en deze besluiten gehandhaafd.

2.5. Tegen deze besluiten is door eisers afzonderlijk beroep ingesteld

2.6. De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 1 april 2011. Aldaar zijn eisers verschenen, bijgestaan door mr. Mulders, voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door L.J.M. Leerintveld, werkzaam bij de gemeente Bommelerwaard.

2.7. Na een tussenuitspraak van de rechtbank van 7 juli 2011 heeft verweerder de – afzonderlijk aan eisers gerichte – besluiten III en IV genomen.

2.8. Eisers zijn bij brief van 11 augustus 2011 verzocht hun zienswijze tegen besluit III en IV kenbaar te maken. Hierop hebben eisers bij brief van 5 september 2011 gereageerd.

2.9. Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet

bestuursrecht (Awb) is afgezien van een nader onderzoek ter zitting en is het onderzoek gesloten.

3. Overwegingen

3.1. De rechtbank verwijst voor een uiteenzetting van de feiten naar zijn tussenuitspraak van 7 juli 2011. Daaraan voegt zij het volgende toe.

3.2. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij besluit III en besluit IV de door de rechtbank geconstateerde gebreken die aan respectievelijk besluit I en besluit II kleefden heeft hersteld door, onder herroeping van de primaire besluiten van 8 en 27 april 2010, de bijstand van eiseres over de periode 1 juli 1999 tot en met 31 december 1999 te herzien, over de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2001 en van 22 juni 2007 tot en met 31 januari 2010 in te trekken, alsmede het bedrag van de (mede)terugvordering over de perioden van 1 juli 1999 tot en met 31 december 1999, van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2001 en van 22 juni 2007 tot en met 31 januari 2010 vast te stellen op € 60.117,92.

3.3. De rechtbank stelt voorts vast dat nu met besluit III en besluit IV niet geheel is tegemoetgekomen aan de bezwaren van eisers, het geding in beroep, gelet op de artikelen 6:18, en 6:19, eerste lid, van de Awb zich mede uitstrekt tot deze nieuwe besluiten.

3.4. Eisers hebben in hun zienswijze meegedeeld dat zij zich refereren aan het oordeel van de rechtbank over de wijze waarop verweerder de gebreken heeft hersteld. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de tussenuitspraak. Dit betekent dat de beroepen van eiseres en eiser tegen respectievelijk besluit III en besluit IV ongegrond moeten worden verklaard.

3.5. De rechtbank komt op grond van hetgeen in de tussenuitspraak en hetgeen onder 3.4 is overwogen tot de onder 4 vermelde beslissing.

3.6. De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de

Awb en verweerder te veroordelen in de door eisers, ieder afzonderlijk, gemaakte proceskosten in beroep. De kosten van rechtsbijstand worden begroot op € 1.529,50 voor eisers gezamenlijk (2 punten voor de beroepschriften, 1 punt voor het bijwonen van de zitting op 1 april 2011 en 0,5 punt voor de zienswijze). De rechtbank heeft hierbij toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

3.7. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep van eiseres tegen besluit I gegrond;

verklaart het beroep van eiser tegen besluit II gegrond;

vernietigt de besluiten I en II;

verklaart het beroep van eiseres tegen besluit III ongegrond;

verklaart het beroep van eiser tegen besluit IV ongegrond;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van in totaal € 1.529,50;

bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht ten bedrage van € 41 afzonderlijk aan hen (dus totaal € 82) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, voorzitter, mr. H.J. Klein Egelink en mr. T.A. Willems-Dijkstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Azmi, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2011.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 17 november 2011