Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BU9522

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-12-2011
Datum publicatie
28-12-2011
Zaaknummer
05/721230-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

‘Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’

‘Handelen in strijd met artikel 13, lid 1 van de wet wapens en munitie’

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/721230-11

Datum zitting : 14 december 2011

Datum uitspraak : 28 december 2011

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman : mr. A.H. Staring, advocaat te Arnhem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 31 augustus 2011 te Velp, in de gemeente Rheden,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk en met

voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk na kalm

beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit,

vanuit een auto (op korte afstand van die [slachtoffer]) met een vuurwapen en/of een

gasdrukpistool, althans een wapen meerdere schoten in de richting van het

lichaam van die [slachtoffer] heeft afgevuurd/geschoten/gelost,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 31 augustus 2011 te Velp, in de gemeente Rheden,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van

het leven te beroven, opzettelijk

vanuit een auto (op korte afstand van die [slachtoffer]) met een vuurwapen en/of een

gasdrukpistool,

althans een wapen meerdere schoten in de richting van het lichaam van die

[slachtoffer] heeft afgevuurd/geschoten/gelost,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 31 augustus 2011 te Velp, in de gemeente Rheden,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk

vanuit een auto (op korte afstand van die [slachtoffer]) met een vuurwapen en/of een

gasdrukpistool,

althans een wapen meerdere schoten in de richting van het lichaam van die

[slachtoffer] heeft afgevuurd/geschoten/gelost,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meest subsidiair:

hij op of omstreeks 31 augustus 2011 te Velp, in de gemeente Rheden, [slachtoffer]

[slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met

zware mishandeling, door opzettelijk dreigend vanuit een auto (op korte

afstand) met een vuurwapen en/of een gasdrukpistool, althans een wapen

meerdere schoten in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] te lossen

en/of af te vuren;

2.

hij op of omstreeks 31 augustus 2011 te Velp, in de gemeente Rheden en/of te

Arnhem een wapen (een gasdrukpistool van het merk GAMO) van categorie I onder

7°, te weten een nabootsing van een Walther P-5, dat/die door zijn/hun vorm en

afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde(n) met (een) Walther P-5,

voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 14 december 2011 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. A.H. Staring, advocaat te Arnhem.

De officier van justitie heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Feit 1

Primair, subsidiair en meer subsidiair.

De rechtbank acht net als de officier van justitie en de verdediging niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 primair en subsidiair is ten laste ge¬legd en zal verdachte daarvan vrij¬spreken.

Ten aanzien van het onder feit 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende.

Onvoldoende staat vast dat het potentieel van een gasdrukpistool voldoende is om wettig en overtuigend bewezen te kunnen achten dat de aanmerkelijke kans bestond dat, indien verdachte het lichaam van [slachtoffer] dusdanig zou raken, dit tot de dood of zwaar lichamelijk letsel had kunnen leiden.

De rechtbank vindt in dit verband van belang dat niet vast staat dat het (hierna nog apart te bespreken) deukje in de auto is veroorzaakt door het door verdachte gehanteerde gasdrukpistool, zodat die omstandigheid niet kan bijdragen aan het vaststellen van de objectieve aannemelijkheid van die aanmerkelijke kans.

De rechtbank acht om die reden niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het standpunt van de officier van justitie ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde.

De officier van justitie acht het onder feit 1 meer subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen en voert hiertoe het volgende aan.

Verdachte heeft gericht op het slachtoffer geschoten met een gasdrukpistool. Het slachtoffer is niet geraakt. In een vlakbij geparkeerde auto is wel een deukje aangetroffen. Dit deukje is veroorzaakt door een projectiel afkomstig uit het wapen van verdachte. Aangezien het menselijk schedel minder sterk is dan een auto, had hetzelfde projectiel bij verdachte zwaar lichamelijk letsel kunnen veroorzaken. Verdachte heeft daarmee de aanmerkelijke kans om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aanvaard.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1. meer subsidiair ten laste gelegde. De raadsman voert daartoe het volgende aan.

Op de plaats delict is geen deugdelijk onderzoek gedaan. In ieder geval zijn geen projectielen aangetroffen op het plaats delict. Dat de schade aan de geparkeerde auto afkomstig is van een projectiel uit het wapen van verdachte staat niet vast. Het is niet zeker dat er projectielen zijn afgeschoten door verdachte.

Daarnaast is het wapen van verdachte ook niet onderzocht door een deskundige. De deugdelijkheid en de werking van het gebruikte wapen is dan ook niet bekend.

Op basis van voorgaande kan niet worden vastgesteld of het handelen van verdachte zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer ten gevolge zou kunnen hebben gehad. Er is dus geen wettig en overtuigend bewijs dat verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard.

Meest subsidiair

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte heeft op 31 augustus 2011 te Velp, in de gemeente Rheden, [slachtoffer] bedreigd, door opzettelijk dreigend vanuit een auto met een gasdrukpistool meerdere schoten in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] te lossen.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 meest subsidiair heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Verdachte heeft bekend dat hij op 31 augustus 2011 vanuit zijn auto zijn gasdrukwapen heeft gericht op het slachtoffer. Hij heeft aangegeven dat hij tweemaal op het slachtoffer heeft geschoten en dat de afstand tussen verdachte en het slachtoffer 5 a 6 meter bedroeg. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij in de veronderstelling was dat hij dit incident wellicht niet zou overleven, zeker in het licht van eerdere bedreigingen door verdachte.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 meest subsiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 31 augustus 2011 te Velp, in de gemeente Rheden, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gerichtdoor opzettelijk dreigend vanuit een auto op korte

afstand met een gasdrukpistool, meerdere schoten in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] te lossen

Feit 2

De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt, voor dit feit, volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte, p. 26-30, en

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 14 december 2011.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij omstreeks 31 augustus 2011 te Velp, in de gemeente Rheden en te

Arnhem een wapen (een gasdrukpistool van het merk GAMO) van categorie I onder

7°, te weten een nabootsing van een Walther P-5, dat door zijn vorm en

afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een Walther P-5,

voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

‘Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’

Ten aanzien van feit 2:

‘Handelen in strijd met artikel 13, lid 1 van de wet wapens en munitie’

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten, met name ook niet uit de hierna te noemen deskundigenrapportage.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van feit 1 meer subsidiair en feit 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 137 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde op te leggen reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt een cognitieve vaardigheidstraining, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, en voorts tot het verrichten van 200 uren werkstraf subsidiair 100 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman vraagt de rechtbank rekening te houden met de enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte die is gebleken uit het psychologisch onderzoek. Een cognitieve vaardigheidstraining acht de verdediging in het belang van verdachte.

De beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 18 november 2011,

• een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, Adviesunit Arnhem-Nijmegen, gedateerd 11 oktober 2011, betreffende verdachte,

• een pro-justitia rapportage, opgemaakt door drs. [psycholoog], gezondheidszorgpsycholoog, d.d. 3 november 2011, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Op 31 augustus heeft verdachte het slachtoffer de schrik van zijn leven bezorgd, door op korte afstand, gericht schoten op hem af te vuren met een gasdrukpistool. Het wapen vertoonde grote gelijkenis met een Walther p-5. Daar verdachte al eerder per sms bedreigingen had geuit richting het slachtoffer was het slachtoffer in de veronderstelling dat zijn leven wellicht voorbij zou zijn. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat het incident plaats vond terwijl hij wist dat er in die straat op dat moment een kinderfeestje werd gevierd.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat uit het aangehaalde uittreksel uit het algemeen documentatieregister blijkt dat verdachte niet eerder inzake vergelijkbare feiten is veroordeeld.

In de hiervoor genoemde pro-justitia rapportage en het voorlichtingsrapport van de reclassering wordt geconcludeerd dat verdachte beperkt intellectueel begaafd is. Daarnaast heeft de verdachte een aanpassingsstoornis, een persoonlijkheidsstoornis en is er sprake van misbruik van diverse verslavende middelen. Volgens de pro-justitia rapportage, was verdachte ten tijde van het gepleegde feit enigszins verminderd toerekeningsvatbaar.

De rechtbank kan zich vinden in bovenstaande conclusies en maakt die tot de hare.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak geen andere straf in aanmerking komt dan een deels voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een werkstraf. Nu de rechtbank verdachte heeft vrijgesproken van het onder feit. 1 meer subsidiair ten laste gelegde zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan hetgeen de officier van justitie heeft geëist.

De rechtbank ziet, gelet op verdachtes persoonlijkheid, conform het advies van de reclassering, aanleiding aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat mocht inhouden het deelnemen aan een cognitieve vaardigheidstraining (COVA).

Het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, met behulp waarvan het onder feit 1 meest subsidiair en onder feit 2 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 36b, 36c, 57, 91, 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 13, 55 en 56 van de Wet Wapens en Munitie.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het onder feit 1. primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 143 (honderddrieënveertig) dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 100 (honderd) dagen niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit dan wel navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:

• dat veroordeelde, zich uiterlijk binnen 7 dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis meldt bij de balie van Reclassering Nederland, Adviesunit Arnhem-Nijmegen, [adres] en zich na de eerste afspraak blijft melden op de afgesproken tijdstippen en locaties zo frequent als en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

• dat veroordeelde dient deel te nemen aan cognitieve vaardigheidstraining.

• en voorts dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd dient te gedragen naar de hiermee verband houdende (nadere) aanwijzingen van de reclassering, voor zover en voor zolang dat door de reclassering noodzakelijk wordt geacht.

Geeft opdracht aan de (stichting) Reclassering Nederland om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht geheel in mindering wordt gebracht.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tevens tot

het verrichten van een werkstraf gedurende 80 (tachtig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 40 (veertig) dagen.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

Vuurwapen (Pistool), merk Gamo P23, serienummer 04-4c-195980-00

Aldus gewezen door Mr. R.M. Maanicus als voorzitter, mr. L.C.P. Goossens, mr. M. van der Linde, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.J. Elferink-van Vliet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 december 2011.