Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BU9128

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
23-12-2011
Zaaknummer
05/800872-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Militaire kamer veroordeelt 48-jarige officier tot geldboete wegens mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Militaire kamer

Promis

Parketnummer : 05/800872-11

Datum zitting : 12 december 2011

Datum uitspraak : 23 december 2011

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats]

rang/rnr. : Kolonel, [rang]

ingedeeld bij : [afdeling].

Raadsman : mr. M.P.K. Ruperti, advocaat te Amersfoort.

Officier van justitie : mr. S.Z. Wiarda.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de nacht van 01 op 02 november 2011 te Zeist,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk een (bak)steen, althans

een hard/zwaar voorwerp, (met kracht) in de richting van voornoemde [slachtoffer]

heeft gegooid waarbij die [slachtoffer] aan het (linker) scheenbeen, althans het

lichaam is geraakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de nacht van 01 op 02 november 2011 te Zeist opzettelijk

mishandelend een (bak)steen, althans een hard/zwaar voorwerp, (met kracht) in

de richting van een persoon (te weten [slachtoffer]) heeft gegooid waarbij die

[slachtoffer] aan het (linker) scheenbeen, althans het lichaam is geraakt waardoor

deze [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 12 december 2011 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. M.P.K. Ruperti, advocaat te Amersfoort.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

In de avond van 1 november 2011 heeft verdachte in de woning van zijn partner [partner verdachte] (verder [partner verdachte]) gelegen aan [adres] een woordenwisseling gehad met aangever [slachtoffer] (verder [slachtoffer]), de ex-partner van [partner verdachte] . Verdachte heeft hierop de woning verlaten. Verdachte heeft vervolgens een baksteen uit de voortuin van de woning gehaald en deze gegooid. [slachtoffer] stond op dat moment bij de voordeur van de woning . [slachtoffer] voelde hierop een zware stekende pijn ter hoogte van zijn linker scheenbeen. Hij had een snijwond van circa 4 centimeter aan het linker scheenbeen, die is gehecht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde gelet op de bewijsmiddelen in het dossier. Volgens de officier van justitie heeft verdachte de steen ongecontroleerd in de richting van [slachtoffer] gegooid, waarbij hij voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan die [slachtoffer].

Het standpunt van de verdediging

Verdachte erkent dat hij een steen heeft gegooid. Hij heeft uit frustratie een steen gepakt en heeft deze richting de onderkant, ongeveer 50 centimeter vanaf de grond, van een boom in de voortuin gegooid. Hij had hierbij niet de intentie om [slachtoffer] te raken. Ook heeft hij de steen niet met volle kracht gegooid. Waarschijnlijk heeft hij de boom gemist en is de steen afgeketst op het stenen pad vlak voor het huis, alwaar [slachtoffer] stond, waarna de steen, of een van de steen afgesprongen scherf, tegen het been van [slachtoffer] aan is gekomen.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van (zwaar) lichamelijk letsel of pijn aan [slachtoffer], zodat vrijspraak dient te volgen van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde feit.

De beoordeling door de rechtbank

[slachtoffer] heeft bij zijn aangifte op 2 november 2011 verklaard dat hij zag dat verdachte naar de erfgrens liep en daar een baksteen begon uit te graven. [slachtoffer] vroeg aan verdachte of hij van plan was deze baksteen naar hem te gooien. Hij hoorde dat verdachte riep dat hij dat ging doen. [slachtoffer] zag dat verdachte de steen met kracht in zijn richting gooide.

Op 3 november 2011 heeft [slachtoffer] verklaard dat hij zag dat verdachte recht voor de deur stond aan de stoepzijde. Hij zag dat verdachte bukte. Toen [slachtoffer] aan verdachte vroeg of hij iets ging gooien zei verdachte “ja”. De afstand tussen hem en verdachte was op dat moment 3 à 4 meter. Het zicht was onbelemmerd en er stonden geen directe obstakels tussen verdachte en [slachtoffer]. Er staat wel een boom in de voortuin, maar deze stond niet direct tussen hen. Voorts heeft [slachtoffer] verklaard dat de mogelijkheid bestond dat verdachte het huis wilde raken. Hij kan niet met zekerheid zeggen dat verdachte hem doelbewust wilde raken. Nadat [slachtoffer] door de steen geraakt was lag de steen in de hal op de mat. Er was een scherf vanaf gesprongen en deze lag op het laminaat in de woonkamer.

Op 3 november 2011 is de Koninklijke Marechaussee gebeld door de dochter van de bewoonster van de woning gelegen aan de [adres]. Zij verklaarde dat haar moeder heeft gezien dat de vriend van de bewoonster van [adres] (rb: verdachte) een steen gooide richting van de ex-man van de bewoonster (rb: [slachtoffer]). Zij had de gebeurtenissen die buiten plaatsvonden, gevolgd vanuit het raam op de eerste verdieping.

Verdachte heeft verklaard dat hij de steen bovenhands heeft gegooid. De afstand tussen hem en de boom was op dat moment ongeveer 1,5 meter. De afstand van de boom naar de deur bedraagt ongeveer 2 meter. Nadat hij had gegooid, hoorde hij de steen op het tegelpad ongeveer 0,5 meter voor de voordeur ketsen.

Gelet op vorenstaande is de militaire kamer van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de baksteen in de richting van aangever [slachtoffer] heeft gegooid. De militaire kamer acht niet bewezen dat verdachte de intentie heeft gehad om met de steen [slachtoffer] te raken, maar wel dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans hierop heeft aanvaard. Verdachte wist dat [slachtoffer] in de deuropening stond - [slachtoffer] heeft immers aan verdachte gevraagd of hij ging gooien - en desondanks heeft hij de baksteen bovenhands en met dusdanige kracht in de richting van de woning gegooid dat de steen een afstand van 3 à 4 meter kon overbruggen. De verklaring van verdachte dat hij met de steen de onderkant van de boom, op een hoogte van ongeveer 50 centimeter, wilde raken acht de militaire kamer niet aannemelijk geworden, temeer niet nu er geen redelijke verklaring voor is hoe die baksteen zoveel verder terecht is gekomen dan het door verdachte gestelde nabije en laaggesitueerde doel.

De militaire kamer is echter van oordeel dat op basis van de voornoemde omstandigheden niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De militaire kamer zal verdachte derhalve vrijspreken van het primair tenlastegelegde feit.

Wel acht de militaire kamer bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de mishandeling van aangever [slachtoffer], nu het voorwaardelijk opzet om [slachtoffer] met de baksteen te raken het voorwaardelijk opzet impliceert dat [slachtoffer] daarbij pijn of letsel zou ondervinden.

Conclusie

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij omstreeks de nacht van 01 op 02 november 2011 te Zeist opzettelijk mishandelend een baksteen, met kracht in de richting van een persoon (te weten [slachtoffer]) heeft gegooid waarbij die [slachtoffer] aan het linker

scheenbeen, is geraakt waardoor deze [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Mishandeling.

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de militaire kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 2 november 2011;

• een reclasseringsadvies (beknopt) gedateerd 4 november 2011;

• een reclasseringsadvies, gedateerd 8 december 2011.

De militaire kamer overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van de ex-partner van zijn partner [partner verdachte]. Dit is een ernstig feit, temeer nu verdachte in mei 2011 ook reeds is veroordeeld ter zake van de mishandeling van [partner verdachte] zelf.

Uit de stukken is echter aannemelijk geworden dat de aanleiding van het handelen van aangever lag in het, (al dan niet bewust provocerende) gedrag van [partner verdachte] en [slachtoffer]. Na een ruzie tussen verdachte en [partner verdachte] heeft [partner verdachte] [slachtoffer] gevraagd bij haar te komen slapen. Toen verdachte in de woning kwam om kleding te halen, zag hij hen samen in de woonkamer. Hierop ontstond een scheldpartij tussen verdachte en [slachtoffer], waarin [slachtoffer] zich van zijn zijde evenmin onbetuigd heeft gelaten en mede – op voor verdachte krenkende wijze – heeft ingespeeld op diens militaire verleden. De militaire kamer zal hier in het voordeel van verdachte rekening mee houden.

Ook spreekt in het voordeel van verdachte dat hij in behandeling is ter zake van de bij hem geconstateerde agressieproblematiek en volgens de reclassering groei laat zien in de aanpak hiervan. Het recidiverisico wordt ietwat lager ingeschat dan in de rapportage die is opgemaakt in de voorgenoemde eerdere strafzaak. Verdachte heeft aangetoond in staat te zijn ‘time-outs’ te nemen en weg te lopen voor dreigende escalaties. Dit is door verdachte ter terechtzitting bevestigd.

Gelet op het hiervoor overwogene is de militaire kamer van oordeel dat de oplegging van een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,- passend en geboden is. De militaire kamer wil hiermee aan verdachte duidelijk maken dat hetgeen hij heeft gedaan verwijtbaar is en dat hij hiervoor dient te worden gestraft, maar wil hem ook de kans geven om de door hem ingeslagen goede weg voort te zetten en dit incident af te sluiten en achter zich te laten. Dit geldt in het bijzonder nu aan verdachte in mei 2011 een voorwaardelijke werkstraf is opgelegd, welke straf al heeft te gelden als een ‘stok achter de deur’ om te bewerkstelligen dat verdachte de hem bij dat vonnis opgelegde (algemene en bijzondere) voorwaarden nakomt. Zoals aangegeven, lijkt het reclasseringscontact naar behoren te verlopen.

De militaire kamer heeft in de straf de drie dagen dat verdachte in verzekering gesteld is geweest verdisconteerd.

De straf is lager dan de straf die de officier van justitie heeft geëist, omdat de militaire kamer minder bewezen acht dan de officier van justitie.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

De betaling van een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro),

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. T.P.E.E. van Groeningen (voorzitter), mr. E. de Boer en kapitein ter zee van administratie

mr. F.N.J. Jansen (militair lid), in tegenwoordigheid van mr. M.B. Wichman, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 december 2011.