Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BU8605

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
30-11-2011
Datum publicatie
19-12-2011
Zaaknummer
216215
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beinum Industrie vordert betaling van € 34.163,11 van gedaagde als vertegenwoordiger van d ebesloten vennootschap in oprichting wier rechtshandelingen niet bekrachtigd zijn door de opgerichte vennootschap. Art. 2:203 lid 2 BW.

De functie van degene die voor de vennootschap een rechtshandeling verrichtte is niet van belang. Nu tussen partijen vaststaat dat gedaagde optrad voor Black Woods Trading Nederland B.V. i.o. en gebleken is dat de oprichting van de b.v. is gevolgd en dat bekrachtiging is uitgebleven, is hiermee de hoofdelijke aansprakelijkheid van gedaagde naast Black Woods Trading Nederland B.V. i.o gegeven. Nederlands recht van toepassing.

Algemene voorwaarden van toepassing. Klacht over het geleverde onvoldoende gesteld. Vordering toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 216215 / HA ZA 11-815

Vonnis van 30 november 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BEINUM INDUSTRIE B.V.,

handelend onder de naam AALBERS EMBALLAGE,

gevestigd te Doesburg,

eiseres,

advocaat mr. J.U. Stam te Hattem,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. B.J. Stuiver te Tiel.

Partijen zullen hierna Beinum Industrie en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 31 augustus 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 16 november 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Beinum Industrie sluit een of meer overeenkomsten met HG Pallets. Dit is de handelsnaam van Black Woods Trading Nederland B.V. i.o. Deze vennootschap in oprichting is beoogd 100% dochter van SIA Black Woods Trading te Riga. [gedaagde] is 100% aandeelhouder van laatstgenoemde.

2.2. Beinum Industrie stuurt een aantal facturen aan HG Pallets. Op drie facturen staat thans nog een totaalbedrag van € 33.005,11 open. De eerste twee betreffen gekochte en geleverde zaken, de derde een bestelling van klossen ad € 4.567,75.

2.3. De facturen verwijzen naar de algemene verkoop- en leveringsvoorwaarden van Beinum Industrie; deze staan op de achterzijde van de facturen vermeld.

2.4. [gedaagde] spreekt met Beinum Industrie’s Wilczynski over betalingsregelingen. Op 30 maart 2011 mailt Beinum Industrie aan HG Handel – een door [gedaagde] gebruikte handelsnaam – de bevestiging van een afspraak die overeenstemt met een voorstel dat [gedaagde] de dag tevoren heeft gedaan om éénmalig € 2.257,68 en in vier termijnen steeds € 2.553,98 te betalen. Deze overeenkomst wordt niet nagekomen.

2.5. Op 31 maart 2011 wordt de opheffing van Black Woods Trading Nederland B.V. i.o. ingeschreven in het handelsregister. Hierbij treedt [gedaagde] als bestuurder van SIA Black Woods Trading op.

2.6. Ten laste van [gedaagde] laat Beinum Industrie beslag leggen onder ING Bank N.V. en Proost en Brandt B.V.

3. Het geschil

3.1. Beinum Industrie vordert na vermeerdering van de eis veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 34.163,11, vermeerderd met rente en kosten waaronder de beslagkosten en nakosten.

3.2. De gevorderde hoofdsom bestaat uit het onder 2.2 genoemde factuurbedrag van € 33.005,11 en € 1.158,00 aan incassokosten. Beinum Industrie vordert het factuurbedrag van [gedaagde] als vertegenwoordiger van de besloten vennootschap in oprichting wier rechtshandelingen niet bekrachtigd zijn door de opgerichte vennootschap. Voor de factuur voor de bestelde klossen geldt dat Beinum Industrie nog niet aan haar verplichtingen heeft voldaan. Zij beroept zich terzake op art. 11 van haar algemene voorwaarden, dat, kort gezegd, voor het geval dat facturen niet voldaan worden en/of de wederpartij haar bedrijf staakt, deze wederpartij het recht ontzegt zich op een opschortingsrecht te beroepen. Beinum Industrie mag dan dus betaling vooraf opleggen.

3.3. [gedaagde] voert verweer. Hij stelt primair dat Beinum Industrie niet hem, maar de besloten vennootschap in oprichting waarvoor hij slechts als freelancer optrad, had moeten dagvaarden. Subsidiair betoogt hij dat Beinum Industrie ten onrechte SIA Black Woods Trading behandelt als een Nederlandse rechtspersoon en in dat verband ten onrechte uitgaat van de toepasselijkheid van Nederlands recht. Meer subsidiair voert hij aan dat partijen zich nooit iets gelegen hebben laten liggen aan de algemene voorwaarden en uiterst subsidiair dat er klachten waren over het door Beinum Industrie geleverde.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het primaire verweer gaat niet op. Black Woods Trading Nederland B.V. i.o. werd vertegenwoordigd door [gedaagde]. Daarover bestaat geen discussie. [gedaagde] stelt bij conclusie van antwoord dat hij niet als bestuurder of oprichter van Black Woods Trading Nederland B.V. i.o. optrad, maar als freelancer. Ter comparitie is dit beeld genuanceerd omdat [gedaagde] daar verklaard heeft dat hij “geen volmacht (had) als freelancer omdat (hij) 100% aandeelhouder was.” Daaraan heeft hij toegevoegd: “In Letland was nog geen directeur aangesteld. Ik trad op omdat ik dat als aandeelhouder de beste oplossing vond”.

4.2. Uit welken hoofde [gedaagde] optrad voor de b.v. i.o. kan echter in het midden blijven omdat art. 2:203 lid 2 Burgerlijk Wetboek bepaalt:

Degenen die een rechtshandeling verrichten namens een op te richten besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid zijn (…) daardoor hoofdelijk verbonden, totdat de vennootschap na haar oprichting de rechtshandeling heeft bekrachtigd.

4.3. Hierbij is de functie van degene die voor de vennootschap een rechtshandeling verrichtte, niet van belang. Nu tussen partijen vaststaat dat [gedaagde] optrad voor Black Woods Trading Nederland B.V. i.o. en gebleken is dat geen oprichting van de b.v. is gevolgd en dat bekrachtiging is uitgebleven, is hiermee de hoofdelijke aansprakelijkheid van [gedaagde] naast Black Woods Trading Nederland B.V. i.o. gegeven.

4.4. Het subsidiaire verweer snijdt geen hout. Er is door Beinum Industrie gecontracteerd met een Nederlandse vennootschap in oprichting. De enige rol die de Letse moeder daarbij speelde, was dat [gedaagde] Beinum Industrie aanvankelijk had gevraagd de facturen naar die Letse vennootschap te sturen. Deze facturen zijn later gecrediteerd, waarna alle facturen op naam van HG Pallets verzonden zijn. De vragen die het subsidiaire verweer wil oproepen, zijn dus niet aan de orde.

4.5. Het meer subsidiaire verweer wil het beroep op de algemene voorwaarden van Beinum Industrie uitsluiten. Nu dit alleen gebeurt met de stelling dat partijen ‘zich nooit iets gelegen (hebben) laten liggen aan de algemene voorwaarden’, omdat ze haaks stonden op de praktijk van de uitvoering van de overeenkomsten, passeert de rechtbank het verweer. De toepasselijkheid zelf wordt hiermee immers niet betwist en dat partijen bij de praktische uitvoering van de overeenkomsten anders dan conform de algemene voorwaarden handelden, wil niet zeggen dat Beinum Industrie geen beroep zou kunnen en mogen doen op art. 11 ervan.

4.6. Het meest subsidiaire verweer houdt in dat er klachten waren over het geleverde. Daarop heeft Black Woods Trading Nederland B.V. i.o. echter Beinum Industrie niet in gebreke gesteld. Kennelijk is Beinum Industrie wel op het bestaan van klachten gewezen, want bij dagvaarding stelt zij dat er overleg tussen partijen was geweest om tot een oplossing te komen en dat dit had geresulteerd in de onder 2.4 bedoelde betalingsregeling. Dit laatste ontkent [gedaagde] niet en hij geeft bij antwoord aan dat je een relatie niet op scherp gaat zetten door klachten te uiten. Die waren er wel degelijk, voegt hij daaraan toe, zonder de klachten te specificeren en zonder aan te geven of er tijdig geklaagd is.

4.7. Onder deze omstandigheden kan de rechtbank de mogelijke klacht over de kwaliteit van het geleverde niet behandelen. [gedaagde] laat na te stellen waarin de klacht precies bestond en wanneer deze geuit is, terwijl hij onweersproken laat dat partijen een oplossing hebben gevonden door het treffen van de betalingsregeling.

4.8. Het voorgaande betekent dat de vordering voor wat de hoofdsom – het totaal van de factuurbedragen – betreft, voor toewijzing gereed ligt.

4.9. Beinum Industrie vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 1.023,42 voor verschotten en € 579,00 voor salaris advocaat (1 rekest x € 579,00).

4.10. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. Beinum Industrie heeft niet voldoende onderbouwd gesteld dat zij deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

4.11. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Beinum Industrie worden – met uitzondering van de akte vermeerdering eis die de rechtbank als herstel van een nalatigheid ziet – begroot op:

- dagvaarding € 76,31

- griffierecht 613,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2,0 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 1.847,31

4.12. De gevorderde veroordeling in de nakosten is toewijsbaar.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan Beinum Industrie te betalen een bedrag van € 33.005,11 (drieëndertig duizendvijf euro en elf eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW over het toegewezen bedrag telkens vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldenaar de factuur heeft ontvangen, tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 1.602,42,

5.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Beinum Industrie tot op heden begroot op € 1.847,31, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4. veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met € 68,00 voor salaris advocaat en de explootkosten van betekening en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 30 november 2011.