Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BU8600

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
30-11-2011
Datum publicatie
19-12-2011
Zaaknummer
211380
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling van onbetaald gebleven facturen. Niet-nakoming bemiddelingsovereenkomst.

Vordering wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 211380 / HA ZA 11-159

Vonnis van 30 november 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. H.D.S. Lasonder te Hoorn,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOLLANDGROEP UITZENDBUREAU B.V.,

gevestigd te Malden,

gedaagde,

advocaat mr. E.A. Leeman te Veghel.

Partijen zullen hierna [eiser] en Hollandgroep genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 17 augustus 2011

- productie E10 van 5 oktober 2011 van de zijde van [eiser], houdende een verklaring van de dhr. [betrokkene]

- het proces-verbaal van comparitie van 20 oktober 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Hollandgroep heeft aan bouwbedrijf GMB uitzendkrachten uitgeleend en daarvoor facturen gestuurd aan GMB. Het contact tussen Hollandgroep en GMB is tot stand gekomen na bemiddeling door [eiser].

2.2. Hollandgroep heeft de facturen die zij aan GMB stuurde ook gestuurd aan [eiser]. [eiser] heeft op zijn beurt zijn facturen aan Hollandgroep in het kader van de bemiddeling gebaseerd op de facturen van Hollandgroep aan GMB. Per uur dat GMB betaalde per uitzendkracht, heeft [eiser] een bemiddelingsfee berekend en gefactureerd aan Hollandgroep.

2.3. Hollandgroep heeft een deel van de facturen van [eiser] niet betaald. Dit is in totaal een bedrag van € 14.917,56.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert samengevat - veroordeling van Hollandgroep tot betaling van € 14.917,56, vermeerderd met rente en kosten. Hij legt hieraan ten grondslag dat Hollandgroep de bemiddelingsovereenkomst die partijen hebben gesloten niet is nagekomen. [eiser] heeft uit hoofde van die overeenkomst bemiddelingswerkzaamheden voor Hollandgroep verricht en heeft haar daarvoor facturen gestuurd. Een deel van deze facturen heeft Hollandgroep niet betaald.

3.2. Hollandgroep voert verweer. Zij stelt primair dat aan de onbetaalde facturen geen bemiddelingsovereenkomst ten grondslag ligt. Voor het geval wel een bemiddelingsovereenkomst wordt aangenomen, voert Hollandgroep subsidiair het verweer dat sprake is van bedrog dan wel dwaling en vordert vernietiging van de bemiddelingsovereenkomst. Meer subsidiair beroept Hollandgroep zich op wanprestatie aan de zijde van [eiser].

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Ter comparitie heeft Hollandgroep het verweer gevoerd dat aan de onbetaalde facturen geen bemiddelingsovereenkomst tussen partijen ten grondslag ligt. Ter onderbouwing hiervan heeft zij gesteld dat uit de e-mail die als productie 1 bij de conclusie van antwoord is overgelegd alleen blijkt van een overeenkomst ter zake van twee bouwopruimers over de periode van 11 mei 2009 tot 7 augustus 2009. De facturen die hierop betrekking hebben, zijn door Hollandgroep reeds betaald. [eiser] stelt zich daarentegen op het standpunt dat aan alle overgelegde facturen een bemiddelingsovereenkomst tussen partijen ten grondslag ligt. Dit blijkt volgens hem uit het feit dat Hollandgroep de facturen die zij aan GMB stuurde heeft doorgestuurd aan [eiser]. [eiser] heeft op basis van deze facturen zijn bemiddelingsfee berekend en weer gefactureerd aan Hollandgroep, aldus [eiser]. Voorts blijkt uit de eerder ingenomen standpunten door Hollandgroep ook dat tussen partijen een bemiddelingsovereenkomst tot stand is gekomen ten aanzien van alle facturen, waaronder ook de nog niet betaalde.

4.2. De rechtbank is van oordeel dat Hollandgroep haar verweer, dat ten aanzien van de onbetaalde facturen geen sprake zou zijn van een bemiddelingsovereenkomst, onvoldoende heeft onderbouwd. Aanvankelijk heeft Hollandgroep ter comparitie erkend dat sprake is van een bemiddelingsovereenkomst. Later voerde zij het verweer dat dit niet geldt voor de onbetaalde facturen. Indien zou worden aangenomen dat partijen ten aanzien van de nog onbetaalde facturen geen bemiddelingsovereenkomst hebben gesloten, valt niet te verklaren dat Hollandgroep de facturen aan GMB aan [eiser] heeft doorgestuurd en dat [eiser] vervolgens op basis hiervan zijn facturen aan Hollandgroep heeft opgesteld en opgestuurd. Hollandgroep heeft deze facturen zonder protest behouden. Het beroep van Hollandgroep op de mail die zij bij conclusie van antwoord heeft overgelegd, doet niet ter zake. [eiser] heeft immers gesteld dat sprake was van een mondelinge overeenkomst, wat door Hollandgroep niet is betwist. Partijen kunnen mondeling meer overeen zijn gekomen dan de afspraken die zij schriftelijk hebben vastgelegd. De conclusie is dan ook dat het verweer van Hollandgroep wordt verworpen. Daarmee is komen vast te staan dat aan de onbetaalde facturen een bemiddelingsovereenkomst tussen partijen ten grondslag ligt.

4.3. Subsidiair doet Hollandgroep een beroep op bedrog dan wel dwaling. Aan dit beroep legt Hollandgroep ten grondslag dat [eiser] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst onjuiste mededelingen aan haar heeft gedaan. Namelijk dat GMB [eiser] had benaderd om te bemiddelen en dat GMB bereid was om naast de uurvergoeding aan Hollandgroep een bemiddelingsfee van € 2,50 per uur aan [eiser] te betalen. [eiser] heeft Hollandgroep derhalve bewust onjuist geïnformeerd (bedrog), althans Hollandgroep is bij het sluiten van de overeenkomst van een onjuiste voorstelling van zaken uitgegaan op grond van deze mededelingen (dwaling). [eiser] heeft betwist dat sprake is van bedrog dan wel dwaling. Hij stelt dat hij niet gezegd heeft dat hij voor GMB bemiddelde. De mededeling dat GMB bereid zou zijn de bemiddelingsfee aan Hollandgroep te betalen, heeft hij eveneens niet gedaan en is volgens hem ook niet relevant. De bemiddelingsfee staat volgens [eiser] namelijk los van het uurtarief dat Hollandgroep met GMB heeft afgesproken. Het staat Hollandgroep vrij om de hoogte van het uurtarief met GMB af te spreken. Dat GMB, toen zij hoorde dat er een bemiddelingsfee werd berekend, het volledige uurtarief niet meer wilde betalen, maakt dan ook niet uit, aldus [eiser].

4.4. De argumenten die Hollandgroep ter onderbouwing van dit verweer heeft aangevoerd, hebben voornamelijk betrekking op de relatie tussen Hollandgroep en GMB. Hollandgroep heeft een overeenkomst gesloten met de heer [betrokkene] van GMB. Later is volgens Hollandgroep gebleken dat de heer [betrokkene] niet bevoegd was om GMB te vertegenwoordigen. Niemand anders bij GMB zou op de hoogte zijn van de afspraken tussen Hollandgroep en [betrokkene] en dan met name de afspraak over het betalen van de bemiddelingsfee voor [eiser], aldus Hollandgroep. Op de vraag van de rechtbank wat [eiser] dan verkeerd zou hebben gedaan, heeft Hollandgroep geen antwoord kunnen geven. Zij heeft alleen gesteld dat [eiser] en de heer [betrokkene] van GMB onder één hoedje hebben gespeeld. [eiser] zou namelijk op de hoogte zijn geweest van de onbevoegdheid van [betrokkene]. Enige onderbouwing van deze stelling heeft Hollandgroep niet kunnen geven. Zij heeft opgemerkt dat zij niet weet wat in het bedrijfsrechercherapport van Hoffmann staat, omdat zij dit rapport niet heeft. Hollandgroep heeft wel aangeboden medewerkers van GMB hierover te horen. Echter, aan bewijslevering gaat de stelplicht vooraf. Nu het om een bevrijdend verweer gaat, liggen de stelplicht en bewijslast bij Hollandgroep. [eiser] heeft betwist dat hij op de hoogte was van de onbevoegdheid van [betrokkene] en ook dat hij afspraken met hem zou hebben gemaakt. Hij heeft verder nog aangevoerd dat Hollandgroep een overeenkomst heeft gesloten met [betrokkene] en dat deze ook werd uitgevoerd. [eiser] kon dan ook niet weten dat er iets niet in orde was. Gezien deze betwisting had het op de weg van Hollandgroep gelegen met meer feiten te komen waaruit zou blijken dat [eiser] bewust onjuiste mededelingen aan haar heeft gedaan. Nu Hollandgroep dit niet heeft gedaan, heeft zij niet voldaan op de op haar rustende stelplicht en wordt het verweer verworpen.

4.5. Tot slot doet Hollandgroep een beroep op wanprestatie. Daartoe voert zij aan dat [eiser] zijn bemiddelingswerkzaamheden niet naar behoren heeft uitgevoerd door niet te zorgen dat sprake is van wilsovereenstemming tussen partijen Hollandgroep en GMB. Ter comparitie heeft Hollandgroep hieraan toegevoegd dat [eiser] twee heren heeft gediend. Hij heeft naast dat hij in opdracht voor Hollandgroep heeft gehandeld, ook in opdracht van GMB gehandeld door voor haar op zoek te gaan naar de goedkoopste uitzendkrachten. Dat hij hier niet voor betaald heeft gekregen, is volgens Hollandgroep niet relevant. [eiser] heeft betwist dat hij tevens in opdracht van GMB heeft gehandeld. Hij heeft gesteld dat hij GMB en Hollandgroep met elkaar in contact heeft gebracht en dat hij alleen met Hollandgroep een bemiddelingsovereenkomst heeft gesloten. Nu bovendien door Hollandgroep is gesteld dat GMB bereid is de facturen, weliswaar exclusief de bemiddelingsfee, aan Hollandgroep te betalen, is de overeenkomst waarvoor is bemiddeld rond, zodat [eiser] de overeenkomst correct is nagekomen en recht heeft op de bemiddelingsfee.

4.6. Om te beoordelen of sprake is van wanprestatie door het dienen van twee heren in strijd met de wet, moet eerst worden vastgesteld of [eiser] ook in opdracht van GMB heeft gehandeld. Daarvan is de rechtbank echter niets gebleken. [eiser] heeft in opdracht van Hollandgroep bemiddeld tussen Hollandgroep en GMB. Dat hij in het kader daarvan contact heeft gehad met de heer [betrokkene] van GMB is onderdeel van deze bemiddeling. Dit houdt niet in dat [eiser] ook in opdracht van GMB heeft gehandeld. Voor die stelling heeft Hollandgroep gezien de betwisting door [eiser] onvoldoende aangevoerd, mede in het licht van de door [eiser] overgelegde verklaring van [betrokkene]. Aan het bewijsaanbod wordt daarom voorbij gegaan. Overigens is het bewijsaanbod van de stelling dat [eiser] zich ten onrechte heeft gepresenteerd als handelend op verzoek van GMB met de opdracht om te zoeken naar arbeidskrachten, niet ter zake dienend. Indien dit namelijk zou komen vast te staan, staat nog steeds niet vast dat [eiser] daadwerkelijk in opdracht van GMB heeft gehandeld, maar alleen dat hij dit gezegd zou hebben. Bovendien had Hollandgroep er kennelijk op dat moment geen bezwaar tegen dat zij met [eiser] een bemiddelingsovereenkomst sloot, hoewel zij kennelijk dacht dat [eiser] (ook) voor GMB optrad. Voorts geldt dat een enkel verzoek van [betrokkene] om op zoek te gaan naar arbeidskrachten nog geen overeenkomst van opdracht oplevert. Hollandgroep en GMB hebben bovendien, nadat [eiser] hen met elkaar in contact had gebracht, zelf een overeenkomst met elkaar gesloten. Zij zijn derhalve samen tot wilsovereenstemming gekomen, buiten [eiser] om. Dat er bij het sluiten van die overeenkomst wellicht sprake is geweest van onbevoegde vertegenwoordiging door [betrokkene], komt dan ook niet voor rekening van [eiser], temeer nu niet is gebleken dat hij dit wist. De conclusie is dat ook het beroep op wanprestatie door Hollandgroep wordt verworpen.

4.7. Alle verweren van Hollandgroep tegen de vordering van [eiser] zijn hiervoor verworpen. Tegen de hoogte van de vordering is door Hollandgroep geen verweer gevoerd. De facturen die aan de vordering ten grondslag liggen, zijn door [eiser] bij de dagvaarding overgelegd. De vordering zal wat betreft de hoofdsom dan ook in zijn geheel worden toegewezen.

4.8. [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten tot een bedrag van € 904,00. [eiser] heeft daartoe gesteld dat werkzaamheden zijn verricht die niet kunnen worden beschouwd als werkzaamheden ter voorbereiding van de gerechtelijke procedure en dat hiervoor werkelijk kosten zijn gemaakt. Door Hollandgroep is hiertegen geen verweer gevoerd. De vordering zal daarom worden toegewezen.

4.9. [eiser] vordert voorts de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW over de hoofdsom. Tot en met 28 december 2010 bedraagt de rente € 942,56. [eiser] heeft ter onderbouwing hiervan een renteberekening in het geding gebracht. Hollandgroep heeft hiertegen geen verweer gevoerd. Ook dit deel van de vordering zal daarom worden toegewezen.

4.10. In totaal zal gezien het bovenstaande een bedrag van € 16.764,12 (€ 14.917,56 (hoofdsom) + € 942,56 (rente tot 28 december 2010) + € 904 (buitengerechtelijke kosten)) worden toegewezen, met de wettelijke handelsrente over het bedrag van € 14.917,56 vanaf 29 december 2010.

4.11. Hollandgroep zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 99,73

- griffierecht 588,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.591,73

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt Hollandgroep om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 16.764,12 (zestienduizendzevenhonderdvierenzestig euro en twaalf cent), vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW over het bedrag van € 14.917,56 met ingang van 29 december 2010 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt Hollandgroep in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.591,73,

5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.M. Smit en in het openbaar uitgesproken op 30 november 2011.

Coll.: SK