Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BU7557

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-12-2011
Datum publicatie
12-12-2011
Zaaknummer
05/800045-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer veroordeelt een voormalig Marechaussee der 1e klasse tot een werkstraf van 60 uur. De voormalige militair heeft onvoorzichtige en onachtzame gehandeld met een wapen, waardoor een toenmalige collega gewond is geraakt.

De militaire kamer rekent hem aan dat hij op een dergelijke manier heeft gehandeld. Mede gelet op zijn opleiding en zijn toenmalige functie bij de “High Risk Beveiliging” op Schiphol mocht van hem een meer accurate handelwijze worden verwacht.

De militaire kamer heeft bij de strafoplegging in het voordeel laten meewegen dat hij geen strafrechtelijk verleden heeft. Bovendien is verdachte reeds door het Ministerie van Defensie, vanwege het bewezenverklaarde feit, ontslagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

MILITAIRE KAMER

Promis II

Parketnummer : 05/800045-11

Datum zitting : 28 november 2011

Datum uitspraak : 12 december 2011

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats],

rang : Marechaussee 1e klasse,

rangnr. : [nummer]

ingedeeld bij : Kmar Schiphol te Schiphol.

Raadsman : mr. H.M. Hueting, advocaat te Rotterdam.

Officier van justitie : mr. S.Z. Wiarda.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een toegelaten vordering wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 16 november 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, aan

een persoon genaamd M. [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel

(langdurige ziekte of verhindering in de uitoefening van zijn ambts- of

beroepsuitoefening), heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een

pistoolmitrailleur Heckler en Koch MP5 ACT3 in/door het (rechter)bovenbeen te

schieten;

subsidiair

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 16 november 2010 te of nabij Schiphol, gemeente

Haarlemmermeer,, in elk geval in Nederland, opzettelijk mishandelend M.

[slachtoffer], met een pistoolmitrailleur, Heckler en Koch, MP5, ACT 3, door het

(rechter)bovenbeen heeft geschoten waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft

bekomen en/of pijn heeft ondervonden, hebbende verdachte als militair voormeld

misdrijf gepleegd tegen genoemd persoon, terwijl die toen militair was,

althans terwijl die bij of ten behoeve van de krijgsmacht werkzaam was;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 16 november 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,

grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig

- een geladen pistoolmitrailleur, Heckler en Koch, MP5, ACT 3,

heeft vastgehouden

- en/of de loop van dat wapen niet in een veilige richting heeft gehouden

en/of de vuurregelaar van dit wapen van de stand "S" (de veiligstand) op stand

"E" (Enkelschot-stand) heeft gezet

- en/of zich onvoldoende heeft overtuigd van de toestand waarin zijn wapen

verkeerde

- en/of waarna hij de trekker heeft overgehaald, althans de trekker heeft

beroerd en/of aangeraakt,

- waarbij/waardoor een schot is afgegaan

- en/of een patroon uit dat wapen door/in het (rechter)bovenbeen van de zich

in de directe omgeving van hem, verdachte, bevindende M. [slachtoffer] is

terechtgekomen/gegaan

- waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat genoemde [slachtoffer]

zodanig lichamelijk letsel heeft bekomen dat daaruit langdurige/tijdelijke

ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden

van deze [slachtoffer] is ontstaan.

2a. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 28 november 2011 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. H.M. Hueting, advocaat te Rotterdam.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair en subsidiair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en ter zake het van het meer subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2b. Ontvankelijkheid openbaar ministerie

Het standpunt van de raadsman

Door de raadsman is aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, aangezien verdachte in zijn belangen is geschaad nu het openbaar ministerie heeft nagelaten andere mogelijkheden te onderzoeken waardoor een schot is afgegaan en de Koninklijke Marechaussee de verdediging heeft niet heeft toegestaan zelf onderzoek te verrichten. Daarnaast heeft de vervolgingsbeslissing onnodig lang op zich laten wachten.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie geeft aan dat dossier in januari 2011 is afgesloten en dat het medio juni 2011 is beoordeeld, op basis waarvan de vervolgingsbeslissing is genomen. Een dergelijke termijn is niet zodanig lang dat de belangen van verdachte hierdoor in ernstige mate zijn geschonden. Daarnaast heeft de officier geen nadere correspondentie gezien waarin de raadsman heeft verzocht om een nader onderzoek. De officier van justitie acht het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

De beoordeling door de militaire kamer

Het door de raadsman ingediende verzoek om zelf onderzoek te verrichten, heeft hij pas op

22 november 2011 aan het openbaar ministerie gestuurd en de officier van justitie heeft ter zitting aangegeven dat zij dit verzoek nog niet heeft ontvangen. Hieruit volgt dat er geen sprake kan zijn van een ernstig verzuim aan de zijde van het openbaar ministerie op dit punt.

Daarnaast is de militaire kamer van oordeel dat de vervolgingsbeslissing niet onnodig lang op zich heeft laten wachten. Verder heeft de raadsman onvoldoende gemotiveerd op welke wijze het openbaar ministerie in gebreke is gebleven met het onderzoek naar andere mogelijkheden waardoor het schot zou kunnen zijn afgegaan.

Gelet op het voorgaande is de militaire kamer van oordeel dat er geen sprake is van zodanige ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak is tekort gedaan dat dat tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging moet leiden. De militaire kamer verwerpt dan ook dit verweer.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde

Met de verdediging en het openbaar ministerie is de militaire kamer van mening dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte opzet - al dan niet in voorwaardelijke zin - heeft gehad op het toebrengen van (zwaar) lichamelijk letsel bij M. [slachtoffer].

De militaire kamer zal verdachte dan ook vrijspreken van het primair en subsidiair tenlastegelegde.

Ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde

Vaststaande feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte heeft op 16 november 2010 rond 10.00 uur zijn wapens, een pistoolmitrailleur Heckler en Koch MP 5 (hierna: HK MP 5) in de laad/ontlaadruimte van de locatie Elzenhof van de Koninklijke Marechaussee op Schiphol, gepakt en deze doorgeladen. Verdachte is vervolgens met deze doorgeladen wapens naar het halletje van voornoemde locatie gegaan. Verdachte is naast M. [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) op een tafel gaan zitten, waarbij hij de HK MP 5 voor zich had hangen aan zijn draagriem. De linkerzijde van deze HK MP 5 was naar beneden gericht, in de richting van [slachtoffer].

Er is een schot gelost met deze HK MP 5.

De patroon heeft het bovenbeen van [slachtoffer] geraakt als gevolg waarvan bij hem verhindering in de uitoefening van zijn ambts- of beroepsbezigheden is ontstaan. [slachtoffer] is behandeld in het ziekenhuis.

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is integrale vrijspraak bepleit. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat uit de verklaring van het slachoffer volgt dat hij niet daadwerkelijk heeft gezien dat verdachte de stand van de MP 5 van “S” naar “E” veranderde. Het slachtoffer heeft, aldus de verdediging, slechts verklaard dat hij het wel gezien moet hebben, omdat het niet anders kan. Het slachtoffer kan zich echter niet herinneren met welke hand of vinger de veiligheidspal eraf zou zijn gehaald en hij kan zich ook niet herinneren met welke hand of vinger de trekker is overgehaald. Daarmee zou het slachtoffer conclusies hebben getrokken over dingen die hij niet echt heeft gezien. Daarbij komt dat verdachte ontkent dat hij aan de vuurregelaar en de trekker heeft gezeten. Nu er geen andere personen in de kamer aanwezig waren is er sprake van de verklaring van één getuige tegenover de verklaring van een ontkennende verdachte. Reeds om die reden dient verdachte ook te worden vrijgesproken van het meer subsidiair tenlastegelegde.

Daarnaast is door de verdediging aangevoerd dat het Ministerie van Defensie gebruik maakt van zogenaamde surplus munitie voor de HK MP 5 en de Glock. Het zou een feit van algemene bekendheid zijn dat deze munitie van mindere kwaliteit is. Hierdoor kan er sprake zijn geweest van een “blindganger” in het wapen van verdachte. Deze “blindganger" zou door de schoksgewijze beweging van verdachte, toen deze naar [slachtoffer] toeschoof, tot ontbranding kunnen zijn gekomen. Daardoor zou er sprake zijn van een vervelend ongeluk. Verdachte heeft geen schuld aan dit ongeval.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het meer subsidiair tenlastegelegde. De officier van justitie heeft aangevoerd dat het het verhaal over de surplus munitie niet houdbaar is, nu de deskundige J.J. Peperkamp ter zitting heeft verklaard dat het Ministerie van Defensie dit soort munitie niet gebruikt. De eventuele mogelijkheid van de “blindganger” is hiermee uitgesloten.

De beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Het verweer dat slachtoffer slechts conclusies trekt

De militaire kamer verwerpt het verweer dat het slachtoffer [slachtoffer] conclusies zou hebben getrokken over dingen die hij niet echt zou hebben gezien. De militaire kamer is van oordeel dat het onderhavige dossier geen enkele ondersteuning biedt voor deze veronderstelling van de raadsman. [slachtoffer] heeft immers verklaard dat hij zag dat “hij (verdachte) de vuurregelaar met zijn hand bediende en de “safe-stand” eraf haalde”. [slachtoffer] zag “aan het streepje op de vuurregelaar van het wapen dat hij (verdachte) de Safe stand eraf haalde en hem op de E stand zette”. Vervolgens zag [slachtoffer] dat “hij (verdachte) de trekker van de MP 5 overhaalde.”

Daarbij komt dat getuige [getuige] heeft verklaard dat zij, nadat zij een knal had gehoord en [slachtoffer] hoorde schreeuwen, terug is gelopen en [slachtoffer] op de grond zag liggen. Zij hoorde [slachtoffer] toen zeggen:”[verdachte] heeft zijn wapen van “safe” afgehaald en de trekker overgehaald.” .

Voorts is van belang dat [slachtoffer] zijn verklaring de dag na het schietincident heeft afgelegd.

Het enkele feit dat [slachtoffer] heeft verklaard dat hij niet meer precies weet welke hand verdachte heeft gebruikt bij de bediening van de veiligheidspal en dat hij ook niet weet met welke vinger verdachte de trekker heeft overgehaald, betekent niet dat [slachtoffer] de andere, hiervoor genoemde waarnemingen niet kan hebben gedaan.

De militaire kamer heeft geen reden om aan de verklaring van [slachtoffer] over zijn waarnemingen te twijfelen en betrekt deze bij de bewijslevering.

Verweer surplus munitie

De militaire kamer verwerpt het verweer van de raadsman dat het Ministerie van Defensie gebruik maakt van zogenaamde surplus munitie voor de HK MP 5 en de Glock, waardoor mogelijkerwijs een “blindganger” in het wapen van verdachte zat. Tijdens de terechtzitting is door de (wapen)deskundige J.J. Peperkamp aangegeven dat door het Ministerie van Defensie geen zogenaamde surplus munitie wordt gebruikt. Daarbij sluit de deskundige ook nog uit dat door een schoksgewijze beweging of temperatuurverschil een “blindganger” tot zelfontbranding kan komen.

De militaire kamer sluit op basis van deze conclusies uit dat een dergelijke blindganger in het wapen van verdachte zat dan wel dat deze blindganger door een schoksgewijze beweging of temperatuurverschil tot zelfontbranding is gekomen, waardoor een patroon is afgevuurd.

Gelet hierop is er geen andere verklaring aannemelijk geworden waardoor de HK MP5 van verdachte is afgegaan dan dat dit wapen van de veiligheidstand is afgehaald en de trekker is overgehaald. Daarmee bevestigt het feit dat er een schot is gelost met de HK MP5 van verdachte de verklaring van [slachtoffer] dat hij zag dat verdachte zijn wapen van de safe-stand afhaalde en de trekker overhaalde.

Verder neemt de militaire kamer bij de beoordeling de verklaring van verdachte mee dat “het door zijn drukke gedrag en zijn afleiding door de conversatie met [slachtoffer] zou kunnen dat hij de beweging van de trekker met zijn vinger heeft gemaakt en hem naar achteren heeft getrokken”.

De militaire acht op grond van het vorenstaande bewezen dat verdachte zijn wapen van de safe stand heeft afgehaald en de trekker heeft overgehaald.

Daarnaast acht de militaire kamer bewezen dat verdachte zich onvoldoende heeft overtuigd van de toestand waarin zijn wapen verkeerde. Verdachte verklaard dat hij de ochtend van 16 november 2010 druk was in zijn doen en laten. Rond 10.00 uur die ochtend was hij druk in gesprek met [slachtoffer] en verdachte heeft zich toen niet geconcentreerd op zijn wapen. Verdachte heeft meerdere keren tijdens het verhoor op 18 november 2010 verklaard dat hij niet bewust heeft gecontroleerd of het wapen op de stand “S” stond. Verdachte stelt dat dit een automatisme is. Ook ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij niet aan het controleren was of de vuurregelaar op de stand “S” stond.

Schuld

Een militair, zoals verdachte destijds, dient zich te allen tijde bewust te zijn van het wapen dat hij in zijn bezit heeft en de risico’s die daarmee gepaard gaan. Dit geldt des te meer indien, zoals in de onderhavige situatie, het wapen doorgeladen is.

Bij verdachte was hier geen of in ieder geval in onvoldoende mate sprake van.

Zo heeft verdachte niet bewust gecontroleerd dat het wapen op “S” stond.

Verdachte heeft het wapen niet in veilige richting gehouden, doordat hij de loop in de richting van (het been van) [slachtoffer] heeft gehouden en hij nabij die [slachtoffer] is gaan zitten. Daarnaast heeft verdachte de stand van de HK MP 5 van “S” naar “E” veranderd en heeft hij de trekker overgehaald. De rechtbank gaat er niet van uit dat dit laatste opzettelijk is gebeurd maar deze handelingen betekenen wel dat er sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en onachtzaamheid bij het hanteren van de HK MP5 door verdachte.

Hierdoor is het aan verdachtes schuld te wijten is dat [slachtoffer] gewond is geraakt en verhinderd werd zijn ambts- en beroepsbezigheden uit te oefenen. Mede gelet op zijn opleiding, zijn toenmalige functie bij de “High Risk Beveiliging” op Schiphol mocht van hem een hoge mate van bewustzijn worden vereist.

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het meer subsidiair ten laste heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 16 november 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam

- een geladen pistoolmitrailleur, Heckler en Koch, MP5, ACT 3, heeft vastgehouden

- en de loop van dat wapen niet in een veilige richting heeft gehouden en de vuurregelaar van dit wapen van de stand "S" (de veiligstand) op stand "E" (Enkelschot-stand) heeft gezet

- en zich onvoldoende heeft overtuigd van de toestand waarin zijn wapen verkeerde

- en waarna hij de trekker heeft overgehaald,

- waardoor een schot is afgegaan

- en een patroon uit dat wapen door het (rechter)bovenbeen van de zich in de directe omgeving van hem, verdachte, bevindende M. [slachtoffer] is gegaan

- waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat genoemde [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel heeft bekomen dat daaruit langdurige verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze [slachtoffer] is ontstaan.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Ten aanzien van het meer subsidiaire feit:

Het aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zodanig letsel bekomt dat daaruit verhindering in de uitoefening van zijn ambts- en beroepsbezigheden ontstaat.

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de militaire kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

de persoon en de persoonlijke en financiële omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 6 september 2011.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis. De officier van justitie neemt het verdachte bijzonder kwalijk dat hij het wapen niet in een veilige richting heeft gehouden. Daarbij komt dat het een ernstig feit is, waarbij het slachtoffer er relatief gunstig van af is gekomen en er “slechts” sprake is van een verwonding als gevolg waarvan het slachtoffer een aantal maanden niet heeft kunnen werken.

Bij de bepaling van de strafmaat heeft de officier van justitie rekening gehouden met het feit dat verdachte in het geheel geen strafrechtelijke documentatie heeft, dat hij ontslagen is bij het Ministerie van Defensie en zichtbaar last heeft van de gevolgen van het incident.

Het standpunt verdediging

De raadsman vraagt aandacht voor de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij is immers ontslagen en heeft geestelijke ondersteuning nodig. Daarnaast heeft de vervolgingsbeslissing onnodig lang op zich laten wachten, hetgeen een onevenredige invloed op de geestelijke gesteldheid van verdachte heeft gehad. Tenslotte wil verdachte graag in de beveiligingsbranche verder. Bij een veroordeling voor dit feit is dit nagenoeg uitgesloten.

De verdediging is dan ook van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken, danwel dat artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toegepast moet worden.

De beoordeling door de militaire kamer.

Het is aan verdachtes schuld te wijten dat het slachtoffer letsel heeft bekomen. Verdachte

is met doorgeladen wapens naast het slachtoffer op een tafel gaan zitten, waarbij hij een HK MP 5 voor zich had hangen aan zijn draagriem. De linkerzijde van dit wapen was daarbij naar beneden gericht, in de richting van het (het been van het) slachtoffer. Verdachte heeft zich daarbij niet voldoende geconcentreerd op zijn doorgeladen HK MP5 en een schot gelost met dit wapen. De patroon heeft het bovenbeen van het slachtoffer geraakt ten gevolge waarvan het slachtoffer lichamelijk letsel heeft opgelopen, waardoor hij geruime tijd niet heeft kunnen werken.

Door de onvoorzichtige en onachtzame handelwijze van verdachte is iemand gewond geraakt. De militaire kamer rekent het verdachte aan dat hij op een dergelijke manier heeft gehandeld en het is dan ook niet aan verdachtes handelen te danken geweest dat de gevolgen niet ernstiger zijn geweest. Mede gelet op de opleiding van verdachte en zijn toenmalige functie bij de “High Risk Beveiliging” op Schiphol mocht van hem een meer accurate handelwijze worden verwacht.

Het is een ernstig feit met ernstige gevolgen. Verdachte ontkent niet dat het een en ander is voorgevallen, maar legt de schuld buiten zichzelf.

Gelet op het vorenstaande is de militaire kamer van oordeel dat een straf zoals door de officier van justitie is geëist in beginsel passend en geboden is.

Echter, de militaire kamer laat in het voordeel van verdachte meewegen dat hij geen strafrechtelijk verleden heeft en oprechte spijt heeft betuigd voor zijn handelen. Bovendien is verdachte reeds door het Ministerie van Defensie, vanwege de bewezenverklaarde feiten, ontslagen.

Gelet op de ernst van het feit komt artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet in aanmerking.

De militaire kamer komt op grond van het voorgaande tot de oplegging van een werkstraf van 60 uur, te vervangen door 30 dagen hechtenis.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 308 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

het verrichten van een werkstraf gedurende 60 (zestig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen 1 (één) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 30 (dertig) dagen.

Aldus gewezen door:

mr. A.G. Broek-de Stigter, als voorzitter

mr. T.P.E.E. van Groeningen, rechter

kapitein ter zee van administratie mr. F.N.J. Jansen, militair lid,

in tegenwoordigheid van mr. G. Croes, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 december 2011.