Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BU7416

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
09-12-2011
Zaaknummer
164598
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op: LJN BH 2979, BK 4133 en BP 3112.

Naar aanleiding van het deskundigenbericht wijst de rechtbank in reconventie het door de deskundige berekende bedrag van de benodigde balanscorrectie toe. Op een ander onderdeel wordt een eisvermeerdering afgewezen. Eindvonnis in conventie en in reconventie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 164598 / HA ZA 07-2042

Vonnis van 23 november 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PINLINQ B.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J. Blaak te Hilversum,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CCV INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Arnhem,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J. Kalisvaart te Arnhem,

Partijen zullen hierna Pinlinq en CCV genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 19 januari 2011

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het deskundigenbericht

- de akte na mondelinge behandeling met producties van CCV

- de antwoordakte na mondelinge behandeling van Pinlinq.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie

2.1. De rechtbank blijft bij hetgeen zij heeft overwogen in het tussenvonnis van 19 januari 2011.

in conventie

2.2. In conventie zal iedere beslissing worden aangehouden tot op de vordering in reconventie is beslist. Verwezen wordt naar de overwegingen 4.2. – 4.4. van het tussenvonnis van 4 februari 2009.

in reconventie

2.3. De vordering in reconventie kent vier onderdelen. De rechtbank geeft hierna haar oordeel per onderdeel van de vordering.

Vorderingen (1) en (2)

2.4. Met betrekking tot deze onderdelen van de reconventionele vordering heeft CCV een eigen berekening, als weergegeven op pagina 4 van commentaar van CCV op het concept van het deskundigenrapport en herhaald in de akte 29 september 2010 en de laatstgenomen akte, tegenover die van de deskundige gesteld, als weergegeven op pagina 15 van het deskundigenrapport. CCV stelt dat de correctie op de overnamebalans van EFT veel hoger dient te zijn dan de deskundige heeft berekend (€ 355.546,00 in plaats van € 169.459,00).

2.5. Het verschil in de beide berekeningen zit erin dat de deskundige met betrekking tot de HFT201-apparaten de balans heeft gecorrigeerd wat betreft zowel de omzet als de kosten. CCV past die methode niet toe. Daaraan ligt ten grondslag dat CCV stelt dat de HFT201-apparaten aan klanten werden verhuurd in afwachting van het gereed komen en vervolgens verkopen van de P2100-apparaten. De deskundige stelt echter dat sprake was van één verkoop van de P2100-apparaten, waarvan onderdeel uitmaakte het ter beschikking stellen (aangeduid als verhuur) aan klanten van de HFT201-apparaten om de periode tot het gereed komen van de P2100-apparaten te overbruggen.

2.6. De deskundige heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het deskundigenrapport zijn standpunt in deze verduidelijkt. De deskundige heeft bij die gelegenheid op dit punt verklaard:

Het was bekend dat het geleverde HFT201-apparaat niet voldeed. Met de levering van dat apparaat was nog niet volledig voldaan aan de verplichting. Het was één transactie, maar de levering bestond in feite uit twee handelingen. Daarom volstaat het in de balans niet om de omzet van de P2100 eruit te halen, onder verrekening van de genoemde huuropbrengsten en de restwaarde. Kosten en omzet moeten aan de juiste periode worden toegerekend. Tot 31 maart 2007 (de datum van de levering) was er mijns inziens geen resultaat op deze transactie. CCV ziet dat anders.

Als je corrigeert voor de omzet, moet je ook corrigeren voor de kosten.

2.7. CCV is het niet met deze door de deskundige gegeven verklaring eens en wijst nogmaals op de door haar in het geding gebrachte verklaringen ter onderbouwing van haar standpunt dat de HFT201-apparaten zijn verhuurd aan klanten. In haar visie kan daarom bij de berekening niet van één transactie worden uitgegaan zoals de deskundige doet.

2.8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de deskundige met voornoemde verklaring zijn methode van berekening en de uitkomst van die berekening voldoende toegelicht. De daartegen door CCV opgeworpen argumenten zijn onvoldoende om hiervan af te wijken. Daarbij is mede van belang dat CCV erkent dat geen huurovereenkomsten met betrekking tot HFT201 apparaten voorhanden zijn. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de overgelegde verklaringen ook inhoudelijk onvoldoende specifiek om anders te oordelen, nu daarin evenmin voldoende concrete aanwijzingen voor het bestaan van een huurverhouding met klanten kunnen worden gevonden.

2.9. CCV stelt dat de deskundige zelf wel spreekt van huur, hetgeen volgens CCV niet te rijmen is met voornoemd standpunt van de deskundige. De rechtbank passeert die stelling, nu de deskundige ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het deskundigenbericht heeft uitgelegd dat hij het begrip huur heeft gebruikt in navolging van de omschrijving die daaraan in de processtukken, met name door CCV, is gegeven. De deskundige merkt de door een aantal klanten betaalde vergoeding voor het gebruik van de HFT201-apparaten zelf echter niet aan als huur. Naar het oordeel van de rechtbank is het oordeel van deskundige op dat punt consequent en voldoende toegelicht.

2.10. Tenslotte is CCV ingegaan op de door de deskundige bij de berekening betrokken subsidie. De deskundige heeft daarover gesteld:

Ten aanzien van de opgenomen subsidie. De vraagstelling van de rechtbank bood de ruimte daarop in te gaan. Het hing nauw samen met de leveringstransactie. Daarom is het meegenomen. Het is subsidie op de ontwikkeling van de P2100. Maar het kon wel als vordering op de balans worden meegenomen omdat de subsidie betrekking had op reeds gemaakte loonkosten. Het bedrag is ontvangen door CCV, de loonkosten zijn gemaakt door Pinlinq.

2.11. De rechtbank is van oordeel dat de vraagstelling aan de deskundige, gelet op de in de vraagstelling aan de deskundige opgenomen ‘restvraag’ naar overige voor zijn oordeel van belang zijnde feiten en omstandigheden, de ruimte bood zijn oordeel te geven over de balanscorrectie als gevolg van de subsidie. De rechtbank constateert dat de berekening van de deskundige als zodanig op dit punt door geen van partijen is betwist. De berekening van de deskundige wordt derhalve ook op dit punt gevolgd.

2.12. Slotsom op dit onderdeel is dat van een balanscorrectie van € 169.459,00 dient te worden uitgegaan. Op grond van artikel 10.2 van de overeenkomst van 22 mei 2007 (hierna: ‘de overeenkomst’) dient dit bedrag als schade van CCV te worden aangemerkt. De aansprakelijkheid van Pinlinq voor deze schade is op grond van artikel 10.10 van de overeenkomst beperkt tot een bedrag van € 150.000,00. Dat bedrag ligt dus voor toewijzing gereed.

2.13. Terzake van het meerdere dient, gelet op r.o. 4.10 van het vonnis van 4 februari 2009, in het kader van de in artikel 10.11 van de overeenkomst neergelegde mogelijkheid van opheffing van genoemde aansprakelijkheidsbeperking aangenomen te worden dat sprake is van opzet en/of grove schuld aan de zijde van Pinlinq en/of dat Pinlinq wist van de benodigde balanscorrectie.

2.14. De rechtbank merkt vooreerst op dat beoordeeld wordt of sprake is van daadwerkelijke wetenschap bij Pinlinq. CCV heeft in de stukken ook gesteld dat Pinlinq een en ander had behoren te weten, doch dat is naar het oordeel van de rechtbank, gezien de formulering van artikel 10.11 van de overeenkomst, onvoldoende om de aansprakelijkheidsbeperking te doorbreken. Voorts gaat de rechtbank niet uit van toerekening van wetenschap van EFT aan Pinlinq. Gelet op de niet voor meerdere uitleg vatbare tekst van artikel 10.11 van de overeenkomst hebben partijen bedoeld dat alleen de kennis bij Pinlinq zelf in deze van belang is.

2.15. De rechtbank is van oordeel dat bedoelde feitelijke wetenschap aan de zijde van Pinlinq zelf als bedoeld in artikel 10.11 van de overeenkomst moet worden aangenomen. Pinlinq voert immers, in het kader van het verweer tegen het beroep op dwaling van CCV, gemotiveerd aan dat CCV op de hoogte was van de omruiltransacties en de mogelijke financiële consequenties daarvan op de overnamebalans. Pinlinq baseert haar verweer onder meer op de rapportage van Schenk (sub 16 tot en met 19 van de akte van 19 november 2008).

2.16. In het licht van die stellingname van Pinlinq kan, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangenomen dat Pinlinq op haar beurt niet wist van de omruiltransacties en de financiële consequenties daarvan. De rechtbank neemt daarom als vaststaand aan dat Pinlinq wetenschap had als bedoeld in artikel 10.11 van de overeenkomst van de omruiltransacties alsmede dat als gevolg daarvan in ieder geval enige correctie op de overnamebalans diende plaats te vinden. Gesteld noch gebleken is dat zij daarvan mededeling heeft gedaan aan CCV.

2.17. Vorenstaand oordeel is voldoende voor doorbreking van de aansprakelijkheidsbeperking uit de overeenkomst. Pinlinq heeft zich sterk verweerd tegen de stelling van CCV dat sprake zou zijn van opzet en/of grove schuld aan de zijde van Pinlinq, doch gelet op de tekst van artikel 10.11 van de overeenkomst (“en/of sprake is van een Inbreuk…”) is die gestelde opzet en/of grove schuld niet, naast de hiervoor aangenomen wetenschap van Pinlinq, vereist om tot doorbreking van de aansprakelijkheidsbeperking te komen. Het beroep van CCV daarop behoeft daarom geen beoordeling.

2.18. Slotsom op dit onderdeel is dat aan CCV wordt toegewezen het door de deskundige berekende bedrag van de benodigde balanscorrectie, te weten € 169.459,00. Dit bedrag wordt vermeerderd met de onbetwiste wettelijke rente vanaf 22 mei 2007, de datum van de tussen CCV en Pinlinq gesloten overeenkomst.

Vordering (3)

2.19. CCV stelt laatstelijk dat de koopprijs van de aandelen van EFT enerzijds was gebaseerd op de gemiddelde winst over de periode 2006 tot en met 2009, te vermenigvuldigen met een factor 6 en anderzijds op het te verwachten toekomstige resultaat van EFT. De eerste factor, de gemiddelde historische winst, moet – volgens CCV – drastisch worden bijgesteld. Op basis van de door CCV tot uitgangspunt genomen balanscorrectie van € 355.546,00, het totaal van de als (1) en (2) genummerde vorderingen, stelt CCV in haar akte van 22 oktober 2008 (sub 16 en 17), onder verwijzing naar productie 6 en 7 bij die akte, dat het saldo van bezittingen en schulden van EFT per 31 maart 2007 niet € 132.098,00 positief zou hebben bedragen, maar € 223.448,00 negatief. In productie 28 bij de akte van 6 juli 2011 heeft CCV de negatieve consequenties daarvan voor de netto-winst na belastingen berekend. CCV stelt dat zij, indien zij van de benodigde correctie op de hoogte was geweest, de aandelen van EFT niet of niet tegen de uiteindelijk overeengekomen prijs zou hebben gekocht en zij (dus) heeft gedwaald. De schade op dit punt stelt CCV op € 199.000,00, althans € 99.000,00 indien van een balanscorrectie van € 176.000,00 zou worden uitgegaan.

2.20. De rechtbank heeft in r.o. 4.18. van het vonnis van 4 februari 2009 reeds overwogen dat de totstandkoming van een koopprijs doorgaans de resultante is van een veelheid van factoren. Het, al dan niet achteraf, precies berekenen van een koopprijs is daarom vrijwel nimmer aan de orde gezien de benodigde onderhandelingen om het gat tussen vraag en aanbod te overbruggen.

2.21. CCV heeft niet gemotiveerd betwist dat, zoals Pinlinq stelt, de toekomstverwachtingen ten aanzien van EFT een belangrijke rol speelden bij de waardebepaling van de aandelen van EFT. Pinlinq heeft in dat kader onweersproken gesteld dat van belang waren de overeenkomst met leverancier Hypercom, het verkooppotentieel van de P2100 op het moment dat die terminal gecertificeerd zou worden en de kansen die de nog uitstaande offertes boden. Voorts is van belang dat partijen in aanvang de hoogte van de variabele koopprijs afhankelijk hebben gesteld van de certificering van de P2100. Ook uit die omstandigheid, afhankelijk van een toekomstige ontwikkeling en daarmee samenhangende te verwachten opbrengsten, volgt dat aan de toekomstverwachtingen door partijen een - kennelijk aanzienlijk - belang werd toegekend. Omdat deze elementen niet, althans niet gemotiveerd, door CCV zijn betwist, neemt de rechtbank die als vaststaand aan.

2.22. Met betrekking tot de door CCV gestelde methode van waardebepaling van de aandelen van EFT op basis van historische gegevens, die door Pinlinq gemotiveerd is betwist, moet thans op grond van het oordeel van de deskundige worden vastgesteld dat de balanscorrectie aanzienlijk geringer is dan die waarvan CCV in haar berekeningen uitgaat. De door de deskundige berekende correctie is immers minder dan de helft van die CCV hanteert. Gezien het hiervoor met betrekking tot de als (1) en (2) genummerde vorderingen overwogene, wordt uitgegaan van een balanscorrectie van € 169.459,00. Daardoor is de correctie op de historische resultaten van EFT eveneens, evenredig, geringer. Consequentie daarvan is dat CCV op grond van de in haar visie gehanteerde methode van waardebepaling van de aandelen van EFT tot een relatief klein negatief resultaat wat betreft het saldo van bezittingen en schulden van EFT per 31 maart 2007 zou zijn uitgekomen en de netto winst na correctie eveneens relatief beperkt afwijkt van die waarvan CCV stelt te zijn uitgegaan bij de bepaling van de koopprijs.

2.23. De historische resultaten van EFT zijn, nog los van vorenstaand oordeel dat ook toekomstverwachtingen een rol speelden, als factor tot bepaling van de koopprijs gezien het deskundigenoordeel van veel minder (negatief) belang dan CCV tot op heden steeds heeft bepleit. CCV komt ook bij het door de deskundige als uitgangspunt genomen bedrag, waarbij CCV de subsidie niet betrekt, tot een schade aan haar zijde (productie 28 bij de akte van 6 juli 2011). De vraag is echter welke waarde daaraan toekomt nu in het kader van dit onderdeel van de vordering niet zozeer het achteraf te berekenen resultaat van belang is, maar de vraag of CCV destijds zou hebben afgezien van een koop van de aandelen (op deze voorwaarden) indien zij van de noodzakelijke balanscorrectie zou hebben geweten.

2.24. De procedure terzake van dit onderdeel van de vordering heeft zich toegespitst op de, uiteindelijk aan de deskundige voorgelegde, vraag of een balanscorrectie noodzakelijk was. Dat is inmiddels als vaststaand aangenomen, doch zoals hiervoor overwogen is de benodigde balanscorrectie veel geringer dan CCV steeds heeft gesteld.

2.25. Het had, in het bijzonder gezien de ontwikkelingen in de procedure (met name het deskundigenbericht), op de weg van CCV gelegen te stellen en te onderbouwen dat de historische resultaten van EFT voor haar destijds (dus uiterlijk ten tijde van het tot stand komen van het addendum) dermate belangrijk waren dat zij, ook bij de thans vastgestelde winst na correctie en mede gelet op het hiervoor vastgestelde ten aanzien van de toekomstverwachtingen, zou hebben afgezien van de koop van de aandelen van EFT althans de koop van die aandelen op de destijds overeengekomen condities indien zij zou hebben geweten van de werkelijke resultaten.

CCV had met andere woorden concreet dienen te stellen op basis van welke uitgangspunten zij in haar visie ten tijde van de koop van de aandelen de door haar betaalde koopprijs heeft bepaald, op welke van die punten zij stelt te hebben gedwaald en waaruit volgt dat die dwaling zich destijds daadwerkelijk heeft voorgedaan en voor Pinlinq kenbaar was. Het is op dit punt echter gebleven bij een steeds gewijzigde en achteraf opgestelde berekening van de schade die niet als onderbouwing of bewijs kan dienen van de verwachtingen van CCV ten tijde van het sluiten van de overeenkomst.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft CCV op dit punt, gelet op het hiervoor overwogene, dan ook onvoldoende gesteld, althans de door haar ingenomen stellingen onvoldoende onderbouwd. Evenmin zijn er voldoende aanknopingspunten voor het opdragen van bewijs op dit punt, nu onvoldoende concrete feiten en omstandigheden zijn gesteld waarvan bewijs kan worden opgedragen.

2.26. Slotsom is dat dit onderdeel van de vordering als onvoldoende onderbouwd zal worden afgewezen.

Vordering (4)

2.27. Op dit onderdeel van de vordering is de rechtbank in r.o. 2.16 van het vonnis van 11 november 2009 tot het oordeel gekomen dat een bedrag van € 40.463,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2008, voor toewijzing gereed ligt.

2.28. Een eisvermeerdering door CCV ten aanzien van dit onderdeel is in r.o. 2.3. en 2.4. van het vonnis van 19 januari 2011 reeds afgewezen. CCV heeft thans opnieuw haar eis vermeerderd met € 75.000,00, althans subsidiair € 39.020,00, doch de eisen van een goede procesorde staan naar het oordeel van de rechtbank opnieuw, in dit stadium van de procedure eens temeer, aan die eisvermeerdering in de weg. Het door de deskundige ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaarde maakt naar het oordeel de rechtbank niet dat sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in r.o. 2.7. van het vonnis van 11 november 2009 zodat de eisvermeerdering alsnog dient te worden toegestaan. Er zijn immers door de deskundige geen aanwijzingen gevonden dat CCV op dit punt nog aanspraak kan maken op een aanvullend bedrag. De deskundige verklaart dat hij niet kan beoordelen waar de aanvullende vordering van CCV op ziet. Dat de vordering een directe relatie heeft met de inruilregeling, is door de deskundige niet vastgesteld. Een dergelijk oordeel van de deskundige kan, anders dan CCV doet, ook niet worden afgeleid uit de opmerking van de deskundige dat hij geen dubbeltelling ten aanzien van dit bedrag heeft geconstateerd.

Slotsom in reconventie

2.29. In totaal zal in reconventie worden toegewezen een bedrag van € 209.922,00, waarvan een bedrag van € 169.459,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2007 en een bedrag van € 40.463,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2008. Niet gevorderd is, uitgaande van de eis zoals geformuleerd in de akte van 25 september 2008, de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

2.30. CCV vorderde in reconventie in totaal een bedrag van € 606.291,92. Gezien het vorenstaande is daarvan ruim een derde deel toegewezen. Pinlinq zal daarom worden veroordeeld de door CCV in reconventie gemaakte kosten te dragen zoals vastgesteld op basis van het toegewezen bedrag. Het overige deel blijft voor eigen rekening van CCV. De kosten aan de zijde van CCV worden op basis van het toegewezen bedrag begroot op:

- betaald griffierecht € 4.732,00

- kosten deskundige € 13.739,55 (inclusief btw)

- salaris advocaat € 8.000,00 (4,0 punt × factor 1,0 × tarief € 2.000,00)

€ 6.000,00 (6,0 punt × factor 0,5 × tarief € 2.000,00)

Totaal € 32.471,55

verder in conventie

2.31. Nu hiervoor een eindoordeel is gegeven over alle onderdelen van de vordering in reconventie, kan ook in conventie worden beslist. Gelet op r.o. 4.2. – 4.4. van het tussenvonnis van 4 februari 2009 zal in conventie een bedrag van € 234.220,92, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 31 augustus 2007 worden toegewezen. Het beroep op verrekening met het toegewezen deel van de vordering in reconventie is in r.o. 2.2 van het tussenvonnis van 11 november 2009 gepasseerd.

2.32. CCV zal worden veroordeeld in de proceskosten in conventie. De kosten aan de zijde van Pinlinq in conventie worden begroot op:

- dagvaarding € 70,85

- betaald griffierecht € 4.732,00

- salaris advocaat € 4.000,00 (2,0 punt × tarief € 2.000,00)

Totaal € 8.802,85

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1. veroordeelt CCV om aan Pinlinq te betalen een bedrag van € 234.220,92, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 31 augustus 2007 tot de dag van algehele voldoening,

3.2. veroordeelt CCV in de proceskosten, aan de zijde van Pinlinq tot op heden begroot op € 8.802,85 in conventie,

3.3. verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

3.4. veroordeelt Pinlinq om aan CCV te betalen een bedrag van € 209.922,00, waarvan een bedrag van € 169.459,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2007 en een bedrag van € 40.463,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2008, beiden tot de dag van algehele voldoening,

3.5. veroordeelt Pinlinq in de proceskosten, aan de zijde van CCV tot op heden begroot op € 32.471,55 aan proceskosten in reconventie,

3.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar, mr. M.J. Blaisse en mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2011.