Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BU7411

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-12-2011
Datum publicatie
13-12-2011
Zaaknummer
AWB 11/477
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BPM. Gebruik van in Luxemburg gehuurde auto in Nederland. Bij aanslag wordt geen rekening gehouden met duur van het gebruik in Nederland. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat geen sprake is van een reële huurovereenkomst. Gelet op het arrest VAV Autovermietung van het Hof van Justtitie (C91-10, 29 september 2010) is dan sprake van strijd met het Europese recht. De rechtbank oordeelt dat het niet uitmaakt dat belanghebbende de auto niet zelf had gehuurd en of sprake was van een privé of van zakelijk gebruik.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/3087
V-N 2012/14.23.1
FutD 2011-3105
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 11/477

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 13 december 2011

inzake

[X], wonende te [Z], eiser,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Roermond, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 27 april 2010 een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen opgelegd ([000]) tot een bedrag van € 14.701 opgelegd. Tevens is bij beschikking € 1.367 aan heffingsrente in rekening gebracht en is bij beschikking een boete van € 7.350 opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 januari 2011 de naheffingsaanslag, de beschikking heffingsrente en de boetebeschikking gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 3 februari 2011, ontvangen door de rechtbank op 4 februari 2011, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2011 te Arnhem. Namens eiser zijn daar verschenen de heer [Y] sr (vader van eiser) en [gemachtigde], gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] en mr. [A]. Eiser heeft op 23 juni 2011 een pleitnota met bijlagen (waaronder een huurovereenkomst) toegezonden aan de rechtbank, welke is toegezonden aan verweerder. Verweerder heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. Het proces-verbaal van deze zitting is aan partijen toegezonden.

De rechtbank heeft op 12 juli 2011 het onderzoek heropend en partijen in de gelegenheid gesteld de rechtbank nader te informeren. Hierbij is verweerder in de gelegenheid gesteld nader onderzoek te doen naar de door eiser bij zijn pleitnota overgelegde huurovereenkomst.

Het tweede onderzoek te zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2011. Namens eiser zijn daar verschenen [gemachtigde], gemachtigde, en [B]. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] en [C]. Eiser heeft voorafgaande aan deze zitting een pleitnota aan de rechtbank en verweerder gezonden. Verweerder heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. Het proces-verbaal van deze zitting is aan deze uitspraak gehecht.

2. Feiten

Uit de gedingstukken en de toelichting van partijen en van eisers vader ter zittingen is het volgende komen vast te staan.

Eiser is woonachtig in Nederland. Hij was in de jaren 2006 tot en met heden in dienstbetrekking werkzaam voor [D] BV te [Q]. Samen met zijn broer [E] voerde hij de directie over het bedrijf. Ook waren zij beiden (direct of indirect) aandeelhouder van deze vennootschap.

Op 31 oktober 2007 is door de Douane geconstateerd dat eiser gebruik maakte van de openbare weg in Nederland met een personenauto van het merk [H], type [002], voorzien van een Luxemburgs kenteken (hierna: de auto). Voor de auto was geen BPM betaald; evenmin was voor gebruik in Nederland een vrijstellingsvergunning verleend. Het kenteken van de auto staat op naam van [F] SA (hierna: [F]), een bedrijf dat volgens dat kentekenbewijs is gevestigd in Luxemburg en is opgericht naar het recht van Luxemburg. Naar aanleiding van het gebruik van de openbare weg heeft de Douane eiser erop gewezen dat gebruik van de openbare weg tot belastingheffing leidt. Eiser is hierbij in de gelegenheid gesteld ter voorkoming van belastingheffing, binnen 14 dagen een vrijstellingsvergunning aan te vragen of de auto binnen twee dagen weer buiten Nederland te brengen. Eiser heeft geen vrijstellingvergunning aangevraagd of verkregen.

Op 14 augustus 2008 en op 16 februari 2009 is door de Douane opnieuw geconstateerd dat eiser met de auto gebruik maakte van de openbare weg in Nederland.

Naar aanleiding van de tweede en derde constatering heeft verweerder aan eiser op grond van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: de wet) een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: de belasting) aan eiser opgelegd tot een bedrag van € 14.701. De belasting is berekend naar de toestand en ouderdom van de auto op 3 oktober 2007 en met inachtneming van de bepalingen in artikel 8, tweede lid, van de wet. Tevens is een boete van 50% van de nageheven belasting opgelegd en is heffingsrente in rekening gebracht.

De auto is op 11 augustus 2006 voor het eerst geregistreerd in het kentekenregister van Luxemburg. Met betrekking tot het bezit en het gebruik van de auto heeft eiser voorafgaand aan de eerste zitting de hierna genoemde contracten overgelegd. De contracten stonden aanvankelijk op naam van [E]. Met de hand is die tenaamstelling doorgehaald en vervangen door [D] BV( hierna ook: [D]). Het gaat om de volgende contracten (hierna gezamenlijk aangeduid als het contract):

• Een “Hauptvereinbarung” en bijbehorende algemene voorwaarden tussen [F] en [D], waarin is vastgelegd dat [F] bereid is auto’s te verhuren aan [D] onder de in deze overeenkomst vastgelegde algemene voorwaarden.

• Een “Mietvertrag”, genummerd [001], van 16 augustus 2006, waarin is vastgelegd dat [D] de auto van [F] huurt voor de duur van 36 maanden. In dit contract is vastgelegd dat de kostprijs van de auto € 49.108 is en dat de huurprijs € 770 per maand (zonder BTW) bedraagt. Bij het huurcontract is een koopoptie ten gunste van [D] opgenomen, waarin is vastgelegd dat [D] de auto aan het einde van de looptijd van het huurcontract voor € 25.000 (exclusief BTW) kan kopen.

• Een “Darlehensvertrag” afgesloten tussen [F] en [D] BV, waarin is opgenomen dat [D] een bedrag van € 49.108 aan [F] uitleent. Ter zake is geen rente verschuldigd. Maandelijks moet door [F] een bedrag van € 721 worden terugbetaald.

• Een “Verpfändungsurkunde” van 16 augustus 2006 tussen [D] en [F], waarin is vastgelegd dat [F] de auto als zekerheid voor de door haar van [D] geleende gelden aan [D] in pand geeft.

Over het gebruik van de auto heeft de vader van eiser ter zitting van 4 juli 2011 het volgende verklaard. De auto ter zake waarvan de onderhavige naheffingsaanslag is opgelegd stond ter beschikking van [E]. Deze maakte frequent van de auto gebruik. De auto stond vaak op het bedrijfsterrein. Ook eiser kon gebruik maken van deze auto en heeft dat gedaan.

3. Geschil

In geschil is of de naheffingsaanslag en de boete terecht zijn opgelegd en of terecht een heffingsrente in rekening is gebracht. Tevens is in geschil of eiser bij gegrondverklaring van zijn beroep recht heeft op integrale vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Verweerder heeft tijdens de tweede zitting aangeboden correspondentie te overleggen die van belang is voor het standpunt dat [F] niet in Luxemburg, maar in Nederland is gevestigd. De rechtbank heeft dit geweigerd omdat zij dit in strijd met een goede procesorde acht. In de eerste plaats is van belang dat verweerder in zijn verweerschrift weliswaar het standpunt had ingenomen dat [F] in Nederland is gevestigd of aldaar een vaste inrichting heeft van waaruit de auto ter beschikking is gesteld, maar dit standpunt niet met feiten had onderbouwd. Verweerder heeft dit standpunt vervolgens tijdens de eerste zitting ingetrokken. Daarnaast heeft verweerder tussen de eerste en de tweede zitting voldoende tijd gehad om nadere stukken aan de rechtbank te doen toekomen; ook als zijn bevindingen in die periode aanleiding zouden hebben gegeven eerder genoemd standpunt alsnog in te nemen. Nu eiser ter zitting heeft aangegeven dat hij niet in staat is op de door verweerder aangeboden nieuwe stukken inhoudelijk te reageren, acht de rechtbank overlegging van die stukken in het nadeel van eiser en in strijd met een goede procesorde.

4.2. Eiser is van mening dat de naheffingsaanslag is opgelegd in strijd met de in artikel 49 van het EG-verdrag (nu: artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) vermelde vrijheid van dienstenverkeer. Daarnaast heeft hij het standpunt ingenomen dat de naheffingsaanslag naar nationaal recht naar een te hoog bedrag is vastgesteld omdat deze niet is gebaseerd op de werkelijke waarde van de auto, maar is gebaseerd op waardebepaling van de auto met behulp van de wettelijke vaste percentages. Nu eiser desgevraagd heeft aangegeven dit standpunt niet nader te willen uitwerken, gaat de rechtbank aan dit subsidiaire standpunt voorbij. Tussen partijen is overigens niet in geschil, dat beoordeeld naar nationaal recht de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Nu niet is gebleken dat partijen daarbij zijn uitgegaan van een onjuist juridisch uitgangspunt zal de rechtbank partijen hierin volgen.

4.3. Het Hof van Justitie van de Europese Unie te Luxemburg (hierna: HvJ EU) heeft op 29 september 2010, C-91/10 in de zaak VAV-Autovermietung GmbH, het volgende geoordeeld:

27. Voor zover de wettelijke regeling in Nederland wonende of gevestigde personen die hoofdzakelijk in deze lidstaat een in een andere lidstaat geregistreerd en gehuurd voertuig gebruiken, vanaf de aanvang van het gebruik van een motorvoertuig op het Nederlandse wegennet verplicht tot betaling van het volledige bedrag van de betrokken belasting zonder rekening te houden met de duur van de huurovereenkomst van het betrokken voertuig en met het gebruik ervan op het Nederlandse wegennet, wordt bijgevolg door deze wettelijke regeling een belasting geheven die niet evenredig is aan de gebruiksduur van genoemd voertuig in de eerste lidstaat, ook al bepaalt deze wet dat het restbedrag, dat wordt berekend aan de hand van de gebruiksduur van dit voertuig op dit wegennet, na einde van dit gebruik zonder rente wordt terugbetaald.

(…)

30. Daarom moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat de artikelen 49 EG tot en met 55 EG aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling als die aan de orde in het hoofdgeding, krachtens welke een in een lidstaat woonachtige of gevestigde persoon die in deze lidstaat een in een andere lidstaat geregistreerd en gehuurd voertuig gebruikt, verplicht is om ter zake van de aanvang van het gebruik met dit voertuig van de weg van eerstbedoelde lidstaat de volledige belasting te betalen waarvan het restbedrag, dat wordt berekend aan de hand van de gebruiksduur van dit voertuig op dit wegennet, na einde van het gebruik zonder rente wordt terugbetaald.

4.4. Verweerder heeft aangevoerd dat genoemde jurisprudentie niet van toepassing is omdat geen sprake is van een reële huurovereenkomst. Hij heeft er in dit verband op gewezen dat het contract oorspronkelijk op naam was gesteld van [E], maar dat de tenaamstelling met de hand is gewijzigd in [D] BV. Tevens heeft verweerder erop gewezen dat in de overeenkomst [E] en [X] als bestuurders van de auto worden genoemd. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat de door eiser overgelegde bescheiden (grootboekkaart met de naam debiteurenkaart en betalingsspecificaties) uit de financiële administratie van [D] BV diverse vragen oproepen. Hij wijst erop dat sprake is van een overgelegde debiteurenkaart, terwijl een crediteurenkaart (met de aan [F] te betalen huur) mocht worden verwacht; dat de debiteurenkaart is opgemaakt met een Nederlands boekhoudpakket in de Nederlandse taal; dat niet alleen huurbetalingen, maar ook andere betalingen worden geboekt; dat er geen compleet overzicht is van de aan [F] betaalde of verschuldigde bedragen; dat verstrekking van de geldlening door [D] BV aan [F] niet is gebleken.

4.5. Aan verweerder kan worden toegegeven dat de overgelegde grootboekkaart en specificaties geen volledig overzicht geven van de betalingen met betrekking tot het contract. Uit de betalingsspecificaties blijkt echter wel dat regelmatig bedragen aan [F] zijn overgemaakt die overeenstemmen met wat daarover in het contract is opgenomen. Tevens zijn deze betalingen op de grootboekkaart verwerkt. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat, zoals eiser heeft gesteld, geen sprake is van een grootboekkaart uit de administratie van [D] BV, maar uit de administratie van haar aandeelhouder [G] BV, waarin de door deze vennootschap namens [D] BV gedane betalingen zijn verwerkt. Daarmee is dan verklaarbaar dat de betalingen geboekt zijn op een grootboekkaart die als debiteurenkaart is aangeduid. Vanuit [G] BV was immers [D] BV een debiteur nadat zij betalingen namens deze laatste vennootschap had gedaan. Ondanks de omstandigheid dat geen volledig overzicht is verstrekt, acht de rechtbank aannemelijk dat door of namens [D] BV aan [F] betalingen zijn gedaan overeenkomstig het contract. Gelet hierop en op de tekst van het overgelegde contract, acht de rechtbank door verweerder niet aannemelijk gemaakt dat geen sprake is geweest van een reële huurovereenkomst tussen [F] enerzijds en [D] BV of [E] anderzijds. Nu voor dit geding moet worden aangenomen dat [F] in Luxemburg is gevestigd en dat zij in Nederland geen vaste inrichting heeft, wordt met de verhuur van de auto aan [D] BV of [E] gebruik gemaakt van de binnen de Europese Unie geldende vrijheid van dienstverlening.

4.6. De omstandigheid dat eiser niet zelf de auto heeft gehuurd doet hier niet aan af. Tevens kan in het midden blijven of [F] de betreffende auto aan [D] BV of aan [E] heeft verhuurd. Verweerder heft belasting ter zake van het gebruik door eiser van de openbare weg in Nederland met een in een andere lidstaat geregistreerde auto welke door [D] BV of [E] wordt gehuurd. Deze belasting zou niet worden geheven als eiser gebruik zou maken van de openbare weg in Nederland met een door [D] BV of [E] gehuurde in Nederland geregistreerde auto. Dit onderscheid vormt een verboden belemmering van het vrije verkeer van diensten als bedoeld in artikel 49 van het EG verdrag. Ook is hierbij niet van belang of eiser de auto in Nederland heeft gebruikt voor privé of zakelijke ritten. In beide gevallen is het gebruik een gevolg van een grensoverschrijdende verhuurdienst, waarbij de belastingheffing vanwege de registratie van de auto in een andere lidstaat een belemmering van die dienstverlening vormt.

4.7. De wet voorzag ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag niet in een belastingheffing waarbij bij de aanvang van het gebruik van de openbare weg in Nederland rekening wordt gehouden met de duur van de huurovereenkomst van het betrokken voertuig of met het gebruik ervan op het Nederlandse wegennet. Daarin is voor het eerst voorzien in het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 14 december 2010, DGB2010/1786M, Stcrt. 2010, 20502. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting aangegeven dat die nieuwe regeling niet van belang is voor de beslissing in onderhavige zaak. Als gevolg hiervan moet, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 14 november 2008, 40597bis, LJN: BG4211, de conclusie zijn dat de belastingrechter de naheffingsaanslag niet in overeenstemming kan brengen met eerder bedoeld gebruik of duur. Hieruit volgt dat in verband met schending van het EU-recht de naheffingsaanslag moet worden vernietigd.

4.8. Op grond van het vorenstaande dienen ook de opgelegde boete en de in rekening gebrachte heffingsrente te vervallen.

4.9. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiser in verband met de behande¬ling van het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Eiser verzoekt om toekenning van een vergoeding van alle door hem gemaakte proceskosten omdat verweerder tegen beter weten in een standpunt heeft ingenomen waarvan duidelijk moest zijn dat dit – tegen de achtergrond van de door hem genoemde jurisprudentie - in beroep geen stand zou kunnen houden. Eiser verwijst in dit verband tevens naar de omstandigheid dat een andere inspecteur een vergelijkbare zaak bij het gerechtshof Den Bosch op 28 maart 2011 heeft ingetrokken.

Artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit) biedt de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden een integrale proceskostenvergoeding toe te kennen. Voor een dergelijke vergoeding is plaats ingeval een bestuursorgaan een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in de daartegen gestelde procedure geen stand zal zouden (HR 13 april 2007, nr. 41 235, LJN: BA2802, BNB 2007/260). Ook indien de inspecteur in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld kan sprake zijn van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit (HR 4 februari 2011, nr. 09/02123, LJN: BP2975).

Voor de door eiser gevraagde integrale proceskostenvergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. Ondanks meerdere verzoeken daartoe heeft eiser aan verweerder niet de gevraagde huurovereenkomst verstrekt. Pas in beroep heeft eiser deze stukken overgelegd. Hiermee heeft hij zelf verweerder de mogelijkheid ontnomen om voor het opleggen van de naheffingsaanslag of voor het doen van uitspraak op bezwaar de realiteit van de huurovereenkomst te toetsen. Deze kosten zijn daarom op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op

€ 1.093 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.093;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 152 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.I. van Amsterdam, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Aalbersberg, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 13 december 2011

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.